Regie: Jeff Nichols | Duur: 130 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Zwoel en zinderend. Zwoel is de sfeer, zinderend het spel in het met een avontuurlijk sausje overgoten drama Mud van Jeff Nichols. Steracteur Matthew McConaughey is uiteraard ‘the one to watch’, maar het is opvallend genoeg de jonge Tye Sheridan die de show steelt. Het is de derde speelfilm van Nichols (1978), die bekend werd met de apocalyptische nagelbijter Take Shelter (2011). Mud speelt zich, niet zonder reden, af in Nichols geboortestaat Arkansas. Mede dankzij diens uitstekende script was de film in de race voor de Gouden Palm.

De 14-jarige Ellis (Sheridan) en Neckbone (Jacob Lofland) zijn dikke maatjes. Tijdens hun omzwervingen in het stroomgebied van de Mississippi doen ze op een dag een merkwaardige ontdekking: op een eilandje treffen ze in een boom een boot aan. Het hangende gevaarte biedt onderdak aan de sympathieke Mud (McConaughey). Stukje bij beetje doet hij de jongens een opzienbarend verhaal uit de doeken, maar is hij wel te vertrouwen?

Mud streelt het hart van iedere man in wie de jongen nog leeft, mijn hart voorop. De film neemt je mee door de psyche van de man. In het bijzonder waar het zijn kijk op (liefdes)relaties betreft. Het verhaal ontbrandt als Mud zegt: “I like you two boys. You remind me of … me.” Waarmee hij bij de eerste ontmoeting direct al een bruggetje slaat tussen hem en de twee vrienden. Even later komt de aap pas echt uit de mouw. Mud zit in de penarie en kan goed wat hulp gebruiken. Neckbone (Neck) is direct op z’n hoede, Ellis daarentegen valt als een blok voor de gebruinde rivierrat.

Ik spoel een paar minuten terug. Ellis en Neck zijn in een motorbootje onderweg naar het eilandje. Er volgt een shot van de bomen waar, als vloeibare honing, het goudgele licht doorheen sijpelt. De schitterende belichting (zon, zon en nog eens zon) is het meest bezienswaardige element. Bovendien profiteert Nichols optimaal van de diversiteit van de rivierdelta. Frisgroen loof, het lieflijk kabbelende water van de Mississippi, het sompige zand. Kers op de taart is de fontein aan kleuren. Lila-paarse luchten, kaars- en kampvuurlicht en de vele aardse tinten variërend van terracotta tot okergeel: Mud is een weldadig bad voor de ogen.

In zulk een ambiance voelt zuivere ziel Ellis zich als een vis in het water. Tye Sheridan kun je met recht een revelatie noemen – de Artios Award voor de algehele casting van Francine Maisler en Diana Guthrie is perfect in orde. In ‘verstekeling’ Mud herkent Ellis zichzelf; direct is er een connectie. De knul (schrander koppie) heeft een enorme focus; een genot om Ellis te zien kijken, te zien observeren. Uiteraard kijkt hij in het begin iets tegen Mud op, maar hun vriendschap wint al snel aan gelijkwaardigheid. Ondanks het aanzienlijke verschil in leeftijd hebben ze elkaar kennelijk iets te leren – de ziel trekt zich immers geen fluit aan van de klok.

Mud gaat over de complexiteit van menselijke relaties. Over groeipijnen. Zo rommelt het tussen de vader en moeder van Ellis, kent Neck zijn eigen ouders niet eens en wordt hij opgevoed door zijn oom Galen (Michael Shannon). Ook Mud ontbeert een veilige basis. Hij fantaseert praktisch zijn hele leven al over zijn grote liefde Juniper (Reese Witherspoon), een knappe maar ietwat slonzige blondine die vooral vlucht in aandacht en kortstondig vertier. En dan is daar Ellis, de meest evenwichtige van alle ‘ontspoorden’. De onbetwiste held van de film voorziet een hongerige Mud van groene boontjes in blik, incasseert als gezant van de liefde meermaals rake klappen en brandt zijn eigen vingers aan de oudere May Pearl.

Mud huist in Ellis, Ellis in Mud. Wat Juniper voor Mud is, is May Pearl voor Ellis; die allereerste liefde vergeet je nooit meer. Meest ontroerende moment is de woordeloze uitwisseling tussen Mud en Juniper. Muds waterige kijkers spreken duidelijke taal. Ik laat je los, mijn liefste. Ik moet wel. En wat betreft Ellis: ook zijn fantasie sneuvelt. Maar gelukkig eindigt Mud, waarin Nichols put uit herinneringen aan zijn eigen jeugd, met een hoopvolle knipoog naar de toekomst. Middels – hoe kan het ook anders – zonovergoten shots van twee soulmates die elk hun eigen weg gaan: de een het ruime sop kiezend, de ander voorzichtig glimlachend als een knap meisje een beetje stout naar hem zwaait.

Regie: Sofia Coppola | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

De in het bos gevonden schat blijkt thuis lastig te verdelen. Het gaat dan ook niet om een kist vol gouden munten, maar om een schat met gehavende kleren en een beginnende baard. The Beguiled is een psychologisch drama van Oscarwinnares Sofia Coppola waarin de rollen tussen de seksen voor de verandering zijn omgedraaid: niet de vrouw maar de man is het object van begeerte. Coppola’s film is een remake van Don Siegels The Beguiled uit 1971. Beide films zijn gebaseerd op de roman A Painted Devil van Thomas P. Cullinan uit 1966.

Het verhaal speelt zich af in 1864, het derde jaar van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het meisjesinternaat Farnsworth in Virginia is door de oorlog uitgedund; alle slaven zijn er vertrokken, de meeste meisjes en docenten ook. Miss Martha (Nicole Kidman), Miss Edwina Morrow (Kirsten Dunst) en vijf meisjes zijn de enig overgeblevenen. Op een dag stuit de jonge Miss Amy in het bos op de gewonde korporaal John McBurney (Colin Farrell). Zijn entree op Farnsworth zet de verhoudingen tussen de dames flink op scherp.

Er is een wezenlijk verschil tussen Siegels The Beguiled en Coppola’s The Beguiled. Siegel laat ons door de ogen van McBurney (Clint Eastwood) kijken, Coppola biedt een waaier aan perspectieven door de gebeurtenissen vanuit de vrouw te vertellen. Interessant is verder dat de ontwikkelingen in The Beguiled het gelijk van de Franse antropoloog René Girard (1923-2015) bewijzen. Zijn kernbegrip is de mimesis, wat imitatie betekent. Samengevat stelt Girard dat het menselijk verlangen meer is dan een rechte lijn tussen subject en object; we verlangen vooral wat anderen verlangen. Concurrentie ligt dan op de loer.

De omstandigheden in The Beguiled spelen concurrentie in de kaart. Het bestaan op Farnsworth is sober, voorspelbaar. Met de oorlog op de drempel van hun bestaan (in de verte zijn doffe dreunen te horen), houden de vrouwen zich zo veel mogelijk schuil en koest. Taken zijn er daarbij te over. De jonge dames helpen in de keuken of werken in de tuin. En zo niet, dan krijgen ze les van Miss Morrow of moeten ze (leren) naaien en borduren. Daarnaast moet er op vaste tijdstippen gebeden worden. Bijna voelt het internaat aan als een gevangenis; dat het kolossale ‘huis van bewaring’ is omgeven door dicht loofhout, versterkt dit gegeven.

Maar zie, als donderslag bij heldere hemel is daar het object. En niet zo’n verkeerd object ook. Een aantrekkelijke man, die bovendien ernstig verlegen zit om medische zorg vanwege een diepe vleeswond. McBurney vormt dus geen direct gevaar, maar als soldaat van de Unie (verbond van noordelijke staten) bevindt de Yankee zich in het zuidelijker gelegen Virginia wel op vijandelijk terrein. Was hij er in mannenhanden beland, dan had hem zonder twijfel de strop gewacht. Farnsworth is wat dat betreft een warm (vrouwen)bad, toch?

Nou, zo warm is het daar niet. De vrouw des huizes (Miss Martha) maakt McBurney direct duidelijk dat zijn aanwezigheid niet gewenst is. Kidman is voortreffelijk, as cold as ice. Miss Martha heeft de regie in Farnsworth stevig in handen, de overige dames voegen zich tamelijk gedwee naar haar wil. Niet te missen zijn haar priemende ogen, geaccentueerd door dik aangezette wenkbrauwen: ze is als een moederarend die niets ontgaat, die haar nest streng bewaakt. Met een groeiend wantrouwen stelt ze dan ook vast welk effect John heeft op haar ‘jongen’. Zorgelijker: welk effect John heeft op háár.

Want ze zegt weliswaar tegen de korporaal dat hij niet welkom is, maar tot twee keer toe (wanneer de eigen soldaten Farnsworth aandoen) spaart ze hem. Miss Martha is dus niet van steen; ook zij begeert hem. Heel stiekem. Veel minder diplomatiek gaat de rebelse Miss Alicia (Elle Fanning, geknipt voor deze rol) te werk. De oudste van de vijf meiden, die zich stierlijk verveelt, toont zich een ware verleidster. Ook speelt ze een centrale rol in dé gebeurtenis van de film, die tragisch genoeg het einde betekent aan de oprechte droom van de derde partij in het spel om de gunst van McBurney: Miss Edwina Morrow.

We verlangen vooral wat anderen verlangen, aldus René Girard. Zeker als het object van verlangen niet in ruime mate voorhanden is. Schaarste werkt als een rode lap op een stier. In The Beguiled is dat het geval. Alle dames willen bij John in de smaak vallen en zetten daartoe hun beste beentje voor. Eén object, meerdere subjecten. Dus hevige concurrentie; de lap in The Beguiled kleurt donkerrood. De dames houden elkaar in de gaten, proberen elkaar de loef af te steken. Exemplarisch zijn de reacties op Johns compliment voor de lekkere appeltaart: elk van de vrouwen wil een aandeel hebben in dat succes.

De niet nader te noemen gebeurtenis in The Beguiled zet Farnsworth nog meer op zijn kop. Erna laat John de charmeur (met al die vrouwen waant hij zich logischerwijs in het walhalla) zich van een lelijke kant zien. Dat hij helaas valt voor de verleiding en in de persoon van Miss Edwina Morrow niet kiest voor de echte liefde, is nog tot daar aan toe. Maar het beetje sympathie dat ik nog voor hem had, verdwijnt in het laatste halfuur als sneeuw voor de zon. Overtuigend acteerwerk van Farrell, dat wel, als een man wiens ego wel een prothese kan gebruiken.

De veelzijdigheid van de vrouw, dat is wat The Beguiled laat zien. Haar (ver)zorgende natuur enerzijds, het jaloerse loeder anderzijds. En de sadistische bitch, want als het hun tegen het einde van de film duidelijk is geworden dat het tot voor kort begeerde object een gevaar blijkt, sluiten de dames onder leiding van Miss Martha pijlsnel de gelederen. Dat gebeurt wel buiten de in stilte hunkerende Edwina om; zij is feitelijk het enige personage dat compassie verdient. Dat de liefde aldus aan het kortste eind trekt, maakt dat The Beguiled mij een wat zure nasmaak bezorgt.

 

Regie: Tyler Nilson & Michael Schwartz | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Op IMDb staat een lijst van 42 acteurs en actrices die niet kregen waar ze volgens sommige filmkenners wel recht op hadden: een nominatie voor een Oscar. Op die lijst staan er twee die in The Peanut Butter Falcon tot de beste matties uitgroeien. Het zijn de in Los Angeles geboren Shia LaBeouf (1986) en de mij tot voor kort onbekende Zack Gottsagen. De casting van Gottsagen (1985) is bijzonder te noemen: hij lijdt namelijk aan het syndroom van Down.

In The Peanut Butter Falcon maken we kennis met de 22-jarige Zak (Gottsagen). De jongeman wil in zijn leven niets liever dan professioneel worstelaar worden, maar in plaats daarvan kwijnt hij weg in een verpleeghuis. Op een dag weet hij echter te ontsnappen en ontmoet hij in Tyler (LaBeouf) een aan lager wal geraakte visser die ook op de vlucht is. Tyler zit niet echt te wachten op gezelschap, maar Zak wil coûte que coûte zijn idool Salt Water Redneck ontmoeten.

Zack Gottsagen is waarom een film als The Peanut Butter Falcon voor altijd in de bios zou moeten draaien. Je wordt er ontzettend blij van omdat Gottsagen doet wat veel mensen een beetje verleerd lijken. Dakota Johnson: “Zack is puur en hij leeft vanuit een compleet open hart. Hij oordeelt niet.” Aldus de actrice over de man die als dreumes al de vurige wens had om acteur te worden. Zijn eerste rolletje? Een kikker, toen hij amper drie jaar oud was. Nu dertig jaar later speelt hij de hoofdrol in een film waarvan het script speciaal voor hem is geschreven.

Zak de hartendief. Hij is de ultieme verbinder in de film. Had het Oscarcomité hem dat beeldje niet gewoon moeten toekennen? Natuurlijk. Puur vanwege het feit dat Zak anderen transformeert, door zijn ‘ongefilterde’ (niet door het ego vertroebelde) kijk op het leven, door zijn ontwapenende manier van doen. Tyler is de eerste die dat mag ervaren. Hij moet aanvankelijk niets van zijn schaars geklede reisgezel hebben, keert hem dan ook de rug toe, maar krijgt rap spijt van die actie. Gelukkig maar, want als hij niet veel later oog in oog staat met Zaks beeldschone protegee Eleanor (Johnson), komt het verhaal in een stroomversnelling.

Shia LaBeouf staat bekend als een lastige jongen, zowel op de filmset als daarbuiten. De kersverse vader (hij en actrice Mia Goth onderhouden al 10 jaar een relatie vol ups en downs, met nu een baby als resultaat) stond ooit te boek als een acteertalent, maar sinds 2010 rijgt hij de incidenten aaneen. Meerdere keren werd de licht ontvlambare gearresteerd voor dronkenschap en geweldsdelicten. De Tyler in het eerste halfuur van de film lijkt veel op de Shia in het echte leven: hij is een pain in the ass, en zeker niet de pluche badass die Zack zo prachtig neerzet.

Maar Eleanor en Zak schudden Tyler wakker; van een brombeer verandert hij zowaar in een mentor. Lukt het Tyler om zijn oersterke partner in crime klaar te stomen voor wellicht een serieus potje worstelen? Het middenstuk is veruit het leukste gedeelte van de film, waarvan de opnames trouwens plaatsvonden in de delta van de Savannah River. Het licht is mooi (soms wat heiig, ietwat sprookjesachtig) en het getokkel op de snaren past er perfect bij. Qua sfeer doet The Peanut Butter Falcon erg denken aan Mud (2012).

Behalve Gottsagen stelen ook twee andere acteurs je hart. Ten eerste Wayne Dehart als Jasper, een stekeblinde kluizenaar op leeftijd die wel erg fanatiek het woord van Christus verkondigt. En let later vooral op Thomas Haden Church als Salt Water Redneck. De acteur (bekend van Sideways, 2004) speelt een uitgerangeerde held die net als Zak zijn dagen slijt op een anonieme plek. Maar is het heilige vuur in hem dan definitief gedoofd? Nee hoor. Zijn grootste fan, Lord of the worstelring Zak, pookt dat vuurtje weer op.

Niet je leven dromen, maar je dromen leven: Za(c)k komt een heel eind in een van de leukste films van de afgelopen jaren. Door gewoon zijn hart te volgen. In dat opzicht is zijn verstandelijke beperking eerder een zegen dan een vloek; eronder lijden doet hij sowieso niet. Sterker, Zack is en blijft zijn zalige zelf. Altijd. The Peanut Butter Falcon is een zoet juweeltje waarin het kikkertje van toen laat zien een professionele reuzesprong gemaakt te hebben. Zelfs Salt Water Rednecks imposante ‘atoomworp’ verbleekt bij die prestatie.

Regie: Juho Kuosmanen | Duur: 107 minuten | Taal: Russisch, Fins | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Volgens Michel de Montaigne (1533-1592) impliceert reizen het aannemen van een filosofische levenshouding. De Franse denker zei: “Ik weet waarvoor ik op de vlucht ben, maar niet waarnaar ik op zoek ben.” Laura zal zich herkennen in dat onbestemde gevoel. Waar ze zeker niet naar op zoek is, is een onaangepast figuur dat haar continu op de lippen zit. Maar daar krijgt ze wel mee te maken in Hytti Nro 6 (Compartment No. 6), een roadmovie op ijzeren wielen gebaseerd op de gelijknamige roman van de Finse schrijfster Rosa Liksom.

Een beetje sip omdat ze afscheid heeft moeten nemen van haar lief, stapt Laura (Seidi Haarla) in Moskou op de nachttrein naar Moermansk, in het uiterste noordwesten van Rusland. De Finse interesseert zich voor archeologie en wil in de havenstad petrogliefen (rotsschilderingen) gaan bewonderen. Tot haar schrik moet ze onderweg haar coupé delen met de Russische mijnwerker Ljoha (Yuriy Borisov); niet de meest fijnzinnige reisgenoot die je je kunt wensen.

Hytti Nro 6 is een dieseltrein die ietwat traag op stoom komt. Yuriy Borisov is de ‘machinist’ die de versnelling in gang zet. De kalende gast maakt meteen indruk op Laura, alleen is het niet zo’n goede indruk. Ljoha heeft namelijk te diep in het glaasje gekeken en is daardoor de kluts vrolijk kwijt. Is meteen een van de leukste scènes uit de film. Hij zwemt in de wodka, rookt een sigaret en zet tegelijkertijd zijn tanden in een lekker knapperig worstje. Je ziet en hoort Laura denken: mijn god, heb ik weer. Wisselen van coupé kan ze echter wel schudden. “Alsof je iets te kiezen hebt”, boort de conductrice haar hoop de grond in.

Gelukkig trekt de zuipschuit bij. In de restauratiewagen hebben de twee eenzame zielen voor het eerst iets wat op een dialoog lijkt. Ljoha vraagt Laura namelijk wat ze in Moermansk gaat doen. Petrogliefen? Daar heeft de arme drommel nog nooit van gehoord. Wel is het ijs daarmee definitief gebroken. Hierna reikt Ljoha steeds meer uit naar Laura; hij is de locomotief, zij haakt vooral aan. Eerst met gezonde tegenzin, maar Ljoha’s hele manier van doen is zo ontwapenend dat haar twijfel omtrent zijn bedoelingen afbrokkelt. En daar blijft het niet bij.

Borisovs spel geeft het verhaal, dat niet heel speciaal is, kleur. Hij is overtuigend als een notoire boef met een gevoelige inborst. Overigens vermoed je voortdurend dat er onder die ruwe bolster een blanke pit schuilgaat. Hij kan streng turen door zijn blauwe kijkers, maar je hoeft geen expert te zijn om vast te stellen dat Ljoha een ondeugend kind is dat graag de randjes opzoekt. Beste acteermoment is zijn reactie op Laura’s tekening waarin hij, na goed kijken, zichzelf plots herkent. Heeft ze dat voor míj gedaan?!

Seidi Haarla geeft de film de nodige zachtheid. Haar personage is de Finse actrice met de prachtige gloed op het lijf geschreven: Laura is een dromer met een rijke innerlijke belevingswereld. Ze komt moeilijk los van het bruisende leven dat ze in Moskou had; ze koestert de herinneringen eraan. Het lijntje met die dierbare herinneringen? Haar camera waar “alles van Moskou” op staat, biecht ze in tranen aan Ljoha op. Ja, in tranen, want rara wat gebeurt er met haar camera?

Hytti Nro 6 is Before Sunrise (1995) op z’n Fins, lezen we in The Guardian. De film herinnert aan Lost in Translation (2003), stelt De Morgen. Beide vergelijkingen gaan deels op. Maar hoe warm ook het onderbuikgevoel dat de film van Juho Kuosmanen je bezorgt, een kunstwerk à la Lost in Translation is het absoluut niet. Heeft hij dan de allure van Before Sunrise? Nee, omdat Hytti Nro 6 niet draait om de ontmoeting via het gesprek. De goddelijke vonk tussen Jesse en Céline, resulterend in de meest fraai kronkelende dialogen, maakt Before Sunrise tot een fantastisch lofdicht op de liefde.

Slieren door het romantische Wenen, een fles rode wijn scoren en een droomnacht in een park doorbrengen. Zo ging het in Before Sunrise. Een iets andere invulling in Hytti Nro 6: liters wodka, worst, augurken en tabak. En daarbij ga je echt niet voor de lol in een Russische rammelbak naar het zwaar industriële Moermansk. Zeker niet in de winter. Het “schijtgat” ligt boven de Noordpoolcirkel, niet de beste plek voor een fraaie ‘sunrise’. Alles is er grijs, grauw en groezelig. In het kwadraat. Anderzijds: leren Ljoha en Laura ons niet dat de bestemming van de reis minder belangrijk is dan de reis zelf?

 

Regie: Kathryn Bigelow | Duur: 131 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Daar liggen de twee mannen, zij aan zij in het zand. In de waanzin beland voor volk en vaderland. De een bedient een scherpschuttersgeweer, de ander tuurt door een verrekijker. Ze liggen onder vuur, dus bij de les blijven is van levensbelang, hoe zwaar de condities ook zijn. Ondertussen heeft Owen andere zorgen. Hij moet kogels van bloedspetters ontdoen, anders laadt het geweer niet door en valt er weinig terug te schieten. Maar het lukt hem niet. Teamleider William spreekt hierop bemoedigend op Owen in, die zijn emoties maar nauwelijks de baas is. Het surrealisme in deze scène uit The Hurt Locker, veruit de beste van de film, krijgt plots een poëtisch tintje: door de fijnzinnige muziek, een stuiterende kogelhuls in slow motion en het shot van een stofhoosje.

Oorlogsfilms zijn niet echt mijn cup of tea, maar The Hurt Locker blies me compleet weg. Het indringende drama is gebaseerd op de observaties van de Amerikaanse journalist Mark Boal gedurende de Irakoorlog. Boal schreef tevens het met een Oscar onderscheiden script voor de film. Het is een van de in totaal 125 (!) prijzen die de film van Kathryn Bigelow in de wacht sleepte. Bigelow, over The Hurt Locker: “War’s dirty little secret is that some men love it.” Wellicht, maar die medaille heeft een gitzwarte keerzijde.

Bagdad, 2004. Sergeant William James (Jeremy Renner) staat aan het hoofd van een groepje Amerikaanse elitesoldaten die de ondankbare taak hebben om explosieven onschadelijk te maken. William (Will) gaat hierbij naar eigen inzicht te werk en wekt de indruk dat de dood hem koud laat. Bovendien communiceert hij gebrekkig. Hierdoor brengt hij zijn twee directe collega’s, sergeant JT Sandborn (Anthony Mackie) en soldaat Owen Eldrigde (Brian Geraghty), regelmatig in verlegenheid. En in gevaar.

De eerste minuten van The Hurt Locker zijn al direct meeslepend. Bigelow kwakt je namelijk zonder pardon neer in het strijdperk (het decor is een straat in Bagdad). De beelden vechten als het ware om voorrang: een robotautootje is op weg naar een tussen het zwerfafval verstopte bom, legervoertuigen snellen toe, militairen zetten in allerijl straten af, inwoners maken zich uit de voeten. Opgewonden stemmen, geschreeuw. Het luchtalarm klinkt. Sirenes gaan af. Toeterende auto’s. Een straaljager scheurt de hemel aan stukken.

Kijk je door een puur technische bril naar The Hurt Locker, dan kun je niet om de handheld cameravoering en de (geluids)montage heen. Vanaf het eerste moment zorgen die twee voor een soort audiovisuele wurggreep. Talrijke cuts en de waaier aan shots (de focus wisselt voortdurend) genereren een drukkende spanning; de actie zelf is bijna van ondergeschikt belang. De gebeurtenissen doen levensecht aan; The Hurt Locker is een tikkende tijdbom in documentairestijl. Dat is voor het grootste deel te danken aan het scherpe oog van cameraman Barry Ackroyd en de excellente montage van Bob Murawski en Chris Innis.

Een knettergoed filmkader dus, en daarbij is het spel uitstekend. Jeremy Renner weet de meeste ogen op zich gericht. Het lijkt niet tot voorman Will door te dringen dat hij ieder moment het loodje kan leggen. Heeft hij het angstgen niet? Of is-ie gewoon een dwaas? Achteloos trekt de durfal het ontmijningspak aan en keer op keer haalt hij de ‘angel’ uit allerlei bommen en granaten. Op zeker moment gaat hij nog een stap verder door zonder bompak in een auto met een kofferbak vol springstof te stappen. “Als ik toch sterf, dan comfortabel.”

Maar Sanborn, tijdens hun eerste missie al niet gediend van Wills optreden, laat hem pal na die stunt duidelijk voelen dat wat hem betreft de grens is bereikt. Meermaals betwist Sanborn het (tactische) inzicht van Will. Vrienden zijn de heren dan ook niet, maar ze tekenen wel voor de meest intieme dialoog uit de film. “Weet jij waarom ik ben zoals ik ben?” vraagt Will aan Sanborn wanneer ze terugkeren van de zoveelste kloteklus. Ze zien er niet uit. Vies, bezweet, onder het bloed. Geknakt.“I fucking hate this place,” zegt Sanborn, die vervolgens toevoegt dat hij klaar is om te sterven. Daar zitten ze dan, de twee mannen die zij aan zij lagen in het zand.

Sanborn is min of meer gelijkwaardig aan Will. Hij durft op te staan tegen zijn baas. Owen daarentegen, de laagste in rank, lijkt zogezegd per ongeluk in een militair uniform terecht te zijn gekomen. De knul is volgzaam, ook omdat hij wat onzeker is. “Moet ik vuren?” Hij is compleet overstuur nadat kolonel John Cambridge (“doc”) op een bermbom is gestapt. En dat terwijl die zich had aangemeld om eens van dichtbij een dag ‘in de zandbak’ mee te maken; dat bureauwerk komt je op den duur ook de keel uit. Was het niet uitgerekend Owen die doc had verweten geen flauw benul te hebben hoe het een soldaat aan het front vergaat?

Oorlog is een cynische roulette, The Hurt Locker is daar het overweldigende bewijs voor. Sanborn zit mentaal stuk en Owen neemt kermend van de pijn afscheid van een oord waar stervelingen niets te zoeken hebben. En Will? Die voelt zich juist verloren als hij weer thuis is. In de supermarkt (voorlaatste scène) duwt hij verveeld een winkelwagentje voor zich uit. Met een blik alsof zijn speeltje is afgepakt. “The rush of battle is often een potent and lethal addiction, for war is a drug.” Dat is Will aan te zien, want hij lijkt in zijn sas wanneer hij de roulette vervolgt in dienst van de Delta Compagnie. Ik vind het een ietwat triomfantelijk slot aan een film over een militaire interventie waar Amerika zich kapot voor moet schamen.

Regie: Mark Herman | Duur: 108 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL

Camera

‘Feeling brassed off’ is informeel Engels voor ‘niet lekker in je vel zitten, je ongelukkig voelen’. Bovendien is ‘brass’ een helder gele metaalsoort, een legering van koper en zink. Beide betekenissen komen samen in het bijzonder charmante Brassed Off van Mark Herman. Een ode aan de blaasmuziek, en in 1998 winnaar van de César (Franse Oscar) voor de Beste Buitenlandse Film. Blikvanger in deze Britse parel is zonder enige twijfel de reeds overleden Pete Postlethwaite (1946-2011), een van de meest bezienswaardige acteurs die het witte doek ooit rijk was.

Brassed Off speelt zich af in Yorkshire, zo’n tien jaar na de grote mijnstaking (1984-1985). Inwoners van het stadje Grimley hangt de definitieve sluiting van de kolenmijn boven het hoofd, maar Gloria (Tara Fitzgerald) krijgt van Britisch Coal de belangrijke opdracht om het rendement van de mijn, een sociaal-economische levensader, in kaart te brengen. Aangezien de dame tevens prima overweg kan met de bugel (een soort trompet), verovert ze een vaste plek binnen de lokale fanfare. En daar loopt ze in Andy (Ewan McGregor) een oude vlam tegen het lijf.

Het is smullen geblazen in Brassed Off, een sociaal drama dat bij vrijwel iedereen in de smaak zal vallen. Eerste moment van extase is Gloria’s visitekaartje op haar bugel. Aangevuurd door dirigent Danny (Postlethwaite) brengen de mijnwerkers van de Grimley Colliery Band (in werkelijkheid is het Grimethorpe Colliery Band) Rodrigo’s Concierto de Aranjuez ten gehore. Een weergaloos mooi stuk muziek. De uitvoering is volmaakt en deze wordt ook knap in beeld gebracht; de cameravoering en montage zijn vlekkeloos. Zie hoe de aanwezigen, louter mannen, stuk voor stuk van verrukking en verbazing bijna van hun stoel vallen.

Brassed Off is een heerlijk Brits product, een ruwe cinema-diamant. Een verhaal over collectivisme en de logische frictie met de ‘vijand’. Wij tegen zij. Danny propageert alleen het ‘wij’, middels de band natuurlijk. Het is een feest om naar Postlethwaite te kijken. Zijn expressie is rauw, tegelijk melancholisch. “It’s all in the cheekbones (jukbeenderen), this career of mine”, zei hij ooit. In Brassed Off heeft meneer heel wat noten op zijn zang. Of de kolenmijn van Grimley nu wel of niet met sluiting bedreigd wordt, voor Danny maakt dat eigenlijk niks uit. De kopman is niet bezig met de op handen zijnde sluiting, zelfs het kolengruis in zijn longen kan hem niet stoppen. “It’s music that matters.”

Echter, zijn commitment wordt niet gedeeld door de andere bandleden. En daarnaast raakt zijn zoon Phil (Stephen Tompkinson, prachtige rol) van de regen in de drup. Diep in de schulden ziet die zich genoodzaakt om Mr Chuckles uit de kast te trekken. In een clownspak kindertjes entertainen, van ouders die tot de ‘upper class’ behoren. Dat steekt natuurlijk, en op een dag wordt het hem te veel. Ten overstaande van een stel piepjonge koppies vervloekt Phil de Tory Party en haar toenmalig leider Margaret Thatcher. Regisseur Mark Herman bekent daarmee politiek kleur. Brassed Off gaat eigenlijk niet eens zozeer om het wel en wee van mijnwerkers, de film is meer een sympathieke schets van de arbeider die het hoe dan ook aflegt tegen het (politiek) kapitaal.

Maar zomaar opgeven is er niet bij, we zijn immers in het land van ‘hope and bloody glory’. En die glorie komt. Voor Gloria en Andy (leuk om McGregor het verliefde kalf te zien spelen) en ook voor de Grimley Colliery Band. De ultieme glorie zelfs, want in een knus Londens ‘zaaltje’ knalt het blaasensemble er voor de laatste keer een vette deun uit. Waarna Danny Ormondroyd de microfoon pakt en, nog maar eens, in zuiver steenkolenengels het publiek deelgenoot maakt van wat hij onlangs bijgeleerd heeft: “Truth is, I thought it mattered. I thought that music mattered. But does it bollocks?”

Regie: Jan de Bont | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Stormachtige ontwikkelingen in Twister van Jan de Bont (1943), die geruime tijd cameraman was alvorens hij in Hollywood als regisseur succesvol debuteerde met Speed (1994). En ook Twister, twee jaar later, werd lovend ontvangen door zowel filmcritici als het grote publiek. Vooral vanwege de fraaie special effects. Staan die nog steeds overeind, nu vijfentwintig jaar later? Jazeker! Wat beslist niet overeind blijft staan in de film: alles wat onderhevig is aan harde wind.

Bill Harding (Bill Paxton) en zijn vrouw Jo (Helen Hunt) zijn twee tornadojagers die in scheiding liggen; een handtekening van Jo onder de scheidingspapieren is de laatste formaliteit die vereist is. Hiertoe gaat Bill, vergezeld van zijn nieuwe vriendin Melissa (Jami Gertz), langs bij Jo. Maar eenmaal ter plekke (Tornado Alley vormt het hart van de actie in Twister) slaat het weer om en worden Bill en Melissa meegezogen in een rits spectaculaire gebeurtenissen.

Je hoeft Twister niet te kijken omdat het verhaal nou zo geweldig is; het plot is nogal ‘cheesy’. Maar waarom blijft deze ‘goedkope’ prent mij dan toch boeien, keer op keer? In eerste instantie omdat ik extreem weer (onweer vooral) fascinerend vind. Nooit zal ik vergeten hoe nietig dit mannetje zich voelde toen op een druilerige novemberavond in 1983 de bliksem voor zijn ogen insloeg. Wat een licht, wat een klap. Niet te filmen. Twister doet me aan die tijd denken. “Those were the days”, zei mijn vader dikwijls over de tijden waar híj wel eens naar terugverlangde.

Mijn nostalgie dikt aan door de aanwezigheid van een tweetal acteurs die inmiddels niet meer onder ons zijn. Twee heren waar ik een zwak voor heb. Bill Paxton overleed in 2017 (61) en Philip Seymour Hoffman in 2014, slechts 46 jaar oud. In Twister zien we de nog jonge Seymour Hoffman als Dusty. Een heerlijke bijrol. Hij krijgt van De Bont alle gelegenheid om de nar van het sowieso kleurrijke gezelschap tornadojagers te spelen. De Suck Zone, legt Dusty bloedserieus aan Melissa uit, is de plek waar de tornado je opzuigt. Weet u dat alvast.

De passie, bijna bezetenheid, van het stel tornadojagers (prima casting) is bijzonder aanstekelijk. Dusty is de leukste, maar ook Alan Ruck (‘Rabbit’) doet een kleine doch fijne duit in het zakje. Hij is de navigator van het rock-‘n-roll-ensemble. “Roll the maps”, dicteert hij collega Sanders die de kaarten juist constant (op)vouwt. En aan kop van het zooitje weerpiraten staan twee kemphanen: Jo en Bill. Constant vliegen de bijna-exen elkaar in de haren. De chemie tussen de kissebissende kleuters kietelt vooral de lachspieren; erg diepzinnig wordt het allemaal niet. Alhoewel Jo wel met een trauma heeft af te rekenen, getuige de heftige openingsscène van Twister.

Twister is een tikkeltje platvloerse, maar charmante ode aan de begeestering. Mocht je weinig of niets hebben met rampenfilms, weet dan dat er in ieder geval zat te lachen valt. Om Dusty dus, maar ook om dr. Melissa Reeves. In de ogen van Hyacinth Bouquet zal ze vast de ideale schoondochter zijn, maar wat de keurige vruchtbaarheidstherapeute in het ruige Twister te zoeken heeft? Raadselachtig. Heel ‘vruchtbaar’ is haar bijdrage niet. Hetzelfde geldt voor Bill’s tegenstrever Jonas Miller (Cary Elwes). De poenige gladjanus bestudeert ook tornado’s, wil Bill te slim af zijn, maar betaalt uiteindelijk een hoge prijs voor zijn arrogantie.

Verre van ‘cheesy’ in de film zijn de special effects; de Oscarnominatie hiervoor kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Echter, Twister legde het in die categorie af tegen de enkele maanden later verschijnende blockbuster Independence Day. Dat neemt niet weg dat de scène waarin een drive-inbioscoop door een tornado aan stukken wordt gescheurd ronduit fantastisch is. Temeer omdat op dat moment The Shining (1980) van Stanley Kubrick wordt vertoond. Bulderende winden en een manisch hakkende Jack Nicholson op het witte doek: prachtig! Vijfentwintig jaar na zijn release is Twister nog altijd wervelend popcornamusement.

 

Regie: Adam McKay | Duur: 130 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

“Truth is like poetry. And most people fucking hate poetry.” De quote had de tagline van The Big Short kunnen zijn. Omdat de film een fraude uit de doeken doet die je je moeilijk kunt voorstellen. Vooral de grootschaligheid ervan. Zoiets kan toch niet waar zijn? Daar komt bij dat materie behoorlijk complex is. De term ‘vastgoedzeepbel’ an sich begrijp ik, maar bij ‘kredietverzuimswaps’ haak ik af. De film mijdt dit soort jargon zeker niet. Gesneden koek wellicht voor een beetje cijfernerd, maar voor mij (een taaldier) is het in eerste instantie abracadabra.

Dus bekijk ik The Big Short een tweede keer. Een derde, vierde en vijfde keer. En uiteindelijk valt het kwartje. Misschien had ik beter het boek van Michael Lewis kunnen lezen, het gelijknamige boek waarop de film is gebaseerd. Anderzijds is het scenario van Charles Randolph en regisseur Adam McKay een formidabele bewerking van dat boek. Durf ik te zeggen zonder het gelezen te hebben. Subliem is bovendien het werk van Hank Corwin, de editor. Hij heeft een aanzienlijk aandeel in het gegeven dat je soepeltjes door het bank- en investeringswereldje beweegt. Niet meteen de meest warmbloedige bedrijfstak. Uniform. Kantoorflats waar elke vorm van romantiek ontbreekt. Bevolkt door mannen in pakken. Mannen die pakken wat ze pakken kunnen. Haantjesgedrag op dertien hoog.

The Big Short begint in 2005. De Amerikaanse huizenmarkt is op dat moment een kaartenhuis dat op instorten staat. Tientallen jaren lang zijn er namelijk hypotheken verstrekt waarvan de financiering rammelt. Voor de oorsprong van deze malversaties (de film begint ermee) moeten we terug naar eind jaren 70. Lewis Ranieri, de ‘Grote Smurf’ van de New Yorkse investeringsbank de Salomon Brothers, kreeg destijds het lumineuze idee om hypotheekleningen te verpakken tot obligaties die doorverkocht kunnen worden. Het markeerde het begin van een nieuw tijdperk in het Amerikaanse geldwezen. Financials harkten aan de lopende band en met speels gemak honderden miljoenen dollars binnen; the sky was the limit.

Maar Wall Street zou in de jaren erna uitgroeien tot een luchtkasteel. Een verraderlijk bouwwerk met, blijkt in 2007, een plafond van graniet. En daartegen je hoofd stoten doet zeer. Vier vreemde vogels anticiperen in 2005 op een dergelijk scenario, op een financiële meltdown. Ze ontdekken dat vele Amerikaanse huizenbezitters (beter: huizenbewoners) hun betalingsverplichtingen aan de bank niet nakomen. Een crash van de vastgoedmarkt, en daarmee de ontwrichting van de wereldeconomie, hing in de lucht. Wat de film echter voornamelijk laat zien, is hoe de vier de crash uitbuitten en er schatrijk door werden. Dat deden ze middels een techniek die short gaan heet: winst behalen door in te spelen op een daling van de aandelen- of obligatiekoers.

Hoe short gaan precies werkt? Kijk voor de details naar The Big Short. Wat een prent. Steengoed. Een suf onderwerp zo wervelend verpakken is grote klasse. Ik noemde al Corwins Oscarwaardige ‘knip- en plakwerk’, en ook het spel en het camerawerk zijn geweldig. Het op waargebeurde feiten berustende verhaal is geconstrueerd rondom een drietal personages: Michael Burry (Christian Bale), Mark Baum (Steve Carell) en Jared Vennett (Ryan Gosling). De drie acteurs vlammen in dit biografische drama, dat de nodige elementen van een zwarte komedie herbergt.

De mensenschuwe cijferfreak Michael Burry is de meest excentrieke van de drie. Een autist met een glazen oog. Zonder pardon lapt hij de mannen-in-pakken-cultuur aan zijn laars: meneer draagt consequent een zomeroutfit. Ja, ook op kantoor. Daar zeker. T-shirtje, korte broek, sandalen. Hij zit met blote voeten achter zijn bureau. Hij is dol op heavy metal en ook buitengewoon kundig met een paar drumsticks. Als hoofd van het hedge fund Scion Capital koopt Burry voor 1,3 miljard dollar aan ‘credit default swaps’, wat hem op een storm aan kritiek komt te staan.

Dan manager Mark Baum (in werkelijkheid Steve Eisman). Een arrogante bulldozer met een moreel kompas van staal. Gaat recht op zijn doel af en windt nergens doekjes om (dat is nog licht uitgedrukt). Hij beheert een relatief bescheiden investeringsfonds en stuurt een klein team van handelaren aan. Baum gaat door het lint als hij doorziet welke frauduleuze hypotheekconstructies de banken schaamteloos aan de man brengen, hoezeer kredietbeoordelaars de ogen daarvoor sluiten en welke atoombom dat potentieel legt onder de economie. Carell dreunt echt van het doek; dat zijn hart het niet begeeft!

Ryan Gosling tot slot. Zijn aandeel in de film is drieledig. Hij is uitstekend als de zeer gelikte verkoper Jared Vennett (Deutsche Bank). Bovendien neemt hij de kijker bij de hand door de schimmige wereld van het grote geld. Dat doet hij via de voice-over en door de vierde wand te doorbreken, dus door zich rechtstreeks tot de kijker te wenden. Andere acteurs doen dat trouwens ook, maar Gosling het vaakst. Het is een slimme zet van McKay; de mini-intermezzo’s verschaffen de kijker wat meer structuur én ademruimte. Dat laatste is broodnodig, want The Big Short is net een circustent. Wel eentje die staat als een huis.

Ongelimiteerd graaien enerzijds, een grenzeloze kortzichtigheid anderzijds: hebzucht en stupiditeit vormden tientallen jaren lang de opmaat naar een explosieve cocktail. Een cocktail die de boeken inging als de ‘kredietcrisis’. Hebben de wantoestanden van toen tot bezinning geleid? Is het bankwezen een radicaal andere weg ingeslagen? The Big Short eindigt met een schokkende conclusie: nee, het grote wegkijken is gewoon met een paar jaar verlengd. Het is business as usual. Geen wezen zo hardleers als de mens. Betekent de volgende crisis dan wél de definitieve ondergang van onze schuldeneconomie?

 

Regie: Denis Villeneuve | Duur: 155 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Dune is een bont aangeklede prent die je een andere wereld in slingert. “Een soort Star Wars voor volwassenen”, zegt regisseur Denis Villeneuve over zijn nieuwste film die, zo drukt hij ons filmfans op het hart, het best tot zijn recht komt in de bioscoop. Klopt als een bus, en het witte doek kan niet groot genoeg zijn. Toch kom ik na ruim 2,5 uur filmgeweld niet betoverd de zaal uit.

De film is gebaseerd op het werk van Frank Herbert (1920-1986). De Amerikaanse sciencefictionschrijver verwierf grote bekendheid met zijn roman Dune uit 1965, het eerste deel van een zesdelige boekenreeks en het best verkochte SF-boek ooit. Van de hand van David Lynch verscheen in 1984 een eerste verfilming van Herberts boek, met onder anderen Star Trek-icoon Patrick Stewart in de gelederen. Critici waren niet mild in hun oordeel over wat men desalniettemin betitelde als een visueel geslaagde film.

Dune speelt zich af in de verre toekomst, in het jaar 10191. Paul Atreides (Timothée Chalamet) is erfgenaam van het Huis Atreides en voorbestemd om zijn familie en het volk van zijn thuiswereld Caladan te redden van de ondergang. Daartoe onderneemt hij met zijn vader Leto (Oscar Isaac) en zijn moeder Jessica (Rebecca Ferguson) een gevaarlijke reis naar de woestijnplaneet Arrakis. Arrakis, biotoop van de Vrijmans, is rijk aan het zeer kostbare Specie, een grondstof die nergens anders in het universum voorhanden is.

Dune is prachtig gefilmd en vormgegeven, daar valt niet over te twisten. Drie zaken springen er naar mijn mening positief uit: de fraai getailleerde kostuums, de ‘thopter’ (een luchtvaartuig dat op een reusachtige libelle lijkt die een zwaar, propellerachtig geluid produceert) en de op Arrakis levende zandwormen. Kolossale kruipers met een bekkie waar een flinke hap in past. En die ook nog eens pijlsnel zijn, ondanks dat ze zich ondergronds verplaatsen.

Maar Dune is plomp, plomp en nog eens plomp. Ik kan daar mee leven, mits van tijd tot tijd ook mijn ziel wordt gestreeld. Helaas is dat niet het geval. Het verhaal is zeer gericht op de klassieke strijd tussen het goed en het kwaad. Prima, maar de pionnen op het feodale schaakbord zijn nogal flets; inzoomen op de personages zelf is er (te) weinig bij. Op het acteerwerk is niets aan te merken, maar hoofdpersoon Paul is mij in de dagen na mijn biosbezoek niet bijgebleven als de onvergetelijke held, als steunpilaar van het plot.

Ik wil (een) film graag beléven. Essentieel is dan dat ik de personages doorvoel. De good guys en de bad guys. Van alle good guys is de stoere Duncan (Jason Momoa) een van de weinige personages die me raakt. Van de bad guys doet Stellan Skarsgård dat. Als stamhoofd van de wrede Harkonnen biedt de Zweedse acteur een inkijkje in het zenuwcentrum van het kwaad. Toch mis ik in Dune de intensiteit, de oprechtheid, van de clash tussen de twee polaire krachten, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is in The Lord of the Rings-films. Goed en kwaad hebben weliswaar beide een gezicht in Dune, maar de twee uitersten ontberen charisma.

Bovendien had het decor optimaler gebruikt kunnen worden. De woestijn leent zich uitstekend om het heroïsche een mystiek randje te geven. Waarom niet eerst ruim de tijd nemen om door de felblauwe kijkers van de Vrijmans het geheimzinnige Arrakis te verkennen? Waar zijn de langdurige shots van de omgeving? Waarom stroopt de camera niet traag het landschap af? Waar is de spiritualiteit in het geheel? Ik mis de rust en subtiliteit. En ook de muziek (nogal bonkig) van Hans Zimmer wordt me op den duur te veel. Na twee uur Dune heb ik het derhalve wel gezien. En gehoord.

Nee, Dune vind ik geen epos. Vermakelijke Hollywood-kost met een dijk van een cast, ongetwijfeld, maar de stoomwals voor de zintuigen staat te veel op zich. Een spelbreker is verder dat er vrijwel niets te lachen valt en je 155 filmminuten later pas halverwege het verhaal bent. Is er nou wel of geen liefde in het spel tussen Chani en Paul? Het antwoord volgt geheid in Dune 2, waarbij ik hoop dat Villeneuve er voor alles een krachtmeting der karakters van maakt.

 

Regie: Florian Zeller | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Ik val met de deur in huis: ik houd het niet droog tijdens de slotscène van The Father, waarin Anthony zich hardop afvraagt wie hij eigenlijk is. “I feel as if I’m losing all my leaves”. Je bent terug bij af, lieve Anthony. Je bent weer kind. Huil maar, mama is bij je. De kroon op dit filmjuweel is het laatste shot. De camera draait langzaam naar het venster, zoomt tegelijk in en stopt wanneer dat frontaal in beeld is. Door het glas zien we bomen die vol in blad staan. Wuivend groen blad.

Sir Philip Anthony Hopkins is van 31 december 1937. Nu drieëntachtig jaar oud is zijn rol in The Father misschien wel zijn zwanenzang op het witte doek. In dit drama van de Franse schrijver en regisseur Florian Zeller, gebaseerd op diens toneelstuk Le Père uit 2012, speelt Hopkins een hoogbejaard heerschap met dezelfde naam. Toeval? Hoe dan ook schreef de Welshman op 25 april dit jaar geschiedenis: hij werd de oudste Oscarwinnaar ooit, dankzij zijn spel in The Father.

Het verhaal is simpel. Anthony woont zelfstandig en naar volle tevredenheid in zijn ruime flat in Londen. Probleem is echter dat hij dementerende is en daarom stelt zijn dochter Anne (Olivia Colman) alles in het werk om een geschikte verpleegster voor hem te vinden. Ook omdat ze binnenkort met haar echtgenoot naar Parijs verhuist. Maar keer op keer wijst Anthony alle hulp af.

De beste film over de tol der vergankelijkheid sinds het Franse drama Amour (2012). Zo oordeelt The Hollywood Reporter over The Father. Nu ben ik het lang niet altijd eens met de gevestigde filmcritici, maar dit keer kan ik alleen maar volstaan met een instemmend ‘amen’. De film van het jaar, wat mij betreft. Gaat niet meer overtroffen worden, onmogelijk.

Hoe voelt het om langzaam alle grip op de realiteit te verliezen? Om nomade te zijn in je brein? The Father biedt een indringende inkijk. De enorme kracht van de film zit ‘m in het gegeven dat je Anthony’s cognitieve verval beleeft vanuit Anthony zelf. Dat is het uitgangspunt binnen het formidabele script. Bijzonder goed zijn bovendien het acteerwerk en de montage. Die elementen maken The Father tot een memorabele (excusez le mot) kijkervaring.

Laat The Father alsjeblieft Hopkins’ laatste acteerklus zijn. Stop nu, Anthony. Op je hoogtepunt. De acteur zet namelijk een magistrale vertolking neer van een man die hopeloos verstrikt raakt in een labyrint. En dat ook steeds meer beseft. De remedie? Krampachtig houvast zoeken. Vluchten in rituelen. Zo is de tijd een essentieel motief in de film. Als hij zijn horloge maar (om) heeft. Want aan die constante valt niet te tornen, daar kan hij tenminste op bouwen.

Een ander ritueel is uit het raam kijken. Een glimp van het leven opsnuiven, het echte leven. Furieus opent hij de gordijnen, daar de ‘gevangene’ zo graag wil proeven van de vrijheid. Eén shot in het bijzonder valt op: Anthony (zijaanzicht, mooie belichting) observeert daarbij een jongen op straat. De knul dolt met een plastic zak die speelbal is van de wind. De onschuld van het tafereel sorteert een vluchtige glimlach op het gezicht van Anthony. Het zijn verkapte tranen.

Maar indien je denkt dat de knul in de oude man dood en begraven is, dan vergis je je deerlijk. Wanneer verpleegster nummer zoveel zich aandient, Laura (Imogen Poots, schitterend rolletje), is daar plots een heel andere Anthony: meneer de charmeur. In een ijzersterke scène zien we hoezeer zijn persoonlijkheid gespleten is. Hoe ‘naakt’ hij opereert. Geen emotionele remmingen meer, geen gevoel voor verhoudingen, voor sociale context. Hij versiert Laura, om haar even later genadeloos te schofferen. Hij is een locomotief op drift. Machinist afwezig.

Met name tijdens die scène valt ook op hoe waanzinnig sterk Olivia Colman acteert. Een actrice die nooit teleurstelt. Anne leeft ook in meerdere werelden, maar dan wel bij vol bewustzijn; misschien maakt het dat nog pijnlijker. Het ene moment door je eigen vader gefileerd worden, het andere moment van hem horen dat je haar zo leuk zit. Veel erger is dat Anthony zijn dochter steeds moeizamer herkent. Zie het ongeloof in haar ogen, het verdriet. En ondanks alles blijft ze in de liefde naar hem. Hoe knap. Ook Colman zorgt voor kippenvel.

Nog meer superlatieven, ter afsluiting. Yorgos Lamprinos moet genoemd worden. De editor van The Father, die ook werd genomineerd voor een Oscar. De Griek (bij het lezen van het scenario kreeg hij al tranen in de ogen) ontving carte blanche van Zeller om zíjn point of view te integreren in Zellers oorspronkelijke werk. Dankzij Lamprinos houdt de kijker zicht op de hoofdlijn van het confuse narratief dat The Father is. En identificeer je je daardoor moeiteloos met elk van de personages.

Het slotakkoord wijd ik aan de Italiaanse componist Ludovico Einaudi (65). Het genie op de piano. Na Intouchables laat hij in The Father opnieuw van zich horen. Wow zeg, wat een soundtrack. In 2019 verschenen zeven cd’s van zijn hand, Seven Days Walking getiteld. Luister naar en huiver bij Low Mist Var. 2 (Day 1) en Low Mist Var. 1 (Day 5). Maar het meest fijnzinnig en mysterieus is Einaudi’s muziek onder de slotbeelden: als papaatje los is van tijd en plaats, en alleen nog de finale reis voor de boeg heeft. Mindblowing stuff.