Regie: James L. Brooks | Duur: 139 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Op ieder potje past een dekseltje, maar in As Good as It Gets is het wrikken geblazen. Van alle romances op het witte doek is die tussen Melvin en Carol een van de meest ongewone. Het spettert en bruist, maar niet doordat het allemaal zo romantisch is. ‘Can’t live with or without you’, dat werk dus. Zowel Jack Nicholson als Helen Hunt ontvingen een Oscar voor hun spel in deze feelgoodklassieker die doping is voor de lachspieren.

In As Good as It Gets maken we kennis met Melvin Udall (Nicholson). Melvin is een succesvol schrijver, maar ook een misantroop in hart en nieren. Bovendien lijdt hij aan diverse dwangneuroses, waaronder smetvrees. Lichtpuntje in zijn leven (behalve de pen dan) is Carol Connelly (Hunt). Ze werkt als serveerster in het restaurant waar Melvin een abonnement op heeft.

Eh, niet zo romantisch allemaal? Noem een compliment als “You make me want to be a better man” maar niks! De auteur ervan is Melvin, de ontvanger Carol. Terwijl zijn verbale liefkozing haar doet smelten, voegt het prikkelende heerschap nog even toe dat hij wellicht wat overdrijft. As Good as It Gets zit vol met dit soort humor. Grillig, onconventioneel. Melvin grossiert in sarcastische opmerkingen. Sommige zijn op het randje, de meeste (de leukste!) zijn over het randje. Zo vraagt een receptioniste (een barbiepop met het IQ van een wasknijper – zo wordt de blondine althans neergezet): “How do you write women so well?” Melvin: “I think of a man, and I take away reason and accountability.” Au.

Tact komt dus niet voor in het lexicon van Melvin, de gepantserde man met een tong als een rasp. Alles wat leeft mijdt hem dan ook als de pest. De homofiele kunstenaar Simon (Greg Kinnear) doet dat ook, maar stuit daarbij op een praktisch probleem: hij en Melvin zijn buren. Op een dag wordt Simon zwaar afgetuigd door inbrekers en belandt hij in het ziekenhuis. Maar wie bekommert zich dan om zijn hondje Verdell? Melvin Udall dus. Als dat maar goed gaat.

Ja, wonder boven wonder pakt dat goed uit. Wat heet: Melvins oog voor Verdell slaat zelfs scheurtjes in zijn pantser. Zou hij dan toch menselijke trekjes hebben? Of bloody course! Ook “Carol the waitress” bespeurt die voorzichtige verandering. Het leven van de alleenstaande moeder loopt niet over van de ‘confettimomenten’. Werken werken werken en thuis heeft ze de zorg voor haar zwaar astmatische zoontje Spencer. Maar rara, wie schiet haar te hulp? Inderdaad, de vuile smiecht ontpopt zich meer en meer tot een soort messias.

Verdell ontdooit Melvin, Melvin redt Carol. Maar wie schiet “Simon the fag” eigenlijk te hulp? Regisseur en scriptschrijver James L. Brooks, die As Good as It Gets situeert in zijn geboortestad New York, stuurt het drietal hiertoe naar het zuidelijker gelegen Baltimore. Een bescheiden roadtripje tijdens welke Simon, óók een drenkeling van de stroom des levens, plots het licht weer ziet. Meewerkend voorwerp in dit geval? Carol. Waarmee de cirkel rond is. Of nee, toch nog niet helemaal. Want wie geeft Melvin het beslissende zetje in de richting van Carol?

Beter dan As Good as It Gets wordt het niet. Fijn plot en héérlijk acteerwerk. Tuurlijk, de film barst van de stereotyperingen. In het huidige tijdperk, dat zwanger ziet van de deugterreur, is het bijna ondenkbaar om daar nog om te mogen lachen, maar daarom is deze filmische blik over de schouder juist zo leuk. Heel erg leuk. Behalve om Hunt en Nicholson (formidabele optredens) lach je je ook suf om Kinnear en Cuba Gooding Jr. Die laatste speelt Frank Sachs, Simons zaakwaarnemer die verbaal de strijd aanbindt met de ongeëvenaarde Krijger van het Woord: Melvin Udall.

 

Regie: Gustav Möller | Duur: 85 minuten | Taal: Deens | Kijkwijzer: AL

Camera

Ik raak maar niet uitgepraat over Den Skyldige. Een juweel, deze Scandinavische coproductie. Onthoud de volgende namen: Gustav Möller (regisseur), Jasper Spanning (camera) en last but not least: Jakob Cedergren. Laatstgenoemde zet een vertolking neer waar je stil van wordt – behalve ik dus. Goed, ik laat mijn pen aan het woord.

Cedergren speelt Asger Holm, een politieman die recent is overgeplaatst en nu vanuit een alarmcentrale telefonische oproepen beantwoordt. Niet bepaald een spectaculaire job, want de meeste noodkreten hebben weinig om het lijf. Maar dan krijgt Asger een zekere Iben Østergård (Jessica Dinnage) aan de lijn. De eerste woorden die deze jonge vrouw spreekt: “Hoi, liefje.”

“Hoi, liefje”? Een fractie van een tel meen ik beland te zijn in de verfilming van het kleffe liefdesrelaas van Bob en Bea uit de Margriet, maar nee. Gelukkig. Iben blijkt ontvoerd te zijn. Met enkel een telefoon als hulpmiddel begint Asger, plots weer bij de les als ware hij door een wesp gestoken, aan een zenuwslopende reddingsoperatie. Een reddingsoperatie die zich tevens ontvouwt als Asgers pad richting de verlossing. Daarover later meer.

Wat een fenomenaal regiedebuut van Gustav Möller (Göteborg, 1988). Den Skyldige is topcinema en dat ondanks de inzet van slechts minimale middelen. Eén personage, één locatie en een telefoon. Misschien moet ik herformuleren. Nee, niet misschien. Ik bedoel: het is topcinema dankzij de inzet van minimale middelen, niet ondanks. Het minimalisme (hier dus allerminst pejoratief bedoeld) maakt dat narratief en acteur één worden. Inrichten is vooral weglaten; dat geldt zeker voor de filmkunst. Möller heeft dat uitstekend begrepen.

Maar wat je wél belicht, moet de toeschouwer grijpen. In de eerste plaats is dat Jakob Cedergren (1973). De Zweedse acteur kan voor mij niet meer stuk. Asger Holm is een man met kopzorgen, dat is al snel duidelijk. Hij knijpt in een stressbal, lost even later een bruistablet op in een glas water. Aanvankelijk blijft de in gepeins verzonken ziel een mysterie, ondanks dat hij vanaf het begin het middelpunt van de actie is. En blijft. Jasper Spanning portretteert Asger met opzet van dichtbij en ‘peinst’ met hem mee. Vooral door secuur in en uit te zoomen. Het camerawerk, feitelijk heel basaal, maakt het razendspannend.

In het hoofdnarratief (voorzien van een enorme twist) verweeft Möller een tweede verhaallijn. Hierdoor kom je gaandeweg te weten waarom Asger privé de weg behoorlijk kwijt is. Möller maakt knap gebruik van cliffhangers. Eerst wordt Asger gebeld door een brutale journaliste over “de zaak van morgen”, om even later gerust gesteld te worden door zijn chef: “Na morgen ben je gelukkig weer op straat.” Wat staat er morgen te gebeuren? Wat heeft hij op zijn kerfstok? En welke rol speelt zijn maat Rashid?

Asgers verlossing, specifiek de manier waarop Möller hier naar toe werkt, is wat Den Skyldige zo goed maakt. Ik val in herhaling (pardonnez-moi), maar wat gaat Möller briljant te werk, zeg. Het laatste halfuur is ijzersterk. Wat hij namelijk doet is het ‘verkleinen’ van de toch al gecomprimeerde locatie. Met het net dat zich steeds meer rond hem sluit, besluit Asger op zeker moment naar een andere kamer te gaan, die kleiner is dan de gemeenschappelijke ruimte. Vervolgens zondert hij zich nog meer af door ook de luxaflex naar beneden te doen. Geïsoleerd en in een quasi donker vertrek (toepasselijke belichting) barst uiteindelijk de bom. Maar het beste moet dan nog komen.

Want de bomscherven ruimt Asger op tijdens de adembenemende slotminuten van Den Skyldige, waarmee deze psychologische flipperkast – het lijntje met het Britse Locke (2013) is evident – de apotheose krijgt die het verdient: Asger redt uiteindelijk niet alleen Iben Østergård, maar ook (en vooral) zichzelf. En hij doet dat in het bijzijn van zijn collega’s, in de gemeenschappelijke ruimte dus. Slik. Aan tranen in je ogen valt nauwelijks te ontkomen. Schuld ingelost, lieve Asger.

Regie: Belgin Inal | Duur: 99 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: AL

Camera

Tijdens Covid-19 the System moet ik denken aan wat Mark Twain ooit zei: “How easy it is to make people believe a lie and how hard it is to undo that work again!” “Hoezo, denk jij dat het virus een leugen is?” vroeg iemand mij laatst in dit verband. Nee, ik ben geen virusontkenner. Covid-19 bestaat en sommige mensen worden er inderdaad erg ziek van. En ja, het kan dodelijk zijn. Maar het overgrote deel van de bevolking wordt gelukkig niet tot nauwelijks getroffen. Hamvraag is dus of de maatregelen om het virus “uit te roeien” wel proportioneel zijn. En gaat het de autoriteiten om louter de volksgezondheid of zijn er andere belangen in het spel?

Over die kwesties gaat de documentaire Covid-19 the System van Belgin Inal en Nico Sloot. Journaliste en filmmaakster Inal verdiende tussen 1992 en 2018 haar sporen bij de VPRO en is de creative director van het nieuwe documentairefestival DocsFair, waar alleen films vertoond worden die door de organisatoren zelf zijn gemaakt. Sloot is internationaal ondernemer en vader van drie kinderen. Van meet af aan beet hij zich vast in de coronacrisis. “Wat gebéúrt hier allemaal?” vraagt hij zich na de eerste persconferentie van Rutte af. Tussen maart en september 2020 besteedt hij zelf zo’n duizend uur aan research.

Gedegen werk, is mijn mening als onafhankelijk filmrecensent na het zien van Covid-19 the System. Maar hoe komt het dan dat de mainstreammedia (MSM) er niets van willen weten? Waarom weigert de NPO de documentaire te programmeren? Hoe kan het dat ik geen enkele recensie lees in de krant? Is het omdat de MSM in de ban zijn van het Pieter Klok-virus? Pieter Klok, hoofdredacteur van de Volkskrant, refererend aan de rol van de media ten aanzien van de door de politiek uitgestippelde koers: “Als de angst echt zo groot is, moeten we proberen om zoveel mogelijk met één mond te praten.” I beg your f*cking pardon?

Ten eerste: de MSM jagen de bevolking de stuipen op het lijf als het gaat om corona. Lawines aan fearporn, dag in dag uit. Dus die angst, meneer Klok, komt voor 99% op het conto van onder andere de Volkskrant. Waarom de mensen zo bang maken terwijl het gevaar zeer beperkt is? De Infection Fatality Rate van Covid-19 is 0,23% (beneden de 70 jaar zelfs 0,05%) en dit cijfer is dalende. 0,23 procent is vergelijkbaar met een stevige seizoensgriep. Ten tweede: is het niet de taak van de MSM om, juist in tijden van crisis, de overheid kritisch aan de tand te voelen? Waarom gedragen kranten als de uwe zich als schoothondjes van het establishment? De media behoren te doen wat je ook van ons parlement zou mogen verwachten, namelijk de macht controleren. Beide instrumenten zakken echter hopeloos door het ijs. Dus beste Pieter: wees met jouw Volkskrant de zeef, in plaats van een ordinair doorgeefluik.

Het journalistieke gepruts, en dan vooral de eenzijdigheid van de berichtgeving, is genânt. Des te genânter als je, zoals Sloot, vaststelt dat een vooraanstaand instituut als het RIVM (het kompas van de politieke koers) ook nog eens halve waarheden en leugens verspreidt. Er zijn hiervoor legio aanwijzingen, maar Covid-19 the System komt niet met de echt harde bewijzen. Jammer. Waaruit blijkt dat er geklooid wordt met wetenschappelijke data? Of dat die verkeerd worden geïnterpreteerd? Ik mis een type Maurice de Hond in de film. Zijn berg aan data had de woorden van Evelien Peeters kunnen staven. De interniste zegt het beleid moreel niet meer te kunnen verdedigen. Peeters: “Ik vind dat we in één groot gedragsexperiment zitten.” Daar ben ik het mee eens, alleen al vanwege de mondkapjesplicht. Maar over die ridicule strafuitrusting, dat denigrerende ‘uithangbord’ van het staatsexperiment, wordt in de docu met geen woord gerept. En ook de PCR-test, die strenge verkeersagent op een eenrichtingsweg, komt helaas niet ter sprake.

Voor wie fungeren wij gewone burgers nou eigenlijk als proefkonijn? Ex-huisarts en epidemioloog Dick Bijl, auteur van Het pillenprobleem, doet een boekje open over de macht van de farmaceutische industrie. Over de hoge rendementen die zij behaalt op een breed scala aan producten. U weet wel, van die onuitspreekbare medicijnnamen. Het is een miljardenbranche met de (volks)gezondheid als verdienmodel. Dat is misdadig als je bedenkt dat er steeds meer aanwijzingen zijn dat juist medicijnen een rol spelen bij – I beg your f*cking pardon? – de dalende levensverwachting in de VS en de stagnerende levensverwachting in de Europese Unie. De politiek? Die ontbeert de expertise, waardoor Big Pharma geen strobreed in de weg wordt gelegd.

Sterker nog, feitelijk leest Big Pharma de politiek de les. Zegt de naam Feike Sijbesma u nog iets? De voormalig coronagezant (in september 2020 trad hij terug) en tevens oud-directeur van chemiereus DSM kreeg van minister Hugo De Jonge de opdracht om alle mogelijke aanbieders van vaccins in kaart te brengen. Eind juni vorig jaar kon men bij AstraZeneca dan de champagne ontkurken: De Jonge zette zijn krabbel onder een uiterst lucratief contract met de vaccinmaker. Met onder andere Duitsland werd ingetekend op de aankoop van een product dat – ook zoiets – nog niet eens was ontwikkeld. O ja, de president van AstraZeneca Duitsland? Ene Hans Sijbesma, de broer van. I beg your f*cking pardon? Ja, ik begrijp wel dat Feike Sijbesma niet in beeld wil in Covid-19 the System.

Het moge duidelijk zijn: het gaat om zoveel meer dan louter de volksgezondheid. Dat bevestigen ook econoom Ad Broere en hoogleraar strategisch leiderschap Bob de Wit. Zij zoomen in op het woord system in de titel van de film, op de wérkelijke crisis waar Covid-19 slechts een symptoom van is. Die crisis betreft ons financieel stelsel dat van oudsher berust op hebzucht. We worden gegijzeld door een relatief kleine, maar exorbitant rijke elite die een schuldeneconomie in stand houdt; een parasitair systeem waar Jan Modaal steeds heviger onder kreunt. We moeten ervan af, maar helpen cynisch genoeg (stockholmsyndroom!) de oppermachtige corporate states hun logge systeem te verankeren. De hierdoor groeiende kloof tussen rijk en arm, zo voorspelt De Wit, triggert logischerwijs een moderne heruitgave van de bestorming van de Bastille.

Het slotwoord in Covid-19 the System is aan Sloot. Zijn conclusie: we hebben te maken met een ‘syndemie’. Volgens Wikipedia een “verzameling van twee of meer gelijktijdige of opeenvolgende epidemieën of ziekteclusters in een populatie (…) die de (…) ziektelast verergeren.” Klinkt plausibel, gezien de gemiddelde leeftijd (82) van de coronadoden in Nederland. Dus de kwetsbaren goed beschermen? Jazeker! Maar rücksichtslos de rem op de samenleving zetten op advies van alleen virologen? Nee! Dat is beleid gebaseerd op een kokervisie, en daarmee onverantwoord. Gezondheid is toch veel meer dan álles doen om maar niet ziek te worden? Ben ik een dwarsdenker? Een complotgekkie? Nee, eerder een compleetdenker die niet meegaat in leugens. Want eenmaal aangebracht hebben die de vervelende eigenschap hardnekkig te kleven. Mark Twain zag dat juist.

Regie: Joseph Kosinski | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

‘Earth is a memory worth fighting for’. Dat is de slagzin van de SF-film Oblivion van Amerikaans filmmaker Joseph Kosinski. Oblivion (‘vergetelheid’) is de verfilming van Kosinski’s graphic novel met dezelfde titel. Dat de film geen hoge ogen gooide, komt vooral door het plot waar van alles mis mee is. Waar helemaal niets mis mee is, is het production design. Ander dik pluspunt: de soundtrack.

Het jaar 2077. Na een invasie door buitenaardse wezens (Scavengers) en de nucleaire tegenaanval van de mens is de aarde onbewoonbaar geworden. Overlevenden wonen inmiddels op Titan, een maan van de planeet Saturnus. Slechts een handjevol mensen waagt zich nog op het aardoppervlak. Een van hen is Jack Harper (Tom Cruise). De technicus repareert de drones die worden ingezet tegen de ‘Scavs’. Jack wordt daarbij geholpen door zijn verbindingsofficier Victoria (Andrea Riseborough). Hun missie zit er bijna op, totdat Jack op een dag een mysterieuze vrouw redt uit een neergestort ruimteschip.

Oblivion is de moeite waard vanwege het jasje waarin de film is gestoken. Zeg maar jas, want kosten noch moeite zijn gespaard. Een behoorlijk deel van het totale budget (zo’n 120 miljoen dollar) is gaan zitten in het op schaal nabouwen van het bubbleship, het wendbare vehikel waarin Jack tussen hemel en aarde pendelt. Zeer geslaagd is tevens de strak ontworpen sky tower, woning en kantoor tegelijk, welke middels een smalle pin met de aarde is verbonden. Je waant je in Oblivion letterlijk in de wolken, want de luchten die het zweefhuis van Jack en Victoria omgeven zijn puur natuur; ze zijn geschoten vanaf een vulkaan op het eiland Maui (Hawaï). Avond- en ochtendrood verzachten zo de kille blauw-, grijs-, en wittinten van hun residentie en hun outfits. Een fabelachtig mooie filmset.

Minder hemels is de aanblik van Moeder Aarde op zeeniveau. Stofvlaktes, kraters en resten van de menselijke beschaving, zoals enorme scheepswrakken en skeletten van bouwwerken, geven haar een troosteloos aanzien. Ook het Pentagon en het stadion van de New York Yankees liggen in puin. De verwoesting lijkt totaal, maar een paar groene berghellingen fleuren de doodse korst wat op. Er is dus nog leven! Wat een bizarre realiteit schept Kosinski in Oblivion. “Beautiful desolation” typeert de begenadigd plaatjesdenker het treffend.

Artistiek gezien staat Oblivion als een huis, maar het verhaal ontspoort op den duur. Tot het moment waarop Julia (de mysterieuze vrouw, gespeeld door Olga Kurylenko) hardhandig kennismaakt met het fenomeen zwaartekracht, is het allemaal prima te volgen. Wel daarbij de volgende kanttekening: het is niet handig van Kosinksi om al in de openingsscène voor te sorteren op Julia’s entree. Bedoeld als teaser? Het heeft het effect van een spoiler. En aan Olga Kurylenko het verzoek om ook eens míjn tuin als crashsite uit te kiezen; dan kijk je later toch een stuk prettiger terug op de lockdown. Grinnik.

Julia schudt Jack nog verder wakker. Ze neemt namelijk een centrale plaats in binnen zijn herinneringen aan het aardse bestaan voor de oorlog. Herinneringen die op de gekste momenten opborrelen, maar die hij eigenlijk niet meer kan hebben omdat zijn geheugen is gewist. Het nieuwsgierige aagje gaat hierop op onderzoek uit, wat tegen het zere been is van zijn gezagsgetrouwe partner Victoria. Het acteerwerk is oké (fijn om oude vos Morgan Freeman ook nog even in actie te zien), maar Julia is de gamechanger in de film. De liefde van Victoria brokkelt hierna snel af, wat tevens gezegd kan worden van de verhaalstructuur.

Een narratief kaartenhuis dat eruitziet als een sprookjesvilla: Oblivion laat je achter met dubbele gevoelens. Ik hou trouw vast aan het Blik Op Film-concept door niet te veel te verklappen, maar eerlijk is eerlijk: ik kon ik er na driekwart film geen touw meer aan vastknopen. Ontzettend jammer, want de vormgeving en de werkelijk epische soundtrack (het fantastische resultaat van de samenwerking tussen de Franse band M83 en componist Joseph Trapanese) hadden een verhaal met smoel verdiend. Werk aan de schrijfwinkel, meneer Kosinski.

Regie: John Hughes | Duur: 103 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Lang vervlogen tijden herleven bij het zien van een tekst als ‘binnenkort verkrijgbaar op videocassette’. Het staat gedrukt op oude posters van Ferris Bueller’s Day Off, uit 1986. Een zalige prent van de man die als geen ander in het tienerbrein kruipt: wijlen regisseur John Hughes (1950-2009), die in 1985 ook al scoorde met The Breakfast Club. De parallel tussen die film en Ferris Bueller’s Day Off, een enorme bioscoophit, is dat het gezag flink in het ootje wordt genomen.

Ferris Bueller (Matthew Broderick) heeft vandaag geen zin in school. Hij leidt zijn goedgelovige ouders om de tuin en knijpt er vervolgens lekker tussenuit met zijn liefje Sloane (Mia Sara) en zijn beste vriend Cameron (Alan Ruck). Terwijl het drietal in Chicago de bloemetjes buitenzet, gaat schooldecaan Edward Rooney (Jeffrey Jones) op onderzoek uit. Kan Ferris misschien rekenen op het begrip van zijn oudere zus Jeanie (Jennifer Grey)?

Laat ik beginnen met de schlemiel in Ferris Bueller’s Day Off: Edward Rooney, voor altijd vereeuwigd dankzij de slotact. Daarin zien we hem strompelen door een keurige woonwijk. Zijn broek is even gehavend als zijn humeur. Een schoolbus komt voorbij en de chauffeuse merkt fijntjes op dat Rooney eruitziet alsof hij gevochten heeft. “Wil je een lift?” Het lijdend voorwerp stapt tandenknarsend in en neemt plaats naast een nerdy meisje met belachelijk grote brillenglazen – de enige stoel die nog niet bezet was, duh. Tegelijkertijd hoort u het legendarische Oh Yeah van Yello; een tune die elke filmfan zal heugen.

Niemand die Ferris níét te slim af is. Om te beginnen dus Rooney, die onraad ruikt en zich meer en meer ontpopt tot een soort bloedhond. Hij is uit op de ontmaskering (zeg maar gerust de totale destructie) van het ettertje Ferris, die al voor de negende keer spijbelt en echt aan alles heeft gedacht om niet door de mand te vallen. Dat beseft Rooney ook en aangezien hij vanuit zijn kantoor niet veel verder komt, besluit hij de zieke Ferris thuis op te zoeken. Met verstrekkende consequenties – over bloedhond gesproken.

Ferris’ maatje Cameron dan. Alan Ruck was al 29 toen hij in Ferris Bueller’s Day Off een aan ziektevrees lijdende knul speelde. Ruck speelt de sterren van de hemel. Waar de andere personages nogal ‘plat’ zijn, ondergaat grauwe bonenstaak Cameron een ware transformatie. Zijn depressiviteit hangt, zo leren we gaandeweg, samen met zijn vader die hem klein en doodsbang houdt. Weliswaar komt pap niet één keer in beeld, maar via Cameron komt hij toch ‘tot leven’. Uiteindelijk rekent hij (weergaloze scène) af met zijn angsten, en wel via de personificatie van zijn vader: een bloedrode Ferrari 250 GT California uit 1961. Oh yeah.

Om de vraag uit alinea twee te beantwoorden: nee, Ferris kan fluiten naar het begrip van zijn zus. Jennifer ‘Baby’ Grey (Dirty Dancing, 1987) is ook al een genot om naar te kijken. Jeanie kan haar broer wel schieten. Meneer komt met alles weg, terwijl zij overal bot vangt. Extra zout in de wond is dat de hele school intens meeleeft met haar uiterst populaire broer. Een collecte, bloemstukken aan huis en zelfs een luchtballon met de tekst ‘Save Ferris’ erop doen Jeanie groen aanlopen van nijd. Totdat ze op het politiebureau belandt en een onverwachte ontmoeting aldaar de angel uit haar gif wegneemt. Such a twist!

Intelligent script, kostelijke typetjes, uitstekende montage en klassieke oorstrelers als het Twist & Shout van The Beatles: de feelgoodmovie Ferris Bueller’s Day Off is ruim anderhalf uur genieten geblazen. Een film over het stoute kind dat (lekker puh!) victorie kraait. In 2012 deden geruchten de ronde dat er een sequel in de maak zou zijn, maar goddank is het nooit zover gekomen. Sommige films zijn niet te evenaren. John Hughes’ iconische tienerkomedie is zo’n film, daar moet je geen vervolg op wíllen maken. John Hughes. God hebbe zijn stoute kinderziel.

Regie: Christophe Barratier | Duur: 97 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Wordt Clément toch nog vader in Les Choristes! Adoptievader van een dolgelukkige Pépinot. Christophe Barratier breit zo een warm slotakkoord aan deze feelgoodfilm, een bewerking van La cage aux rossignols uit 1945 van Jean Dréville. Les Choristes, goed voor twee Oscarnominaties, speelt zich net na de oorlog af en is een lofzang op de saamhorigheid.

15 januari 1949. De pretentieloze muziekdocent Clément Mathieu (Gérard Jugnot) begint op het heropvoedingsinternaat Fond de l’Étang aan een pittige uitdaging. Als surveillant krijgt hij de verantwoordelijkheid voor een groep jongens met een hoog ‘stuiterbalgehalte’. Daarbij zit directeur Rachin (François Berléand) hem voortdurend op de huid.

De docent in wie de knul springlevend is: beiden dragen de naam Clément Mathieu. In het begin van de film doet hij iets wat zijn klas niet verwacht. Hij spaart in aanwezigheid van Rachin kwajongen Le Guerrec. Verbazing bij Le Guerrec en zijn klasgenoten. Wat doet-ie nou? Ook die andere delinquent (Morhange) pikt Mathieu er direct uit. Mathieu stelt hem aan als zijn tijdelijke vervanger omdat hij op de gang een woordje wil wisselen met Le Guerrec. Maar in plaats van de bengel tot Rachin te veroordelen, verzint Mathieu een betere straf. Terug in de klas steekt hij de draak met Morhange. Voilà, de essentie van vier jaar lerarenopleiding in een paar schitterende filmminuten.

De leerlingen voor je winnen is wezenlijk, ze (zelf)vertrouwen geven een noodzakelijk vervolg. Op een avond betrapt Mathieu knaap Corbin & co met een mondharmonica, ter begeleiding van een poging tot zingen. Weer toont Mathieu zijn vakmanschap. Hij schuift zijn ego opzij (hij slikt de spottende tekst aan zijn adres) en nodigt Corbin uit om zijn ‘zangkunst’ – een schorre lama zingt nog zuiverder – ten gehore te brengen. Zo wordt het jongenskoor van Fond de l’Étang geboren.

Met Mathieu breken er dus betere tijden aan in het geïsoleerde tuchtoord. Het repressieve bewind van driftkikker Rachin, die zweert bij de slogan ‘actie-reactie’, ondervindt in ieder geval wat tegenwind. Humaniteit en educatie brengen verzachting. De trendbreuk doet de kids ontdooien en ook Mathieu’s collega’s Chabert (Kad Merad) en Langlois (sympathieke freak, fijn bijrolletje) werpen de schroom van zich af. En scharen zich meer en meer achter de kale messias. Ja, zelfs de mens Rachin lijkt voorzichtig uit zijn graf op te staan!

Les Choristes is een muzikaal juweeltje dat in Frankrijk hartstochtelijk werd omarmd. Die stevige knuffel is terecht. Ik beperk me tot het noemen van een drietal acteurs. Als eerste François Berléand. Razend knap hoe hij de hufter vertolkt, wat een kloterol. Als tweede Morhange junior (Jean-Baptiste Maunier). Lange tijd zet het met een uitzonderlijk mooie zangstem uitgeruste engelengezichtje zijn stekels op tegen vooral Mathieu. Lukt het Mathieu om hem te temmen? Ten slotte het dropje van de film: de piepjonge Pépinot (Maxence Perrin). De kleinste assistent-koordirigent ter wereld. De man ook die vijftig jaar na Fond de l’Étang Pierre Morhange verrast met het dagboek van zijn surrogaatpapa.

Regie: Bora Kim | Duur: 138 minuten | Taal: Koreaans | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Wat ik voor onmogelijk hield, is dan toch gebeurd: de vonk tussen een Aziatische film en Jochem slaat over. De ‘schuldige’ is het prachtige Zuid-Koreaanse drama House of Hummingbird, het speelfilmdebuut van cineaste Bora Kim (1981) waarin ze herinneringen aan haar jeugd verwerkt. ‘Doorgeefluik’ van die herinneringen is het tienermeisje Eun-hee Kim, ontzettend knap vertolkt door Ji-hu Park.

Seoel, 21 oktober 1994. Tijdens het spitsuur bezwijkt een deel van de Songsu-brug. Hierop belt Eun-hee direct haar vader. Ze gilt, is buiten zinnen. Haar gedrag doet denken aan wat zich eerder dat jaar voltrekt: na de dood van Kim Il-sung, bijna een halve eeuw de sterke man van de stalinistische vesting Noord-Korea, breekt de pleuris uit in dat land. Hysterisch rouwbeklag, en masse. Eun-hee ziet de tv-beelden in het ziekenhuis waar ze op dat moment herstellende is van een medische ingreep.

De gekte behoort tot de uitwassen van een repressief systeem dat het individu verdrukt. Geen ruimte voor persoonlijke ontwikkeling, verboden toegang voor gevoel. Treffend is de reactie van de vader van Eun-hee als zij hem betrapt bij het dansen op muziek: “Ik oefende mijn tennisslagen,” verontschuldigt hij zich. Om zich vervolgens rap uit de voeten te maken. Repressie doet je vluchten in een cocon; stelselmatige conditionering sorteert kille façades. Autisten. Die buitenkant verklaart waarom ik me steeds stukbijt op Aziatische films. Ik word er vaak zo verdrietig van.

Totdat, onverwacht, Bora Kims subtiliteit me weet te ontroeren. Omdat ze erin slaagt die kille façades door te prikken in House of Hummingbird, een drama met een historisch kader. Een film over groeipijnen. Die doen zeer in een maatschappij zo strak als een korset. En nog meer zeer als je vrouw bent. Ik moet slikken wanneer twee jonge grieten in House of Hummingbird elkaar vertellen dat ze regelmatig worden afgeranseld door nota bene hun eigen broer. Kennelijk de normaalste zaak van de wereld. De een (een mondkapje maskeert haar dikke lip) krijgt ervan langs met een bamboezwaard, de ander met een golfclub.

“Wat is er veel waanzin, hè?” concludeert juffrouw Youngji (Sae-byeok Kim), lerares kalligrafie aan het Chinees bijbelinstituut waar Eun-hee wekelijks braaf aanschuift. De jonge Youngji zíet Eun-hee, Eun-hee voelt zich gezien. Behoedzaam schetst Bora Kim de vriendschap tussen de twee generaties vrouwen. Ik kan er niet omheen: in Kims film proef ik een vleugje Lost in Translation (2003). Weet u nog? Een subliem drama over twee verloren zielen in Tokio. Verbinding zoekend in een op hol geslagen attractiepark. Het potje van House of Hummingbird is heel anders dan dat van Lost in Translation, maar beide bevatten bitterzoete honing.

House of Hummingbird is een beschouwelijke prent. Dromerig. Het tempo ligt laag. Zorgvuldig opgebouwde strofes, een droef refrein. Het acteerwerk is voorbeeldig; een dikke pluim voor met name de jongste castleden. En met de camera weet Guk-hyun Kang (nu eens de distance benadrukkend, dan weer de confrontatie zoekend middels een close-up) uitstekend raad. Jammer alleen dat Kim naar het einde toe iets te veel het drama zoekt. Dat neemt echter niet weg dat ik vanaf nu Aziatische cinema een stuk zonniger bezie.

Regie: Mark Pellington | Duur: 119 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

“We are not allowed to know”. Met die constatering slaat Alexander Leek de spijker op zijn kop in het boeiende The Mothman Prophecies. De film is losjes gebaseerd op de bizarre gebeurtenissen waar de Amerikaanse journalist John A. Keel over berichtte in zijn gelijknamige roman uit 1975. Bent u klaar voor een ritje op de vleugels van het occulte?

De vrouw van journalist John Klein (Richard Gere) komt op mysterieuze wijze om het leven. Haar woorden (“You didn’t see it, did you?”) laten hem in het vervolg maar niet los. Twee jaar later is hij voor een interview op weg naar Richmond (Virginia), maar belandt hij in het plaatsje Point Pleasant (West Virginia). Daar wordt hem beetje bij beetje duidelijk wat zijn vrouw gezien moet hebben.

Heerlijk, dit soort spooky stuff. De Amerikaanse filmpers is echter verdeeld, wat blijkt uit de ‘metascore’ van 5.2 op IMDb. Onbegrijpelijk. Maar kijk je vervolgens naar het gemiddelde van de bijna 75 duizend ‘user ratings’, dan staat er een 6.4. Eens te meer is het geluid van Jan met de pet een stuk positiever dan dat van de kritische geesten, die er verstand van zouden moeten hebben. Ahum. Ik sluit me in dit geval aan bij alle Jannen.

Want The Mothman Prophecies scoort over de hele linie een ruime voldoende. En dat ondanks Richard Gere, waar ik geen fan van ben. Hij is mij te glad en eigenlijk alleen geschikt als hij een man van aanzien mag neerzetten. Zoals advocaat Martin Veil in het ondergewaardeerde rechtbankdrama Primal Fear uit 1996. Of de topverslaggever van The Washington Post die hij in The Mothman Prophecies vertolkt. Typisch trouwens dat die krant toen erg te spreken was over deze film.

Het vuurwerk komt dus niet direct van Gere. Drie andere acteurs vallen wel op: Laura Linney als de sceptische politieagente Connie, Alan Bates als voormalig ‘ghostbuster’ Alexander Leek (fijn rolletje) en vooral Will Patton als Gordon, de man via wie het merkwaardige wezen uit de film op den duur een gezicht, een naam en zelfs een stem krijgt. Met dat gezicht kan ik leven, de rest had wat mij betreft niet gehoeven. Laat het mysterie lekker een mysterie blijven.

The Mothman Prophecies gaat over zaken die zich onttrekken aan de menselijke waarneming. Wat Mark Pellington (Arlington Road, 1999) goed heeft begrepen, is dat een thriller pas die naam mag dragen indien hij ook technisch slim in elkaar steekt. Pellington speelt behendig met licht en kleur; let bijvoorbeeld op de dominantie van de kleur rood. En mocht je hier en daar moeten wegkijken omdat je anders geen nagels meer overhoudt, spits dan je oren: de tintelende soundtrack en geraffineerde geluidseffecten zijn namelijk niet te missen.

Regie: Alice Winocour | Duur: 107 minuten | Taal: Engels, Frans, Russisch & Duits | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Ruimtefilms staan dikwijls garant voor rampspoed, robuuste actie en vlotte visuals. Maar Proxima valt niet te betrappen op die blockbusterkwalen. De film is ‘easy going’ en speelt zich bovendien af op de grond. Tot zover het goede nieuws. Minder prettig: regisseur Alice Winocour slaagt er niet in om van Proxima een pakkend drama te maken.

De Franse astronaute Sarah (Eva Green) wordt geselecteerd voor een ruimtemissie. Ter voorbereiding moet ze een pittige training afwerken en krijgt ze te maken met een door mannen gedomineerde werkomgeving. Maar vooral de wetenschap dat ze haar achtjarige dochtertje Stella (Zélie Boulant) een jaar lang zal moeten missen, doet haar hart bloeden.

Verwachtingen had ik volop, maar jeetje wat kom ik sip de bioscoop uit. Eva Green, lovely Eva Green. Ik viel als een blok voor haar spel als Bondgirl in Casino Royale (2006). Had ik mijn levendige herinneringen aan de mysterieuze Vesper Lynd maar geschrapt voordat ik aan Proxima begon; een leermomentje. Niet dat Green er ineens weinig van bakt, maar serieus getest wordt ze evenmin.

Tergend langzaam de navelstreng doorknippen. Ik besef dat dit beeld niet erg smakelijk is, maar het is wel het euvel waar Proxima onder lijdt. Eigenlijk draait de film om maar één ding: het naderende afscheid tussen moeder en dochter. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven hun relatie. En behalve het eenzijdige plot is de sfeer behoorlijk landerig. Bijna honderd minuten verstrijken tot Sarahs werkelijke vertrek vanaf de raketlanceerbasis in Bajkonoer. Die eeuwige aftelprocedure is een uitstekend slaapmiddel.

De honderd minuten draaien hoofdzakelijk om de dynamiek tussen een volwassen vrouw en een jong kind. Sarahs moederinstinct en schurende dilemma zijn uiteraard perfect voorstelbaar. Een halfuur lang is het verhaal dan ook nog aardig te verteren. Daarna krijgt zeurderigheid de overhand. Moeder kan kind niet loslaten, kind kaatst het balletje terug. Kind boos, moeder verdrietig. Kind verdrietig, moeder boos. Hun ongezonde symbiose is niet leuk om naar te kijken. Op het vervelende af.

Bijna vergeet je dat Sarah ook nog een ambitieuze astronaute is. Alhoewel: fysiek en mentaal wordt de training haar op den duur te veel. Collega-astronaut Mike Shannon (Matt Dillon) werpt zich maar wat graag op als een soort beschermheer, maar in haar beperkte universum is er nauwelijks plek voor hem. Niet zo vreemd, bedenk ik na een uur, dat ze tevens gescheiden is van haar Duitse echtgenoot Thomas, een astrofysicus die trouwens ook niet van het doek spat.

Wat dan wél leuk is aan Proxima? De bescheiden bijdrage van Aleksey Fateev. Het is het spaarzame hoogtepuntje in een film die zich in drie woorden laat samenvatten: missie niet volbracht. Pff, wat hunker ik na dit weke melodrama naar een ruimtefilm waarin, heerlijk ouderwets, op volle toeren de gehaktmolen draait.

Regie: Jeff Gibbs | Duur: 100 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Stront aan de knikker in het linkse kamp! Michael Moore (1954), luis in de pels van filmnatie Amerika, doet weer van zich spreken. Nu eens niet als regisseur, maar als producer van Planet of the Humans. Centraal in deze documentaire staat de vraag of de maatregelen tegen klimaatverandering wel zo groen zijn als algemeen wordt aangenomen. Plus: ligt de Amerikaanse milieulobby niet stiekem in bed met het grote geld?

“We’re gonna turn back into apes”, is de voorspelling van een dame op de vraag van regisseur Jeff Gibbs hoe lang de mensheid nog te gaan heeft op Moeder Aarde. Niet toevallig eindigt Planet of the Humans dan ook met beelden van een oerang-oetan. Treurig genoeg is die echter meer dood dan levend. Op de achtergrond een kaalgevreten landschap dat de signatuur van de mens draagt. Hoe heeft het toch zover kunnen komen?

Planet of the Humans gaat uit van de basisaanname dat de CO2-uitstoot van de mens een ramp gaat veroorzaken. Daar moeten we wat aan doen, vindt Gibbs, al sinds zijn jeugd een overtuigd activist. Het massaal aanboren (excusez le mot) van wind- en zonne-energie is al tientallen jaren het devies binnen de milieubeweging. Ook biomassa is hot. Maar daarmee zijn de problemen niet opgelost, moet Gibbs tot zijn eigen schrik constateren: de drie motoren van de energietransitie zijn namelijk verre van klimaatneutraal.

Zand is de basisgrondstof voor zonnepanelen, dacht ik altijd. Nee dus. Zand is niet zuiver genoeg. Ze worden gemaakt van hoogwaardige kwarts en kolen; de fabricage vereist onder andere de samensmelting van die twee bij extreem hoge temperaturen. Een energieslurpend proces waarbij ontzettend veel kooldioxide vrijkomt. Californië pronkt met Ivanpah, ’s werelds grootste zonnepark dat ironisch genoeg is aangesloten op het aardgasnetwerk. Omdat het energie nodig heeft om ‘s ochtends te kunnen opstarten. Bovendien trok de bouw van het megacomplex een zware wissel op de flora en fauna. Pech voor de Joshua-boom; de woestijn als offerzone voor de productie van ‘groene’ energie.

Windturbines zijn niet meer weg te denken uit het Nederlandse landschap en ook Amerika maakt er in rap tempo kennis mee. In de noordelijke staat Vermont worden complete bergtoppen vrijgemaakt (eufemisme) om ze te kunnen plaatsen. Ook in Michigan, praktisch in Gibbs’ achtertuin, schieten ze als paddestoelen uit de grond. Het zijn reuzen waarvoor onwaarschijnlijke hoeveelheden beton en staal nodig zijn. Bij de productie daarvan ontkom je simpelweg niet aan het gebruik van fossiele brandstoffen. Gibbs: “Is it possible for machines made by industrial civilization to save us from industrial civilization?”

De tweede helft van Planet of the Humans hakt er nog harder in. Daarin toont Gibbs de nefaste gevolgen van biomassa. Bomen rooien om windparken aan te leggen is al kwalijk zat. Maar ze op grote schaal verbranden om elektriciteit op te wekken of om er ethanol van te maken? Zeer luchtvervuilend en daarom een regelrechte schande. Een ware aanslag op het ecosysteem. Je schrikt je rot als Gibbs de kaart van de VS toont waarop het aantal biomassa- en biobrandstofcentrales staat afgebeeld. Absurd. Als de bliksem kappen met deze waanzin.

In het laatste halfuur van Planet of the Humans komt de aap pas echt uit de mouw. Het bedrijfsleven, specifiek het grootkapitaal, is al lang en breed op de groene trein gestapt. Het is inmiddels machinist en conducteur tegelijk op die trein. Een TGV. Talloze banken (waaronder Goldman Sachs) en miljardairs als Richard Branson (eigenaar van Virgin Atlantic) verdringen zich kwijlend om een graantje mee te pikken. Heel veel graantjes. Gibbs: “Capitalism (…), now hiding under a cover of green.”

Natuurlijk is de milieubeweging hiervan op de hoogte, maar haar aanhangers en kopstukken vertonen evasief gedrag. Of ze zwijgen simpelweg. Neem Bill McKibben, oprichter van 350.org, een organisatie die poogt mensen milieubewust te maken. Als hem op het einde van de documentaire gevraagd wordt wie zijn financiers zijn, perst hij er een even lachwekkend als gênant antwoord uit. Hoe erg kun je voor lul staan? Bill McKibben doet het u voor.

De stuntelige houding van McKibben is, helaas, in lijn met de manier waarop ‘links’ reageert op Planet of the Humans. Milieuactivisten over de hele wereld schieten in de ontkenning of trekken ten aanval. Ze zijn des duivels op Gibbs en Moore die met Planet of the Humans herrie schoppen in de eigen tuin. Zoiets doe je toch niet?! Maar in plaats van olie op het vuur te gooien door zo aangebrand te reageren, zou je beter aan wat meer zelfreflectie kunnen doen. Want Gibbs en Moore hebben wel degelijk een punt.

Spijtig genoeg geen woord over kernenergie in Planet of the Humans, waarin een somber mensbeeld wordt geschetst. Begrijpelijk, want we maken er een zooitje van. We gaan plunderend richting de ondergang. De enige échte oplossing? Een drastische mentaliteitsverandering. Economische groei niet langer als heilig beschouwen, voorgoed het onverzadigbare consumentisme aan banden leggen. Doen we dat niet, dan gaan we keihard die oerang-oetan achterna.

Full Movie (Engels): https://www.youtube.com/watch?v=MrOcBdnC3kw.