Regie: Mark Herman | Duur: 108 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL

Camera

‘Feeling brassed off’ is informeel Engels voor ‘niet lekker in je vel zitten, je ongelukkig voelen’. Bovendien is ‘brass’ een helder gele metaalsoort, een legering van koper en zink. Beide betekenissen komen samen in het bijzonder charmante Brassed Off van Mark Herman. Een ode aan de blaasmuziek, en in 1998 winnaar van de César (Franse Oscar) voor de Beste Buitenlandse Film. Blikvanger in deze Britse parel is zonder enige twijfel de reeds overleden Pete Postlethwaite (1946-2011), een van de meest bezienswaardige acteurs die het witte doek ooit rijk was.

Brassed Off speelt zich af in Yorkshire, zo’n tien jaar na de grote mijnstaking (1984-1985). Inwoners van het stadje Grimley hangt de definitieve sluiting van de kolenmijn boven het hoofd, maar Gloria (Tara Fitzgerald) krijgt van Britisch Coal de belangrijke opdracht om het rendement van de mijn, een sociaal-economische levensader, in kaart te brengen. Aangezien de dame tevens prima overweg kan met de bugel (een soort trompet), verovert ze een vaste plek binnen de lokale fanfare. En daar loopt ze in Andy (Ewan McGregor) een oude vlam tegen het lijf.

Het is smullen geblazen in Brassed Off, een sociaal drama dat bij vrijwel iedereen in de smaak zal vallen. Eerste moment van extase is Gloria’s visitekaartje op haar bugel. Aangevuurd door dirigent Danny (Postlethwaite) brengen de mijnwerkers van de Grimley Colliery Band (in werkelijkheid is het Grimethorpe Colliery Band) Rodrigo’s Concierto de Aranjuez ten gehore. Een weergaloos mooi stuk muziek. De uitvoering is volmaakt en deze wordt ook knap in beeld gebracht; de cameravoering en montage zijn vlekkeloos. Zie hoe de aanwezigen, louter mannen, stuk voor stuk van verrukking en verbazing bijna van hun stoel vallen.

Brassed Off is een heerlijk Brits product, een ruwe cinema-diamant. Een verhaal over collectivisme en de logische frictie met de ‘vijand’. Wij tegen zij. Danny propageert alleen het ‘wij’, middels de band natuurlijk. Het is een feest om naar Postlethwaite te kijken. Zijn expressie is rauw, tegelijk melancholisch. “It’s all in the cheekbones (jukbeenderen), this career of mine”, zei hij ooit. In Brassed Off heeft meneer heel wat noten op zijn zang. Of de kolenmijn van Grimley nu wel of niet met sluiting bedreigd wordt, voor Danny maakt dat eigenlijk niks uit. De kopman is niet bezig met de op handen zijnde sluiting, zelfs het kolengruis in zijn longen kan hem niet stoppen. “It’s music that matters.”

Echter, zijn commitment wordt niet gedeeld door de andere bandleden. En daarnaast raakt zijn zoon Phil (Stephen Tompkinson, prachtige rol) van de regen in de drup. Diep in de schulden ziet die zich genoodzaakt om Mr Chuckles uit de kast te trekken. In een clownspak kindertjes entertainen, van ouders die tot de ‘upper class’ behoren. Dat steekt natuurlijk, en op een dag wordt het hem te veel. Ten overstaande van een stel piepjonge koppies vervloekt Phil de Tory Party en haar toenmalig leider Margaret Thatcher. Regisseur Mark Herman bekent daarmee politiek kleur. Brassed Off gaat eigenlijk niet eens zozeer om het wel en wee van mijnwerkers, de film is meer een sympathieke schets van de arbeider die het hoe dan ook aflegt tegen het (politiek) kapitaal.

Maar zomaar opgeven is er niet bij, we zijn immers in het land van ‘hope and bloody glory’. En die glorie komt. Voor Gloria en Andy (leuk om McGregor het verliefde kalf te zien spelen) en ook voor de Grimley Colliery Band. De ultieme glorie zelfs, want in een knus Londens ‘zaaltje’ knalt het blaasensemble er voor de laatste keer een vette deun uit. Waarna Danny Ormondroyd de microfoon pakt en, nog maar eens, in zuiver steenkolenengels het publiek deelgenoot maakt van wat hij onlangs bijgeleerd heeft: “Truth is, I thought it mattered. I thought that music mattered. But does it bollocks?”

Regie: Jan de Bont | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Stormachtige ontwikkelingen in Twister van Jan de Bont (1943), die geruime tijd cameraman was alvorens hij in Hollywood als regisseur succesvol debuteerde met Speed (1994). En ook Twister, twee jaar later, werd lovend ontvangen door zowel filmcritici als het grote publiek. Vooral vanwege de fraaie special effects. Staan die nog steeds overeind, nu vijfentwintig jaar later? Jazeker! Wat beslist niet overeind blijft staan in de film: alles wat onderhevig is aan harde wind.

Bill Harding (Bill Paxton) en zijn vrouw Jo (Helen Hunt) zijn twee tornadojagers die in scheiding liggen; een handtekening van Jo onder de scheidingspapieren is de laatste formaliteit die vereist is. Hiertoe gaat Bill, vergezeld van zijn nieuwe vriendin Melissa (Jami Gertz), langs bij Jo. Maar eenmaal ter plekke (Tornado Alley vormt het hart van de actie in Twister) slaat het weer om en worden Bill en Melissa meegezogen in een rits spectaculaire gebeurtenissen.

Je hoeft Twister niet te kijken omdat het verhaal nou zo geweldig is; het plot is nogal ‘cheesy’. Maar waarom blijft deze ‘goedkope’ prent mij dan toch boeien, keer op keer? In eerste instantie omdat ik extreem weer (onweer vooral) fascinerend vind. Nooit zal ik vergeten hoe nietig dit mannetje zich voelde toen op een druilerige novemberavond in 1983 de bliksem voor zijn ogen insloeg. Wat een licht, wat een klap. Niet te filmen. Twister doet me aan die tijd denken. “Those were the days”, zei mijn vader dikwijls over de tijden waar híj wel eens naar terugverlangde.

Mijn nostalgie dikt aan door de aanwezigheid van een tweetal acteurs die inmiddels niet meer onder ons zijn. Twee heren waar ik een zwak voor heb. Bill Paxton overleed in 2017 (61) en Philip Seymour Hoffman in 2014, slechts 46 jaar oud. In Twister zien we de nog jonge Seymour Hoffman als Dusty. Een heerlijke bijrol. Hij krijgt van De Bont alle gelegenheid om de nar van het sowieso kleurrijke gezelschap tornadojagers te spelen. De Suck Zone, legt Dusty bloedserieus aan Melissa uit, is de plek waar de tornado je opzuigt. Weet u dat alvast.

De passie, bijna bezetenheid, van het stel tornadojagers (prima casting) is bijzonder aanstekelijk. Dusty is de leukste, maar ook Alan Ruck (‘Rabbit’) doet een kleine doch fijne duit in het zakje. Hij is de navigator van het rock-‘n-roll-ensemble. “Roll the maps”, dicteert hij collega Sanders die de kaarten juist constant (op)vouwt. En aan kop van het zooitje weerpiraten staan twee kemphanen: Jo en Bill. Constant vliegen de bijna-exen elkaar in de haren. De chemie tussen de kissebissende kleuters kietelt vooral de lachspieren; erg diepzinnig wordt het allemaal niet. Alhoewel Jo wel met een trauma heeft af te rekenen, getuige de heftige openingsscène van Twister.

Twister is een tikkeltje platvloerse, maar charmante ode aan de begeestering. Mocht je weinig of niets hebben met rampenfilms, weet dan dat er in ieder geval zat te lachen valt. Om Dusty dus, maar ook om dr. Melissa Reeves. In de ogen van Hyacinth Bouquet zal ze vast de ideale schoondochter zijn, maar wat de keurige vruchtbaarheidstherapeute in het ruige Twister te zoeken heeft? Raadselachtig. Heel ‘vruchtbaar’ is haar bijdrage niet. Hetzelfde geldt voor Bill’s tegenstrever Jonas Miller (Cary Elwes). De poenige gladjanus bestudeert ook tornado’s, wil Bill te slim af zijn, maar betaalt uiteindelijk een hoge prijs voor zijn arrogantie.

Verre van ‘cheesy’ in de film zijn de special effects; de Oscarnominatie hiervoor kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Echter, Twister legde het in die categorie af tegen de enkele maanden later verschijnende blockbuster Independence Day. Dat neemt niet weg dat de scène waarin een drive-inbioscoop door een tornado aan stukken wordt gescheurd ronduit fantastisch is. Temeer omdat op dat moment The Shining (1980) van Stanley Kubrick wordt vertoond. Bulderende winden en een manisch hakkende Jack Nicholson op het witte doek: prachtig! Vijfentwintig jaar na zijn release is Twister nog altijd wervelend popcornamusement.

 

Regie: Adam McKay | Duur: 130 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

“Truth is like poetry. And most people fucking hate poetry.” De quote had de tagline van The Big Short kunnen zijn. Omdat de film een fraude uit de doeken doet die je je moeilijk kunt voorstellen. Vooral de grootschaligheid ervan. Zoiets kan toch niet waar zijn? Daar komt bij dat materie behoorlijk complex is. De term ‘vastgoedzeepbel’ an sich begrijp ik, maar bij ‘kredietverzuimswaps’ haak ik af. De film mijdt dit soort jargon zeker niet. Gesneden koek wellicht voor een beetje cijfernerd, maar voor mij (een taaldier) is het in eerste instantie abracadabra.

Dus bekijk ik The Big Short een tweede keer. Een derde, vierde en vijfde keer. En uiteindelijk valt het kwartje. Misschien had ik beter het boek van Michael Lewis kunnen lezen, het gelijknamige boek waarop de film is gebaseerd. Anderzijds is het scenario van Charles Randolph en regisseur Adam McKay een formidabele bewerking van dat boek. Durf ik te zeggen zonder het gelezen te hebben. Subliem is bovendien het werk van Hank Corwin, de editor. Hij heeft een aanzienlijk aandeel in het gegeven dat je soepeltjes door het bank- en investeringswereldje beweegt. Niet meteen de meest warmbloedige bedrijfstak. Uniform. Kantoorflats waar elke vorm van romantiek ontbreekt. Bevolkt door mannen in pakken. Mannen die pakken wat ze pakken kunnen. Haantjesgedrag op dertien hoog.

The Big Short begint in 2005. De Amerikaanse huizenmarkt is op dat moment een kaartenhuis dat op instorten staat. Tientallen jaren lang zijn er namelijk hypotheken verstrekt waarvan de financiering rammelt. Voor de oorsprong van deze malversaties (de film begint ermee) moeten we terug naar eind jaren 70. Lewis Ranieri, de ‘Grote Smurf’ van de New Yorkse investeringsbank de Salomon Brothers, kreeg destijds het lumineuze idee om hypotheekleningen te verpakken tot obligaties die doorverkocht kunnen worden. Het markeerde het begin van een nieuw tijdperk in het Amerikaanse geldwezen. Financials harkten aan de lopende band en met speels gemak honderden miljoenen dollars binnen; the sky was the limit.

Maar Wall Street zou in de jaren erna uitgroeien tot een luchtkasteel. Een verraderlijk bouwwerk met, blijkt in 2007, een plafond van graniet. En daartegen je hoofd stoten doet zeer. Vier vreemde vogels anticiperen in 2005 op een dergelijk scenario, op een financiële meltdown. Ze ontdekken dat vele Amerikaanse huizenbezitters (beter: huizenbewoners) hun betalingsverplichtingen aan de bank niet nakomen. Een crash van de vastgoedmarkt, en daarmee de ontwrichting van de wereldeconomie, hing in de lucht. Wat de film echter voornamelijk laat zien, is hoe de vier de crash uitbuitten en er schatrijk door werden. Dat deden ze middels een techniek die short gaan heet: winst behalen door in te spelen op een daling van de aandelen- of obligatiekoers.

Hoe short gaan precies werkt? Kijk voor de details naar The Big Short. Wat een prent. Steengoed. Een suf onderwerp zo wervelend verpakken is grote klasse. Ik noemde al Corwins Oscarwaardige ‘knip- en plakwerk’, en ook het spel en het camerawerk zijn geweldig. Het op waargebeurde feiten berustende verhaal is geconstrueerd rondom een drietal personages: Michael Burry (Christian Bale), Mark Baum (Steve Carell) en Jared Vennett (Ryan Gosling). De drie acteurs vlammen in dit biografische drama, dat de nodige elementen van een zwarte komedie herbergt.

De mensenschuwe cijferfreak Michael Burry is de meest excentrieke van de drie. Een autist met een glazen oog. Zonder pardon lapt hij de mannen-in-pakken-cultuur aan zijn laars: meneer draagt consequent een zomeroutfit. Ja, ook op kantoor. Daar zeker. T-shirtje, korte broek, sandalen. Hij zit met blote voeten achter zijn bureau. Hij is dol op heavy metal en ook buitengewoon kundig met een paar drumsticks. Als hoofd van het hedge fund Scion Capital koopt Burry voor 1,3 miljard dollar aan ‘credit default swaps’, wat hem op een storm aan kritiek komt te staan.

Dan manager Mark Baum (in werkelijkheid Steve Eisman). Een arrogante bulldozer met een moreel kompas van staal. Gaat recht op zijn doel af en windt nergens doekjes om (dat is nog licht uitgedrukt). Hij beheert een relatief bescheiden investeringsfonds en stuurt een klein team van handelaren aan. Baum gaat door het lint als hij doorziet welke frauduleuze hypotheekconstructies de banken schaamteloos aan de man brengen, hoezeer kredietbeoordelaars de ogen daarvoor sluiten en welke atoombom dat potentieel legt onder de economie. Carell dreunt echt van het doek; dat zijn hart het niet begeeft!

Ryan Gosling tot slot. Zijn aandeel in de film is drieledig. Hij is uitstekend als de zeer gelikte verkoper Jared Vennett (Deutsche Bank). Bovendien neemt hij de kijker bij de hand door de schimmige wereld van het grote geld. Dat doet hij via de voice-over en door de vierde wand te doorbreken, dus door zich rechtstreeks tot de kijker te wenden. Andere acteurs doen dat trouwens ook, maar Gosling het vaakst. Het is een slimme zet van McKay; de mini-intermezzo’s verschaffen de kijker wat meer structuur én ademruimte. Dat laatste is broodnodig, want The Big Short is net een circustent. Wel eentje die staat als een huis.

Ongelimiteerd graaien enerzijds, een grenzeloze kortzichtigheid anderzijds: hebzucht en stupiditeit vormden tientallen jaren lang de opmaat naar een explosieve cocktail. Een cocktail die de boeken inging als de ‘kredietcrisis’. Hebben de wantoestanden van toen tot bezinning geleid? Is het bankwezen een radicaal andere weg ingeslagen? The Big Short eindigt met een schokkende conclusie: nee, het grote wegkijken is gewoon met een paar jaar verlengd. Het is business as usual. Geen wezen zo hardleers als de mens. Betekent de volgende crisis dan wél de definitieve ondergang van onze schuldeneconomie?

 

Regie: Denis Villeneuve | Duur: 155 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Dune is een bont aangeklede prent die je een andere wereld in slingert. “Een soort Star Wars voor volwassenen”, zegt regisseur Denis Villeneuve over zijn nieuwste film die, zo drukt hij ons filmfans op het hart, het best tot zijn recht komt in de bioscoop. Klopt als een bus, en het witte doek kan niet groot genoeg zijn. Toch kom ik na ruim 2,5 uur filmgeweld niet betoverd de zaal uit.

De film is gebaseerd op het werk van Frank Herbert (1920-1986). De Amerikaanse sciencefictionschrijver verwierf grote bekendheid met zijn roman Dune uit 1965, het eerste deel van een zesdelige boekenreeks en het best verkochte SF-boek ooit. Van de hand van David Lynch verscheen in 1984 een eerste verfilming van Herberts boek, met onder anderen Star Trek-icoon Patrick Stewart in de gelederen. Critici waren niet mild in hun oordeel over wat men desalniettemin betitelde als een visueel geslaagde film.

Dune speelt zich af in de verre toekomst, in het jaar 10191. Paul Atreides (Timothée Chalamet) is erfgenaam van het Huis Atreides en voorbestemd om zijn familie en het volk van zijn thuiswereld Caladan te redden van de ondergang. Daartoe onderneemt hij met zijn vader Leto (Oscar Isaac) en zijn moeder Jessica (Rebecca Ferguson) een gevaarlijke reis naar de woestijnplaneet Arrakis. Arrakis, biotoop van de Vrijmans, is rijk aan het zeer kostbare Specie, een grondstof die nergens anders in het universum voorhanden is.

Dune is prachtig gefilmd en vormgegeven, daar valt niet over te twisten. Drie zaken springen er naar mijn mening positief uit: de fraai getailleerde kostuums, de ‘thopter’ (een luchtvaartuig dat op een reusachtige libelle lijkt die een zwaar, propellerachtig geluid produceert) en de op Arrakis levende zandwormen. Kolossale kruipers met een bekkie waar een flinke hap in past. En die ook nog eens pijlsnel zijn, ondanks dat ze zich ondergronds verplaatsen.

Maar Dune is plomp, plomp en nog eens plomp. Ik kan daar mee leven, mits van tijd tot tijd ook mijn ziel wordt gestreeld. Helaas is dat niet het geval. Het verhaal is zeer gericht op de klassieke strijd tussen het goed en het kwaad. Prima, maar de pionnen op het feodale schaakbord zijn nogal flets; inzoomen op de personages zelf is er (te) weinig bij. Op het acteerwerk is niets aan te merken, maar hoofdpersoon Paul is mij in de dagen na mijn biosbezoek niet bijgebleven als de onvergetelijke held, als steunpilaar van het plot.

Ik wil (een) film graag beléven. Essentieel is dan dat ik de personages doorvoel. De good guys en de bad guys. Van alle good guys is de stoere Duncan (Jason Momoa) een van de weinige personages die me raakt. Van de bad guys doet Stellan Skarsgård dat. Als stamhoofd van de wrede Harkonnen biedt de Zweedse acteur een inkijkje in het zenuwcentrum van het kwaad. Toch mis ik in Dune de intensiteit, de oprechtheid, van de clash tussen de twee polaire krachten, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is in The Lord of the Rings-films. Goed en kwaad hebben weliswaar beide een gezicht in Dune, maar de twee uitersten ontberen charisma.

Bovendien had het decor optimaler gebruikt kunnen worden. De woestijn leent zich uitstekend om het heroïsche een mystiek randje te geven. Waarom niet eerst ruim de tijd nemen om door de felblauwe kijkers van de Vrijmans het geheimzinnige Arrakis te verkennen? Waar zijn de langdurige shots van de omgeving? Waarom stroopt de camera niet traag het landschap af? Waar is de spiritualiteit in het geheel? Ik mis de rust en subtiliteit. En ook de muziek (nogal bonkig) van Hans Zimmer wordt me op den duur te veel. Na twee uur Dune heb ik het derhalve wel gezien. En gehoord.

Nee, Dune vind ik geen epos. Vermakelijke Hollywood-kost met een dijk van een cast, ongetwijfeld, maar de stoomwals voor de zintuigen staat te veel op zich. Een spelbreker is verder dat er vrijwel niets te lachen valt en je 155 filmminuten later pas halverwege het verhaal bent. Is er nou wel of geen liefde in het spel tussen Chani en Paul? Het antwoord volgt geheid in Dune 2, waarbij ik hoop dat Villeneuve er voor alles een krachtmeting der karakters van maakt.

 

Regie: Florian Zeller | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Ik val met de deur in huis: ik houd het niet droog tijdens de slotscène van The Father, waarin Anthony zich hardop afvraagt wie hij eigenlijk is. “I feel as if I’m losing all my leaves”. Je bent terug bij af, lieve Anthony. Je bent weer kind. Huil maar, mama is bij je. De kroon op dit filmjuweel is het laatste shot. De camera draait langzaam naar het venster, zoomt tegelijk in en stopt wanneer dat frontaal in beeld is. Door het glas zien we bomen die vol in blad staan. Wuivend groen blad.

Sir Philip Anthony Hopkins is van 31 december 1937. Nu drieëntachtig jaar oud is zijn rol in The Father misschien wel zijn zwanenzang op het witte doek. In dit drama van de Franse schrijver en regisseur Florian Zeller, gebaseerd op diens toneelstuk Le Père uit 2012, speelt Hopkins een hoogbejaard heerschap met dezelfde naam. Toeval? Hoe dan ook schreef de Welshman op 25 april dit jaar geschiedenis: hij werd de oudste Oscarwinnaar ooit, dankzij zijn spel in The Father.

Het verhaal is simpel. Anthony woont zelfstandig en naar volle tevredenheid in zijn ruime flat in Londen. Probleem is echter dat hij dementerende is en daarom stelt zijn dochter Anne (Olivia Colman) alles in het werk om een geschikte verpleegster voor hem te vinden. Ook omdat ze binnenkort met haar echtgenoot naar Parijs verhuist. Maar keer op keer wijst Anthony alle hulp af.

De beste film over de tol der vergankelijkheid sinds het Franse drama Amour (2012). Zo oordeelt The Hollywood Reporter over The Father. Nu ben ik het lang niet altijd eens met de gevestigde filmcritici, maar dit keer kan ik alleen maar volstaan met een instemmend ‘amen’. De film van het jaar, wat mij betreft. Gaat niet meer overtroffen worden, onmogelijk.

Hoe voelt het om langzaam alle grip op de realiteit te verliezen? Om nomade te zijn in je brein? The Father biedt een indringende inkijk. De enorme kracht van de film zit ‘m in het gegeven dat je Anthony’s cognitieve verval beleeft vanuit Anthony zelf. Dat is het uitgangspunt binnen het formidabele script. Bijzonder goed zijn bovendien het acteerwerk en de montage. Die elementen maken The Father tot een memorabele (excusez le mot) kijkervaring.

Laat The Father alsjeblieft Hopkins’ laatste acteerklus zijn. Stop nu, Anthony. Op je hoogtepunt. De acteur zet namelijk een magistrale vertolking neer van een man die hopeloos verstrikt raakt in een labyrint. En dat ook steeds meer beseft. De remedie? Krampachtig houvast zoeken. Vluchten in rituelen. Zo is de tijd een essentieel motief in de film. Als hij zijn horloge maar (om) heeft. Want aan die constante valt niet te tornen, daar kan hij tenminste op bouwen.

Een ander ritueel is uit het raam kijken. Een glimp van het leven opsnuiven, het echte leven. Furieus opent hij de gordijnen, daar de ‘gevangene’ zo graag wil proeven van de vrijheid. Eén shot in het bijzonder valt op: Anthony (zijaanzicht, mooie belichting) observeert daarbij een jongen op straat. De knul dolt met een plastic zak die speelbal is van de wind. De onschuld van het tafereel sorteert een vluchtige glimlach op het gezicht van Anthony. Het zijn verkapte tranen.

Maar indien je denkt dat de knul in de oude man dood en begraven is, dan vergis je je deerlijk. Wanneer verpleegster nummer zoveel zich aandient, Laura (Imogen Poots, schitterend rolletje), is daar plots een heel andere Anthony: meneer de charmeur. In een ijzersterke scène zien we hoezeer zijn persoonlijkheid gespleten is. Hoe ‘naakt’ hij opereert. Geen emotionele remmingen meer, geen gevoel voor verhoudingen, voor sociale context. Hij versiert Laura, om haar even later genadeloos te schofferen. Hij is een locomotief op drift. Machinist afwezig.

Met name tijdens die scène valt ook op hoe waanzinnig sterk Olivia Colman acteert. Een actrice die nooit teleurstelt. Anne leeft ook in meerdere werelden, maar dan wel bij vol bewustzijn; misschien maakt het dat nog pijnlijker. Het ene moment door je eigen vader gefileerd worden, het andere moment van hem horen dat je haar zo leuk zit. Veel erger is dat Anthony zijn dochter steeds moeizamer herkent. Zie het ongeloof in haar ogen, het verdriet. En ondanks alles blijft ze in de liefde naar hem. Hoe knap. Ook Colman zorgt voor kippenvel.

Nog meer superlatieven, ter afsluiting. Yorgos Lamprinos moet genoemd worden. De editor van The Father, die ook werd genomineerd voor een Oscar. De Griek (bij het lezen van het scenario kreeg hij al tranen in de ogen) ontving carte blanche van Zeller om zíjn point of view te integreren in Zellers oorspronkelijke werk. Dankzij Lamprinos houdt de kijker zicht op de hoofdlijn van het confuse narratief dat The Father is. En identificeer je je daardoor moeiteloos met elk van de personages.

Het slotakkoord wijd ik aan de Italiaanse componist Ludovico Einaudi (65). Het genie op de piano. Na Intouchables laat hij in The Father opnieuw van zich horen. Wow zeg, wat een soundtrack. In 2019 verschenen zeven cd’s van zijn hand, Seven Days Walking getiteld. Luister naar en huiver bij Low Mist Var. 2 (Day 1) en Low Mist Var. 1 (Day 5). Maar het meest fijnzinnig en mysterieus is Einaudi’s muziek onder de slotbeelden: als papaatje los is van tijd en plaats, en alleen nog de finale reis voor de boeg heeft. Mindblowing stuff.

 

Regie: Thomas Vinterberg | Duur: 117 minuten | Taal: Deens | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

De opnames voor Druk waren een dag of vier onderweg toen Ida, de 19-jarige dochter van regisseur Thomas Vinterberg (Festen en Jagten), in België om het leven kwam bij een auto-ongeluk. Besloten werd om het script van de film aan te passen. Vinterberg zei naderhand: “It should not just be about drinking. It was about being awakened to life.”

Druk draait om vier docenten op een middelbare school: docent geschiedenis Martin (Mads Mikkelsen) en zijn collega’s Tommy (Thomas Bo Larsen), Nikolaj (Magnus Millang) en Peter (Lars Ranthe). Behalve collega’s zijn het ook lotgenoten, omdat elk van hen kampt met een midlifecrisis. Die crisis doet zich gelden tot in het klaslokaal: hun lessen zijn als lauw bier en de leerlingen zijn niet vooruit te branden. Maar een gewaagd experiment moet daar verandering in brengen.

Dat experiment houdt verband met de Noorse filosoof en psychiater Finn Skårderud – nee, ik kende hem ook niet. Skårderud stelde ooit dat het bloed van de mens bij zijn geboorte een te laag alcoholpromillage heeft. Een tekort van ongeveer 0,5 promille. Een productiefoutje, maar voor de vier boefjes is het een welkom excuus om uit een ander vaatje te gaan tappen.

Kun je je het voorstellen? Alleen onder werktijd drinken en het weekend gebruiken om te detoxen. Het Deense Druk is de wereld op z’n kop. Om te brullen van het lachen, dat geef ik u op een briefje. Maar het is ook ontroerende cinema. Vertederend. Het hoogste rapportcijfer in dit komische drama, winnaar van de Oscar voor Beste Buitenlandse Film, is voor het acteerwerk.

Natuurlijk is Mikkelsen, vaandeldrager van de Deense cinema, de ultieme blikvanger. Prachtige kop heeft hij toch. Martin maakt een uitgebluste indruk. Geen connectie met zichzelf, een vreemde in de ogen van zijn eigen kinderen. En het huwelijk met zijn vrouw Anika (Maria Bonnevie) bevindt zich in de blessuretijd. “Je bent niet meer de Martin van vroeger”, luidt haar oordeel. Even later kan hij de tranen dan ook niet bedwingen. Tijdens de geweldige tafelscène verruilt hij namelijk een ‘frisje’ voor het echte werk. Tja, alcohol maakt nu eenmaal dingen los.

Mikkelsen heeft uitstekend gezelschap in Druk; heel de cast is voortreffelijk. Thomas Bo Larsen (onvergetelijke rol in Festen) wil ik graag noemen. Tommy is de senior van het kwartet. Een gevoelige goedzak. En ook van de docent lichamelijke opvoeding is het beste wel af. Oplossing: je waterflesje eens vullen met iets anders dan water. De alcohol schudt het fanatieke kind in Tommy helemaal wakker. Leukste plotlijntje in de film is de interactie tussen hem en ‘brillemans’.

De permanente alcoholroes heeft gevolgen. Positief, want de leerlingen (van vooral Martin) kunnen hun ogen niet geloven; docent en geschiedenis komen plots tot leven! En daar het experiment vloeiend verloopt, besluiten de heren het te verlengen. Te intensiveren zelfs. ‘Differentiatie’ heet dat in het onderwijsveld. Voor de goede orde: er werd geen druppel geschonken op de set. Maar dat zou je wel denken, want hun dronkenschap spat werkelijk van het scherm. Ooit ladderzat boodschappen gedaan? Of lekker gaan vissen? Aan de knappe motoriek van de drankorgels moeten vele uren huiswerk zijn voorafgegaan.

Het drama in Druk betreft uiteraard de negatieve gevolgen van al dat gezuip. Martin is meer en meer getrouwd met de fles, wordt knock-out en onder het bloed gevonden door zijn zoon en heeft thuis dus heel wat uit te leggen. Tommy echter zorgt voor de grootste shock in Druk. De film lijkt daardoor met een anticlimax te eindigen, maar niets is minder waar: middels de swingende slotscène (wist u dat Mikkelsen vroeger op jazzballet zat?) spoort Vinterberg ons aan om het leven vooral te leven. Want het vervliegt sneller dan alcohol.

Regie: Marc di Domenico & Charles Aznavour | Duur: 83 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: AL

Camera

Place du Tertre, in het 18e arrondissement van Parijs. In een knus brasserietje zit ik te genieten van een pain au chocolat (nergens zo lekker als in het beloofde land zelf) en un grand café noir. De radio staat aan, het geluid uit de plafondspeakers kraakt een beetje. Alsof je vers stokbrood breekt. Plots brengen ze een mannenstem ten gehore. Zuiver timbre, bekoorlijke melodie. Mes emmerdes heet het chanson. En zo maak ik in juni 1997 kennis met chansonnier Chahnour Varinag Aznavourian, beter bekend als Charles Aznavour (1924-2018).

Het fameuze kunstenaarsplein is ook de plek waar Aznavour met zijn eerste vrouw woonde: zangeres Micheline Rugel. Piepjong waren ze, maar het was ‘le coup de foudre’ (liefde op het eerste gezicht). In 1946 zouden ze elkaar het jawoord geven. In La Bohème bezingt Aznavour die tijd. Het is nostalgie van de bovenste plank: de melodie, de tekst, de korrelige beelden van het naoorlogse Montmartre. Alles ademt onschuld in Aznavour, le regard de Charles. Een tedere blik over de schouder.

Uniek aan de documentaire is dat het een zelfportret betreft; Aznavour is aan het woord. Dat wil zeggen: we horen zijn observaties en overpeinzingen. De voice-over is van acteur Romain Duris en hij doet dat op voortreffelijke wijze. Zijn warme, heldere stem lijkt namelijk erg op die van Aznavour. Toch klinkt Aznavours signatuur het meest door in de beelden, om de simpele reden dat hij die zelf heeft geschoten. Want van wie kreeg hij in 1948 een filmcamera? Van niemand minder dan Édith Piaf. De dame die hem ontdekte.

“Je suis un homme de la rue, de l’extérieur.” Aznavour het straatjochie. Nooit ging hij zonder Piafs camera op pad. Hij filmde om dichter bij de mensen te komen, om het leven te ‘vangen’. We zien beelden uit Centraal Afrika, van de sloppenwijken in La Paz (Bolivia). Hij vertelt de kijker dat hij zich verloren voelt wanneer hij Macao bezoekt, een mierenhoop in Azië. Maar in Tokio, op tournee met zijn derde vrouw (de ruim twintig jaar jongere Zweedse Ulla Thorsell), is hij juist als een vis in het water.

“Je pense donc je suis” zei René Descartes. Aznavour knipoogt naar Descartes door te stellen: “Je me filme donc j’existe.” Het vlot gemonteerde Aznavour, le regard de Charles belicht niet zozeer zijn grote successen, hoewel hij die uiteraard wel kende. Zo ging hij met Piaf op tournee door Frankrijk en Amerika, met een bomvol Carnegie Hall (New York) in 1966 als hoogtepunt. In Québec was het vervolgens een waar gekkenhuis: in veertig weken tijd verzorgde hij in diverse clubs honderden optredens. Erna zong de naam van ‘Monsieur le Prince’ alom rond.

Veertig uur aan historisch filmmateriaal, gecomprimeerd tot 80 minuten: Aznavour, le regard de Charles is een ontroerend filmdocument over een kind van Armeense immigranten. Talentvol en in de wieg gelegd voor het avontuur. En die al 40 jaar is wanneer hij voor het eerst voet zet op vaderlandse bodem. Hij ontmoet er zijn oma en deelt handtekeningen uit aan fans. Beelden die nog maar eens aantonen dat Aznavour altijd dat jochie met een open blik zou blijven. Hij wilde niet zozeer gezien worden, hij wilde vooral zelf zien: “ U zag mij, maar u weet wellicht niet dat ik u ook zag.”

Regie: John Krasinski | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

John Krasinski keert terug als acteur in A Quiet Place Part II. Het is een kortstondig optreden van de man die ook weer de regie in handen heeft, want zijn personage (Lee Abbott) sterft in A Quiet Place (2018) een heldhaftige dood. Hoe hij dan toch van de partij kan zijn? Omdat deze sequel begint met dag 1, terwijl deel 1 met dag 89 opent. Deel 2 start met de dag waarop de aliens de aardbol aandoen. En dat gaat bepaald niet geruisloos.

Daarmee tapt dit vervolg direct uit een ander vaatje: binnen 5 minuten is de chaos namelijk compleet. Voordeel is dat je wordt meegezogen in het verhaal. Maar waar het nu direct ‘even Apeldoorn bellen’ geblazen is, duurt het in de eerste film feitelijk tot de slotscène eer de scherphorende wezens zich in vol ornaat tonen. Het gemis van zo’n lange, onheilspellende aanloop is de voornaamste reden dat part II minder intrigeert dan het eerste deel.

Na ongeveer 15 minuten behoren de gebeurtenissen van dag 1 tot het verleden en gaat het verhaal verder waar deel 1 eindigde: in het huis van de Abbotts. Al snel verplaatst het decor zich vervolgens, want het tot vier leden gereduceerde gezin (moeder Evelyn, haar baby en haar twee kinderen Regan en Marcus) besluiten hun heil elders te zoeken. Maar uiteraard zit het buitenaardse geboefte hen binnen de kortste keren op de hielen. Waarmee deel 2 zich ontvouwt tot een soort kat-en-muisspel, terwijl het in deel 1 vooral ging om ‘verstoppertje spelen’.

Cillian Murphy (als Emmett) vervangt in zekere zin de weggevallen Krasinski, maar Emmett is niet te vergelijken met Lee. Murphy vertolkt geen vaderfiguur, eerder een zwerver die Evelyn en haar kroost tijdelijk duldt in het hol waar hij zit ondergedoken. Wanneer Regan een list bedenkt om de aliens te slim af te zijn, vangt ze dan ook bot bij Emmett. Dan maar alleen op pad, denkt de dappere dame. De parallel met deel 1 is evident: ook nu valt het gezin uit elkaar, maar dat gegeven voelt beduidend minder dramatisch aan omdat de emotionele band tussen Emmett en de Abbotts afwezig is. Emmett is een bange zeur, niet de liefhebbende vader die Lee was.

Murphy’s spel is oké, maar meer ook niet. Emily Blunt (Evelyn), Millicent Simmonds (Regan) en Noah Jupe (Marcus) zijn daarentegen wel ‘eyecatchers’. Blunt doet haar geweldige spel in deel 1 nog eens dunnetjes over. En Simmonds, als kind reeds doof door een overdosis medicatie, staat nu meer centraal dan in de eerste film, maar ze betaalt die eer ruimschoots terug. Knap wat de jonge actrice laat zien in een rol die aan Lee doet denken: die van het krachtige gezinshoofd. Het is dankzij een een-tweetje tussen haar en Marcus, op het einde van de film, dat de wezens het nakijken hebben. Voorlopig dan, want deel 3 zit in de pijplijn.

Héél stil ben ik niet van A Quiet Place Part II. De film zal je niet bijblijven vanwege het plot, noch door de ontknoping ervan (die een belletje doet rinkelen). Maar ga toch naar de bios, want er is genoeg moois te zien. Goed acteerwerk, een paar knetterende jump scares en ook de locaties spreken tot de verbeelding. Een krakend huis, weggestopt tussen de maïsvelden, werkte al prima. Maar het sinistere decor waar de arme Abbotts dit keer terechtkomen? Brr.

 

Regie: Robin Wright | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Vluchten kan Edee niet meer. Halverwege Land, het regiedebuut van Robin Wright, loopt haar weg namelijk dood. Wright regisseert en vertolkt tevens de hoofdrol, waar dat laatste eigenlijk niet gepland was. De in Texas geboren actrice (1966) levert solide acteerwerk af in een niet over de hele linie overtuigend portret van een vrouw op zoek naar zichzelf. De film roept associaties op met het biografische drama Into the Wild uit 2007, geregisseerd door Wrigts ex-echtgenoot Sean Penn.

Na een zeer aangrijpende gebeurtenis voelt Edee zich gedwongen om haar oude leven resoluut de rug toe te keren. Ze tikt een vervallen blokhut in de Rocky Mountains op de kop en begint zo aan een ongewis avontuur. Maar de beoogde ‘expeditie naar binnen’ mondt al snel uit in puur overleven. Nadat een lokale jager (Demián Bichir) Edee van de dood heeft gered, rest haar nog maar één ding: definitief in het reine komen met het verleden.

Ik val met de deur in huis: de laatste vijfentwintig minuten redden dit drama waarvan het plot nogal week is. Een geestelijk in de kreukels liggende dame die bezinning wil en zich daartoe van alles en iedereen afzondert. Leuk bedacht, maar Moeder Natuur is haar behoorlijk vijandig gezind. En bovendien is ze met name fysiek niet gemaakt voor dit soort boude survivalfratsen, zeker als je die solo onderneemt. De eerste helft van Land wordt dan ook besloten met een herhaaldelijk geuite wanhoopskreet: “Dit werkt niet!” Glashelder.

Met de entree van godsgeschenk Miguel (Bichir) hoopte ik op meer verrassing en diepgang. Vooral dat laatste, omdat ook de zachtaardige Miguel een litteken heeft; zoiets schept toch een band. Hij werpt zich op als een mentor van Edee, die inderdaad wel een stoomcursus overleven kan gebruiken. Prima, maar als Miguel haar op zeker moment vertelt welk verlies hij heeft geïncasseerd, kapt Wright mijn inziens de scène te vroeg af. Spijtig, dit was nou hét moment geweest voor een betekenisvolle dialoog, de springplank tot verdere uitdieping van hun connectie. Het acteerwerk in Land is ruim voldoende, de dynamiek tussen Edee en Miguel had alleen een stuk pittiger gemogen.

Wat ik het verder jammer vind in Land, is dat de majesteitelijke Rocky Mountains (in werkelijkheid Alberta, Canada) als filmmotief een te magere rol spelen. Decor en narratief staan los van elkaar, er is geen echte ‘communicatie’ tussen de twee. De woestenij, in combinatie met het isolement, had zowel verhelderend als helend kunnen uitwerken voor Edee, maar in plaats daarvan schiet ze in de irritatie en de vertwijfeling. Naar Miguel toe toont ze zich jammer genoeg een emotioneel gesluierde vrouw; al met al heeft haar ego het roer iets te stevig in handen.

Doch niet getreurd: het timide drama kent een sterk slot. Edee neemt dan het heft in eigen handen en gaat op zoek naar Miguel, de man die plotseling aan haar verscheen en net zo snel weer verdween. Wat je een ruim een uur lang mist, namelijk wezenlijke uitwisseling van ziel tot ziel, vindt tijdens de laatste minuten van Land gelukkig wél plaats. Geheimen sneuvelen en tranen rollen. Waarna Edee’s corridor richting de wereld en haar menselijke bewoners weer een beetje open ligt.

Regie: Scott Cooper | Duur: 134 minuten | Taal: Engels, Cheyenne, Frans | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Hostiles krachtig samengevat: meedogenloos mooi. De zuinige IMDb-metascore (6.5) valt mij dan ook in negatieve zin op. Niet voor het eerst vraag ik me af hoe de kenners gekeken hebben. Met het hart geblinddoekt, denk ik. Maar zet je je voelsprieten wel op scherp, dan moet je vaststellen dat Hostiles een masterclass cinema is. Tot mijn verbijstering won hij slechts vier bescheiden filmprijzen. Het pedante Hollywood liep kennelijk niet warm voor het meesterwerk van Scott Cooper; de eerste stoeptegel van The Hollywood Walk of Shame is bij deze gelegd.

Amerika, 1892. Legerkapitein Joseph Blocker (Christian Bale) krijgt tot zijn afschuw de opdracht om het Cheyenne-opperhoofd Yellow Hawk (Wes Studi) en zijn familie te escorteren naar hun geboortegrond: The Valley of the Bears in de staat Montana. Tijdens de gevaarlijke tocht, met als startpunt de geïsoleerde legerpost Fort Berringer (New Mexico), stuit het reisgezelschap op Rosalee Quaid (Rosamund Pike), wier gezin voor haar ogen is vermoord door leden van de Comanche-stam.

Dik twee uur lang zit ik als geketend voor het televisiescherm. Gegijzeld door Hostiles. In jaren niet zo’n indrukwekkende film gezien. Stel je in op een heftige thematiek en indringend beeldmateriaal. Maar dat offer loont, wat heet. En opdat je niet a priori afhaakt, is het wijs om te vermelden dat verzoening de grondtoon van deze sublieme western is. Verzoening en heling tussen de rivalen Joseph (Joe) en chief Yellow Hawk. “Kijk niet achterom, mijn vriend. Ga op een goede manier. Een stuk van mij gaat met jou dood.”

Hostiles is de welhaast gedwongen verzoening met de dood, zijnde een logisch gevolg van de repressie waar de film je op niet mis te verstane wijze mee confronteert. De beginscène, een kerf in je ziel, is exemplarisch voor die repressie. Voor de blinde nijd waarmee die gepaard gaat. Een waarschuwing voor de heftigheid van de beelden is op zijn plaats. Niet voor niets begint de film met de voorspellende woorden van de Britse schrijver en globetrotter D.H. Lawrence: “The essential American soul is hard, isolate, stoic, and a killer. It has never yet melted.”

De bloedige (en ook spannende) ouverture van Hostiles is niet los te zien van de scène die volgt. Joe zit daarin op zijn paard. Stoïcijns overziet hij het gebeuren waarbij een indiaan het slachtoffer is van een sadistisch spel. Een vertwijfeld snikkende vrouw en haar kind kijken machteloos toe. Hierop werpt Joe’s collega Thomas Metz zijn baas voorzichtig een bedenkelijke blik toe. Haat transformeert de mens tot een beestachtig creatuur, luidt Coopers pregnante boodschap met de twee scènes die overduidelijk elkaars spiegelbeeld zijn.

Ik noemde Thomas Metz (Tommy) al even, heel mooi gespeeld door Rory Cochrane. Het heilige vuur is dovende in de fors bebaarde soldaat met de melancholische blik. Metz is het meest doorleefde personage in Hostiles, omdat de morele ontkoppeling hem zwaar valt. Steeds zwaarder valt. Machtig is de scène waarin hij, bij stromende regen, Joe bekent niets meer te voelen. Waarna hij zich naar de tent van chief Yellow Hawk begeeft en, op zijn knieën, hem om vergiffenis vraagt voor het onbeschrijflijke leed dat de indianen is aangedaan.

Van een knagend geweten heeft de geharde Joe Blocker weinig last, in het begin dan. Christian Bale is vorstelijk goed als een in zichzelf gekeerde leider met een versteende woede. Een man met een “war bag of reasons” om indianen hartgrondig te haten. Joe, aandachtig lezer van Julius Caesars Commentarii de bello Gallico, smijt niet met woorden (alsof zijn weelderige snor als een slot op de deur fungeert), maar precies die eigenschap maakt dat men vertrouwt op zijn inzichten, dat zijn droge bevelen zonder tegensputteren worden opgevolgd. Significant moment in de film is zijn ontmoeting met de getraumatiseerde Rosalee; een onvergetelijke scène in een zwartgeblakerd decor. Waarna de krijger van beton ook andere kanten van zichzelf toont: empathie, zachtheid, in tranen gegoten verdriet.

“Een groot mens heeft twee harten”, stelde schrijver en mysticus Kahlil Gibran. “Het ene bloedt en het andere verdraagt.” Rosalee Quaid is zo’n mens. Compleet gebroken werpt de jonge vrouw zich desalniettemin op als een bruggenbouwer. Ze is de heks (in de goede zin van het woord) die in een arena vol dood en verderf een veiliger klimaat schept, zodat ruimte ontstaat voor een vleugje echt contact tussen het bonte ensemble verwonde zielen. Rosalee weet mensen met elkaar te verbinden, en ze doet dat vooral woordeloos. Subtiel. Symbolisch startschot van dit proces is de jurk die ze cadeau krijgt van een van de indiaanse vrouwen.

Een hyperpatriarchaal systeem waarbinnen de vrouw opstaat: Rosalee is in zekere zin de redder van Joe, tegelijkertijd realiseert ze haar eigen ‘opstanding’. Rosamund Pike (1979) staat na Hostiles in mijn filmgeheugen gegrift; ze heeft er een vaste plek in de ereloge. Mijn hemel, wat speelt de Britse actrice fantastisch. Alsof je eigen leven acuut op het spel staat, zo voelt het wanneer Rosalee in de openingsscène op het nippertje uit het gezichtsveld van een moordlustige ‘roodhuid’ weet te blijven. Later moet ik slikken bij de wanhopige, van pijn doortrokken huilkreet die ze slaakt als het haar niet lukt eigenhandig een gat in de grond te graven. En wat denkt u van de slotscène, wanneer ze afscheid neemt van Joe? My god.

Never Goodbye is de titel van het prachtige stuk muziek in die slotscène. Wat betreft de soundtrack in zijn geheel: niet eerder registreerde mijn oren noten zó schoon. Behalve Oscars voor Bale en Pike had de uit een klassieke muziekschool afkomstige componist Max Richter ook een beeldje verdiend. Hij kreeg hem dus niet. Een heus standbeeld dan maar? Voor de hele crew welteverstaan. Ook vanwege het knappe camerawerk en een belichting à la The Revenant (2015). Die twee elementen dragen in hoge mate bij aan de beleving. Je zit niet zomaar naar een filmpje te kijken, Hostiles is zélf de dorre binnenlanden van West-Amerika ervaren. Is kruitdampen ruiken, kogels voelen, bloed proeven. Afzien en janken. Een existentialistisch gevecht dat je sprakeloos achterlaat.