Regie: James Cameron | Duur: 140 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Bij het schrijven over The Abyss moest ik denken aan een ander citaat dan waar de film mee begint, namelijk aan de woorden van de jonge Cole Sear in de geheimzinnige thriller The Sixth Sense (1999): “De profundis clamo ad te, Domine.” Cole’s smeekbede komt uit Psalm 130 en verwijst, met enige fantasie, naar de plek waar The Abyss zich afspeelt. De film van regisseur James Cameron kreeg vier Oscarnominaties. De filmpers was echter niet overdreven enthousiast: de metascore van slechts 6,2 is mijns inziens een regelrechte belediging aan het adres van de crew.

De bemanning van een booreiland wordt gevraagd te assisteren bij de berging van een Amerikaanse nucleaire onderzeeër die onder mysterieuze omstandigheden is gezonken. Terwijl men boven water vreest voor een escalatie van het incident tussen Amerika en Rusland, daalt een groep boorlieden onder leiding van hun voorman Bud Brigman (Ed Harris) af naar de diepste spelonken van de oceaan. Daar merken ze tot hun schrik dat ze niet alleen zijn.

Wat was, geopolitiek gezien, de wereld vroeger toch een relatief overzichtelijk oord, nietwaar? Een schaakbord met daarop twee grootmachten die elkaar decennialang in een houtgreep hielden, wat een era van gespannen rust opleverde. The Abyss speelt zich af tijdens de laatste stuiptrekkingen van de Koude Oorlog. Aan het einde van de film krijgt de kijker evenwel een ongemakkelijk lesje historisch besef: we maken er een zooitje van, wat meer vredelievendheid zou dus fijn zijn. Maar kennelijk moeten we diep zakken eer dat besef indaalt.

En diep zakken doen ze, Bud en zijn collega’s. Waarbij de problemen zich opstapelen. Orkaan Fred gaat vreselijk tekeer en bovendien telt het schip meerdere kapiteins. SEAL-luitenant Coffey (Michael Biehn) voert het bevel over de reddingsoperatie, maar de rigide engerd heeft geen kaas gegeten van goed communiceren. Daarnaast komt tot Buds afschuw zijn ex-vrouw Lindsey (Mary Elizabeth Mastrantonio) langs om een en ander in goede banen te leiden, en net als Coffey duldt ze weinig tegenspraak. De spanningen lopen nog verder op als een van de boorlieden op een levensvorm stuit die hem de stuipen op het lijf jaagt.

Dijk van een cast, ijzersterk acteerwerk. Behalve Harris, Mastrantonio en Biehn zijn er heerlijke bijrollen van Leo Burmester (als de robuuste ‘Catfish’) en Todd Graff (als ‘Rat boy’, de grapjas van het stel). The Abyss is een beetje de onderwatervariant van Twister (1996), waarin een kleurrijke verzameling weerpiraten als jonge honden de woeste weergoden trotseren. Ze beginnen als goede collega’s en eindigen als dikke vrienden, dankzij een ‘close encounter’ in de ijskoude diepzee. Met de vijand? Coffey denkt van wel. “You have to look with better eyes than that”, raakt Lindsey aan de essentie van de film.

Visueel is The Abyss een knap staaltje vakmanschap, ik kom daar later op terug. Nu eerst een paar woorden over het liefdesdrama dat de film ook is. Bud en Lindsey zijn niet voor elkaar bestemd, dat is na een half uur hartstochtelijk gekibbel wel duidelijk. Bud koestert gevoelens (meneer draagt nog altijd zijn trouwring), maar kan haar tegelijkertijd wel schieten. Lindsey is op haar beurt zeer kil naar Bud. Alsof hij in haar hoofd en hart al lang voltooid verleden tijd is. Not. Onder hoge druk wordt immers alles vloeibaar, dus ook vastgeroeste haatgevoelens tussen twee kemphanen, ooit tortelduifjes.

De liefde en de dood. Wat als die twee universele ‘grootmachten’ oog in oog staan? In een reeks van bloedstollende gebeurtenissen waaruit de film bestaat, is er één segment die het verdient om in een filmencyclopedie opgenomen te worden. In het voorwoord ervan. Een scène die Harris en Mastrantonio een Oscar had moeten opleveren. Waarin Bud tot het uiterste moet gaan om zijn Lindsey, waar hij even daarvoor afscheid van heeft moeten nemen, weer terug te halen. Bekijk hier wat Martin Koolhoven zegt (fraaie analyse) over een scène waarin Mastrantonio rake klappen krijgt te verduren.

Tien miljoen gallon, wat neerkomt op zo’n 38 miljoen liter. Dat was de hoeveelheid water die nodig was om de twee tanks te vullen die dienst deden als filmset. De tanks waren onderdeel van een kerncentrale in de buurt van Gaffney (South Carolina), een energieproject dat begin jaren 80 om budgettaire redenen strandde. Ene Earl Owensby kocht vervolgens in januari 1986 de vervallen tanks op en toverde ze om tot een filmstudio. Behalve in de reuzentobbes van Gaffney filmde men ook in Missouri, waar zich ‘s werelds grootste onderwatermeer bevindt, een met regen- en bronwater volgelopen ex-loodmijn.

Help, ik word in een bierblikje gepropt! The Abyss doet mij het überclaustrofobische Das Boot (1981) herbeleven. Dat is vooral te danken aan de vaste hand van de Deense cinematograaf Mikael Salomon, terecht onderscheiden met een Oscarnominatie. Het meer technisch getinte, visuele ‘geweld’ komt op naam van een kwartet heren: Dennis Skotak, John Bruno, Hoyt Yeatman en Dennis Muren. Gezamenlijk ontvingen ze de Oscar voor de Beste Visuele Effecten. Onthoud vooral Dennis Muren, een pionier op dit gebied en verzamelaar van Oscars (hij won er 6). Het digitale hoogtepunt van The Abyss is zonder twijfel het watertentakel waarvan het uiteinde het gezicht van Lindsey en Bud aanneemt.

Werkweken van 70 uur, zes maanden aan een stuk. “Dit nóóit meer”, zei Cameron na de voltooiing van zijn sciencefictiondrama The Abyss, een kletsnat spektakelstuk dat je de adem beneemt. Het moet een van de zwaarste filmklussen ooit zijn geweest. Filmen óp water is al afzien geblazen, laat staan eronder. “When you look into an abyss, the abyss also looks into you,” leren we van Friedrich Nietzsche aan het begin van de film. The Abyss is een in de vergetelheid geraakt meesterwerk dat ten diepste draait om de manier van kijken – hoe je kijkt bepaalt immers wat je ziet – en waarin uiteindelijk de liefde komt bovendrijven.

Regie: Eskil Vogt | Duur: 117 minuten | Taal: Noors | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Wat een kutkind zeg, Ida. En de jonge dame is niet de enige die een pak rammel verdient in The Innocents, een film die je een unheimisch gevoel bezorgt. De weg daarnaartoe wordt listig geplaveid door om te beginnen de Noorse scenarist-regisseur Eskil Vogt, vorig jaar nog onderscheiden met een Oscarnominatie voor het script van The Worst Person in the World (2021). Ontzettend goed zijn de optredens van alle vier de kinderen in The Innocents. Verder is het camerawerk een lust voor het oog, en het sound design een lust voor het oor.

De negenjarige Ida (Rakel Lenora Fløttum) verhuist met haar ouders en autistische zus Anna (Alva Brynsmo Ramstad) naar een buitenwijk van Oslo. In de directe omgeving ervan maakt ze kennis met twee andere kinderen: Ben (Sam Ashraf) en de zachtaardige Aisha (Mina Yasmin Bremseth Asheim). Beiden blijken over speciale gaven te beschikken. Steeds vaker gaan Ida en Anna naar buiten om met hen te spelen, maar hun aanvankelijk onschuldige pret krijgt meer en meer een duister karakter.

Het hallucinante Midsommar (2019) en het unieke vampierdrama Let the Right One In (2008): van beide werken (een must voor een beetje cultfanaat) zit een mespuntje in The Innocents. Telkens valt op hoe betrekkelijk weinig Scandinavische filmmakers nodig hebben voor prikkelende cinema. Dat geldt ook voor The Innocents, waarin de kijker op vileine wijze het kinderbrein wordt ingeleid. En wat blijkt? Het onschuldige kind is een mythe. De openingsscène, met hypnotische, Midsommar-achtige muziek, licht reeds een tipje van die sluier op.

Als jong kind je draai zien te vinden in een onbekende leefomgeving is natuurlijk niet gemakkelijk. Daar komt bij dat Ida’s nieuwe habitat niet erg sprankelend is – ziehier een parallel met Let the Right One In. Het kleurloze appartementencomplex heeft men getracht wat op te leuken met de aanleg van een ondiepe plas water en een speeltuin, maar ook bij hoogzomer (wat het in de film is) nodigt het geheel niet uit tot de meest dolle avonturen. Een kinderhand is echter snel gevuld: Ida ontmoet in de oudere Ben een, zo lijkt het althans, vriendelijke jongen die haar een beetje wegwijs maakt.

Het (samen)spel van het kwartet kids is verbluffend. Het koude zweet breekt je bij momenten uit. Dat komt vooral door Sam Ashraf, die de minst benijdenswaardige rol heeft. Het joch acteert eng goed. Bens telekinetische krachten doen in eerste instantie vrij onschuldig aan, maar aan alles voel je dat hij niet pluis is. Een psychopaat in een jong jasje. Die de grens steeds verlegt. Zijn mentale kracht is namelijk zo sterk dat hij in staat is om andere mensen dingen te laten doen. En daarbij is de onschuld ver te zoeken. Ida, naïef en nieuwsgierig in het begin, komt in het vervolg echter serieus in opstand tegen Ben.

Een boosaardig vriendje, en dan ook nog een grote zus die veel aandacht vraagt. Ida moet haar continu in de gaten houden. Anna’s handicap is dat ze zich niet begrijpelijk kan uiten. Uit haar openstaande mond ontsnapt louter gemummel. Twee glazige ogen in een scheef koppie kijken daarbij vooral weg van de wereld. Om te janken zijn de kleren waarin ze is gehesen. Heeft mama die zelf gemaakt? Van lappen stof gekocht op een Bulgaarse rommelmarkt? Arm kind. Ook haar kapsel is zo dood als een pier. Alva Brynsmo Ramstad speelt voortreffelijk, maar ze hebben er wel álles aan gedaan om de sprietige meid suffer dan suf neer te zetten.

Ben is het gezicht van het kwaad in The Innocents, Aisha is de ‘Goede Fee’. Een soort mini-gebedsgenezeres. Mina Yasmin Bremseth Asheim speelt een sleutelrol in de film. Aisha is helderhorend en –voelend en gaat de strijd aan met ‘Boze Ben’. Daarbij werkt ze samen met, jawel, Anna. De spriet bungelt er lange tijd maar wat bij; ze dwingt vooral medeleven af en lijkt geen rol van betekenis te spelen. Niets is minder waar. Achter haar autistische pantser gebeurt verrassend veel. Met hulp van Aisha (communicatief gezien vormen zij en Anna een ‘twee-onder-een-kap’) brengt Anna haar moeder van blijdschap tot tranen. Maar lukt het de tandem ook om Ben op de knieën te krijgen?

Typische horrortaferelen biedt The Innocents niet. Pessi Levanto, de Finse componist van de mystieke soundtrack (digitaal bewerkte muziek van akoestische instrumenten, bijzonder knap gedaan) noemt Vogts werk een ‘Scandinavische arthousethriller’. Kan ik me prima in vinden. Het is fijnzinnige cinema, ingetogen. Wat met name blijkt uit de positie van de camera: die is steeds precies goed. Geen bruuske bewegingen, maar doordacht in- en uitzoomen. Kloppende close-ups. Met de lens dringt Sturla Brandth Grøvlen zo door tot in het binnenste van de vier kinderen, hun belevingswereld. Geen kinderspel hoor, die wereld.

Regie: Sofia Coppola | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

De in het bos gevonden schat blijkt thuis lastig te verdelen. Het gaat dan ook niet om een kist vol gouden munten, maar om een schat met gehavende kleren en een beginnende baard. The Beguiled is een psychologisch drama van Oscarwinnares Sofia Coppola waarin de rollen tussen de seksen voor de verandering zijn omgedraaid: niet de vrouw maar de man is het object van begeerte. Coppola’s film is een remake van Don Siegels The Beguiled uit 1971. Beide films zijn gebaseerd op de roman A Painted Devil van Thomas P. Cullinan uit 1966.

Het verhaal speelt zich af in 1864, het derde jaar van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het meisjesinternaat Farnsworth in Virginia is door de oorlog uitgedund; alle slaven zijn er vertrokken, de meeste meisjes en docenten ook. Miss Martha (Nicole Kidman), Miss Edwina Morrow (Kirsten Dunst) en vijf meisjes zijn de enig overgeblevenen. Op een dag stuit de jonge Miss Amy in het bos op de gewonde korporaal John McBurney (Colin Farrell). Zijn entree op Farnsworth zet de verhoudingen tussen de dames flink op scherp.

Er is een wezenlijk verschil tussen Siegels The Beguiled en Coppola’s The Beguiled. Siegel laat ons door de ogen van McBurney (Clint Eastwood) kijken, Coppola biedt een waaier aan perspectieven door de gebeurtenissen vanuit de vrouw te vertellen. Interessant is verder dat de ontwikkelingen in The Beguiled het gelijk van de Franse antropoloog René Girard (1923-2015) bewijzen. Zijn kernbegrip is de mimesis, wat imitatie betekent. Samengevat stelt Girard dat het menselijk verlangen meer is dan een rechte lijn tussen subject en object; we verlangen vooral wat anderen verlangen. Concurrentie ligt dan op de loer.

De omstandigheden in The Beguiled spelen concurrentie in de kaart. Het bestaan op Farnsworth is sober, voorspelbaar. Met de oorlog op de drempel van hun bestaan (in de verte zijn doffe dreunen te horen), houden de vrouwen zich zo veel mogelijk schuil en koest. Taken zijn er daarbij te over. De jonge dames helpen in de keuken of werken in de tuin. En zo niet, dan krijgen ze les van Miss Morrow of moeten ze (leren) naaien en borduren. Daarnaast moet er op vaste tijdstippen gebeden worden. Bijna voelt het internaat aan als een gevangenis; dat het kolossale ‘huis van bewaring’ is omgeven door dicht loofhout, versterkt dit gegeven.

Maar zie, als donderslag bij heldere hemel is daar het object. En niet zo’n verkeerd object ook. Een aantrekkelijke man, die bovendien ernstig verlegen zit om medische zorg vanwege een diepe vleeswond. McBurney vormt dus geen direct gevaar, maar als soldaat van de Unie (verbond van noordelijke staten) bevindt de Yankee zich in het zuidelijker gelegen Virginia wel op vijandelijk terrein. Was hij er in mannenhanden beland, dan had hem zonder twijfel de strop gewacht. Farnsworth is wat dat betreft een warm (vrouwen)bad, toch?

Nou, zo warm is het daar niet. De vrouw des huizes (Miss Martha) maakt McBurney direct duidelijk dat zijn aanwezigheid niet gewenst is. Kidman is voortreffelijk, as cold as ice. Miss Martha heeft de regie in Farnsworth stevig in handen, de overige dames voegen zich tamelijk gedwee naar haar wil. Niet te missen zijn haar priemende ogen, geaccentueerd door dik aangezette wenkbrauwen: ze is als een moederarend die niets ontgaat, die haar nest streng bewaakt. Met een groeiend wantrouwen stelt ze dan ook vast welk effect John heeft op haar ‘jongen’. Zorgelijker: welk effect John heeft op háár.

Want ze zegt weliswaar tegen de korporaal dat hij niet welkom is, maar tot twee keer toe (wanneer de eigen soldaten Farnsworth aandoen) spaart ze hem. Miss Martha is dus niet van steen; ook zij begeert hem. Heel stiekem. Veel minder diplomatiek gaat de rebelse Miss Alicia (Elle Fanning, geknipt voor deze rol) te werk. De oudste van de vijf meiden, die zich stierlijk verveelt, toont zich een ware verleidster. Ook speelt ze een centrale rol in dé gebeurtenis van de film, die tragisch genoeg het einde betekent aan de oprechte droom van de derde partij in het spel om de gunst van McBurney: Miss Edwina Morrow.

We verlangen vooral wat anderen verlangen, aldus René Girard. Zeker als het object van verlangen niet in ruime mate voorhanden is. Schaarste werkt als een rode lap op een stier. In The Beguiled is dat het geval. Alle dames willen bij John in de smaak vallen en zetten daartoe hun beste beentje voor. Eén object, meerdere subjecten. Dus hevige concurrentie; de lap in The Beguiled kleurt donkerrood. De dames houden elkaar in de gaten, proberen elkaar de loef af te steken. Exemplarisch zijn de reacties op Johns compliment voor de lekkere appeltaart: elk van de vrouwen wil een aandeel hebben in dat succes.

De niet nader te noemen gebeurtenis in The Beguiled zet Farnsworth nog meer op zijn kop. Erna laat John de charmeur (met al die vrouwen waant hij zich logischerwijs in het walhalla) zich van een lelijke kant zien. Dat hij helaas valt voor de verleiding en in de persoon van Miss Edwina Morrow niet kiest voor de echte liefde, is nog tot daar aan toe. Maar het beetje sympathie dat ik nog voor hem had, verdwijnt in het laatste halfuur als sneeuw voor de zon. Overtuigend acteerwerk van Farrell, dat wel, als een man wiens ego wel een prothese kan gebruiken.

De veelzijdigheid van de vrouw, dat is wat The Beguiled laat zien. Haar (ver)zorgende natuur enerzijds, het jaloerse loeder anderzijds. En de sadistische bitch, want als het hun tegen het einde van de film duidelijk is geworden dat het tot voor kort begeerde object een gevaar blijkt, sluiten de dames onder leiding van Miss Martha pijlsnel de gelederen. Dat gebeurt wel buiten de in stilte hunkerende Edwina om; zij is feitelijk het enige personage dat compassie verdient. Dat de liefde aldus aan het kortste eind trekt, maakt dat The Beguiled mij een wat zure nasmaak bezorgt.

 

Regie: Kathryn Bigelow | Duur: 131 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Daar liggen de twee mannen, zij aan zij in het zand. In de waanzin beland voor volk en vaderland. De een bedient een scherpschuttersgeweer, de ander tuurt door een verrekijker. Ze liggen onder vuur, dus bij de les blijven is van levensbelang, hoe zwaar de condities ook zijn. Ondertussen heeft Owen andere zorgen. Hij moet kogels van bloedspetters ontdoen, anders laadt het geweer niet door en valt er weinig terug te schieten. Maar het lukt hem niet. Teamleider William spreekt hierop bemoedigend op Owen in, die zijn emoties maar nauwelijks de baas is. Het surrealisme in deze scène uit The Hurt Locker, veruit de beste van de film, krijgt plots een poëtisch tintje: door de fijnzinnige muziek, een stuiterende kogelhuls in slow motion en het shot van een stofhoosje.

Oorlogsfilms zijn niet echt mijn cup of tea, maar The Hurt Locker blies me compleet weg. Het indringende drama is gebaseerd op de observaties van de Amerikaanse journalist Mark Boal gedurende de Irakoorlog. Boal schreef tevens het met een Oscar onderscheiden script voor de film. Het is een van de in totaal 125 (!) prijzen die de film van Kathryn Bigelow in de wacht sleepte. Bigelow, over The Hurt Locker: “War’s dirty little secret is that some men love it.” Wellicht, maar die medaille heeft een gitzwarte keerzijde.

Bagdad, 2004. Sergeant William James (Jeremy Renner) staat aan het hoofd van een groepje Amerikaanse elitesoldaten die de ondankbare taak hebben om explosieven onschadelijk te maken. William (Will) gaat hierbij naar eigen inzicht te werk en wekt de indruk dat de dood hem koud laat. Bovendien communiceert hij gebrekkig. Hierdoor brengt hij zijn twee directe collega’s, sergeant JT Sandborn (Anthony Mackie) en soldaat Owen Eldrigde (Brian Geraghty), regelmatig in verlegenheid. En in gevaar.

De eerste minuten van The Hurt Locker zijn al direct meeslepend. Bigelow kwakt je namelijk zonder pardon neer in het strijdperk (het decor is een straat in Bagdad). De beelden vechten als het ware om voorrang: een robotautootje is op weg naar een tussen het zwerfafval verstopte bom, legervoertuigen snellen toe, militairen zetten in allerijl straten af, inwoners maken zich uit de voeten. Opgewonden stemmen, geschreeuw. Het luchtalarm klinkt. Sirenes gaan af. Toeterende auto’s. Een straaljager scheurt de hemel aan stukken.

Kijk je door een puur technische bril naar The Hurt Locker, dan kun je niet om de handheld cameravoering en de (geluids)montage heen. Vanaf het eerste moment zorgen die twee voor een soort audiovisuele wurggreep. Talrijke cuts en de waaier aan shots (de focus wisselt voortdurend) genereren een drukkende spanning; de actie zelf is bijna van ondergeschikt belang. De gebeurtenissen doen levensecht aan; The Hurt Locker is een tikkende tijdbom in documentairestijl. Dat is voor het grootste deel te danken aan het scherpe oog van cameraman Barry Ackroyd en de excellente montage van Bob Murawski en Chris Innis.

Een knettergoed filmkader dus, en daarbij is het spel uitstekend. Jeremy Renner weet de meeste ogen op zich gericht. Het lijkt niet tot voorman Will door te dringen dat hij ieder moment het loodje kan leggen. Heeft hij het angstgen niet? Of is-ie gewoon een dwaas? Achteloos trekt de durfal het ontmijningspak aan en keer op keer haalt hij de ‘angel’ uit allerlei bommen en granaten. Op zeker moment gaat hij nog een stap verder door zonder bompak in een auto met een kofferbak vol springstof te stappen. “Als ik toch sterf, dan comfortabel.”

Maar Sanborn, tijdens hun eerste missie al niet gediend van Wills optreden, laat hem pal na die stunt duidelijk voelen dat wat hem betreft de grens is bereikt. Meermaals betwist Sanborn het (tactische) inzicht van Will. Vrienden zijn de heren dan ook niet, maar ze tekenen wel voor de meest intieme dialoog uit de film. “Weet jij waarom ik ben zoals ik ben?” vraagt Will aan Sanborn wanneer ze terugkeren van de zoveelste kloteklus. Ze zien er niet uit. Vies, bezweet, onder het bloed. Geknakt.“I fucking hate this place,” zegt Sanborn, die vervolgens toevoegt dat hij klaar is om te sterven. Daar zitten ze dan, de twee mannen die zij aan zij lagen in het zand.

Sanborn is min of meer gelijkwaardig aan Will. Hij durft op te staan tegen zijn baas. Owen daarentegen, de laagste in rank, lijkt zogezegd per ongeluk in een militair uniform terecht te zijn gekomen. De knul is volgzaam, ook omdat hij wat onzeker is. “Moet ik vuren?” Hij is compleet overstuur nadat kolonel John Cambridge (“doc”) op een bermbom is gestapt. En dat terwijl die zich had aangemeld om eens van dichtbij een dag ‘in de zandbak’ mee te maken; dat bureauwerk komt je op den duur ook de keel uit. Was het niet uitgerekend Owen die doc had verweten geen flauw benul te hebben hoe het een soldaat aan het front vergaat?

Oorlog is een cynische roulette, The Hurt Locker is daar het overweldigende bewijs voor. Sanborn zit mentaal stuk en Owen neemt kermend van de pijn afscheid van een oord waar stervelingen niets te zoeken hebben. En Will? Die voelt zich juist verloren als hij weer thuis is. In de supermarkt (voorlaatste scène) duwt hij verveeld een winkelwagentje voor zich uit. Met een blik alsof zijn speeltje is afgepakt. “The rush of battle is often een potent and lethal addiction, for war is a drug.” Dat is Will aan te zien, want hij lijkt in zijn sas wanneer hij de roulette vervolgt in dienst van de Delta Compagnie. Ik vind het een ietwat triomfantelijk slot aan een film over een militaire interventie waar Amerika zich kapot voor moet schamen.

Regie: Jan de Bont | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Stormachtige ontwikkelingen in Twister van Jan de Bont (1943), die geruime tijd cameraman was alvorens hij in Hollywood als regisseur succesvol debuteerde met Speed (1994). En ook Twister, twee jaar later, werd lovend ontvangen door zowel filmcritici als het grote publiek. Vooral vanwege de fraaie special effects. Staan die nog steeds overeind, nu vijfentwintig jaar later? Jazeker! Wat beslist niet overeind blijft staan in de film: alles wat onderhevig is aan harde wind.

Bill Harding (Bill Paxton) en zijn vrouw Jo (Helen Hunt) zijn twee tornadojagers die in scheiding liggen; een handtekening van Jo onder de scheidingspapieren is de laatste formaliteit die vereist is. Hiertoe gaat Bill, vergezeld van zijn nieuwe vriendin Melissa (Jami Gertz), langs bij Jo. Maar eenmaal ter plekke (Tornado Alley vormt het hart van de actie in Twister) slaat het weer om en worden Bill en Melissa meegezogen in een rits spectaculaire gebeurtenissen.

Je hoeft Twister niet te kijken omdat het verhaal nou zo geweldig is; het plot is nogal ‘cheesy’. Maar waarom blijft deze ‘goedkope’ prent mij dan toch boeien, keer op keer? In eerste instantie omdat ik extreem weer (onweer vooral) fascinerend vind. Nooit zal ik vergeten hoe nietig dit mannetje zich voelde toen op een druilerige novemberavond in 1983 de bliksem voor zijn ogen insloeg. Wat een licht, wat een klap. Niet te filmen. Twister doet me aan die tijd denken. “Those were the days”, zei mijn vader dikwijls over de tijden waar híj wel eens naar terugverlangde.

Mijn nostalgie dikt aan door de aanwezigheid van een tweetal acteurs die inmiddels niet meer onder ons zijn. Twee heren waar ik een zwak voor heb. Bill Paxton overleed in 2017 (61) en Philip Seymour Hoffman in 2014, slechts 46 jaar oud. In Twister zien we de nog jonge Seymour Hoffman als Dusty. Een heerlijke bijrol. Hij krijgt van De Bont alle gelegenheid om de nar van het sowieso kleurrijke gezelschap tornadojagers te spelen. De Suck Zone, legt Dusty bloedserieus aan Melissa uit, is de plek waar de tornado je opzuigt. Weet u dat alvast.

De passie, bijna bezetenheid, van het stel tornadojagers (prima casting) is bijzonder aanstekelijk. Dusty is de leukste, maar ook Alan Ruck (‘Rabbit’) doet een kleine doch fijne duit in het zakje. Hij is de navigator van het rock-‘n-roll-ensemble. “Roll the maps”, dicteert hij collega Sanders die de kaarten juist constant (op)vouwt. En aan kop van het zooitje weerpiraten staan twee kemphanen: Jo en Bill. Constant vliegen de bijna-exen elkaar in de haren. De chemie tussen de kissebissende kleuters kietelt vooral de lachspieren; erg diepzinnig wordt het allemaal niet. Alhoewel Jo wel met een trauma heeft af te rekenen, getuige de heftige openingsscène van Twister.

Twister is een tikkeltje platvloerse, maar charmante ode aan de begeestering. Mocht je weinig of niets hebben met rampenfilms, weet dan dat er in ieder geval zat te lachen valt. Om Dusty dus, maar ook om dr. Melissa Reeves. In de ogen van Hyacinth Bouquet zal ze vast de ideale schoondochter zijn, maar wat de keurige vruchtbaarheidstherapeute in het ruige Twister te zoeken heeft? Raadselachtig. Heel ‘vruchtbaar’ is haar bijdrage niet. Hetzelfde geldt voor Bill’s tegenstrever Jonas Miller (Cary Elwes). De poenige gladjanus bestudeert ook tornado’s, wil Bill te slim af zijn, maar betaalt uiteindelijk een hoge prijs voor zijn arrogantie.

Verre van ‘cheesy’ in de film zijn de special effects; de Oscarnominatie hiervoor kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Echter, Twister legde het in die categorie af tegen de enkele maanden later verschijnende blockbuster Independence Day. Dat neemt niet weg dat de scène waarin een drive-inbioscoop door een tornado aan stukken wordt gescheurd ronduit fantastisch is. Temeer omdat op dat moment The Shining (1980) van Stanley Kubrick wordt vertoond. Bulderende winden en een manisch hakkende Jack Nicholson op het witte doek: prachtig! Vijfentwintig jaar na zijn release is Twister nog altijd wervelend popcornamusement.

 

Regie: John Krasinski | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

John Krasinski keert terug als acteur in A Quiet Place Part II. Het is een kortstondig optreden van de man die ook weer de regie in handen heeft, want zijn personage (Lee Abbott) sterft in A Quiet Place (2018) een heldhaftige dood. Hoe hij dan toch van de partij kan zijn? Omdat deze sequel begint met dag 1, terwijl deel 1 met dag 89 opent. Deel 2 start met de dag waarop de aliens de aardbol aandoen. En dat gaat bepaald niet geruisloos.

Daarmee tapt dit vervolg direct uit een ander vaatje: binnen 5 minuten is de chaos namelijk compleet. Voordeel is dat je wordt meegezogen in het verhaal. Maar waar het nu direct ‘even Apeldoorn bellen’ geblazen is, duurt het in de eerste film feitelijk tot de slotscène eer de scherphorende wezens zich in vol ornaat tonen. Het gemis van zo’n lange, onheilspellende aanloop is de voornaamste reden dat part II minder intrigeert dan het eerste deel.

Na ongeveer 15 minuten behoren de gebeurtenissen van dag 1 tot het verleden en gaat het verhaal verder waar deel 1 eindigde: in het huis van de Abbotts. Al snel verplaatst het decor zich vervolgens, want het tot vier leden gereduceerde gezin (moeder Evelyn, haar baby en haar twee kinderen Regan en Marcus) besluiten hun heil elders te zoeken. Maar uiteraard zit het buitenaardse geboefte hen binnen de kortste keren op de hielen. Waarmee deel 2 zich ontvouwt tot een soort kat-en-muisspel, terwijl het in deel 1 vooral ging om ‘verstoppertje spelen’.

Cillian Murphy (als Emmett) vervangt in zekere zin de weggevallen Krasinski, maar Emmett is niet te vergelijken met Lee. Murphy vertolkt geen vaderfiguur, eerder een zwerver die Evelyn en haar kroost tijdelijk duldt in het hol waar hij zit ondergedoken. Wanneer Regan een list bedenkt om de aliens te slim af te zijn, vangt ze dan ook bot bij Emmett. Dan maar alleen op pad, denkt de dappere dame. De parallel met deel 1 is evident: ook nu valt het gezin uit elkaar, maar dat gegeven voelt beduidend minder dramatisch aan omdat de emotionele band tussen Emmett en de Abbotts afwezig is. Emmett is een bange zeur, niet de liefhebbende vader die Lee was.

Murphy’s spel is oké, maar meer ook niet. Emily Blunt (Evelyn), Millicent Simmonds (Regan) en Noah Jupe (Marcus) zijn daarentegen wel ‘eyecatchers’. Blunt doet haar geweldige spel in deel 1 nog eens dunnetjes over. En Simmonds, als kind reeds doof door een overdosis medicatie, staat nu meer centraal dan in de eerste film, maar ze betaalt die eer ruimschoots terug. Knap wat de jonge actrice laat zien in een rol die aan Lee doet denken: die van het krachtige gezinshoofd. Het is dankzij een een-tweetje tussen haar en Marcus, op het einde van de film, dat de wezens het nakijken hebben. Voorlopig dan, want deel 3 zit in de pijplijn.

Héél stil ben ik niet van A Quiet Place Part II. De film zal je niet bijblijven vanwege het plot, noch door de ontknoping ervan (die een belletje doet rinkelen). Maar ga toch naar de bios, want er is genoeg moois te zien. Goed acteerwerk, een paar knetterende jump scares en ook de locaties spreken tot de verbeelding. Een krakend huis, weggestopt tussen de maïsvelden, werkte al prima. Maar het sinistere decor waar de arme Abbotts dit keer terechtkomen? Brr.

 

Regie: Sean Penn | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Het pakkende The Pledge van Sean Penn is gebaseerd op de roman Das Versprechen (1958) van schrijver Friedrich Dürrenmatt. De film was in de race voor de Gouden Palm op het Filmfestival van Cannes in 2001. Het is cinema van de oude stempel: een langzaam ontvouwend plot en sterke vertolkingen. We zien Jack Nicholson schitteren in de hoofdrol, maar ook de bijrollen (twee in het bijzonder) maken veel indruk. De muzikale dressing van Hans Zimmer en Klaus Badelt is bovendien om je vingers bij af te likken.

Politierechercheur Jerry Black (Nicholson) is slechts enkele uren verwijderd van zijn pensioen als in de omgeving van het in sneeuw gehulde Reno (Nevada) het levenloze, toegetakelde lichaam van een jong meisje wordt aangetroffen. De politie vat al snel de hoofdverdachte bij de kraag, maar die pleegt prompt zelfmoord. Zaak afgedaan? Niet voor Jerry. Met ziel en zaligheid stort hij zich op het misdrijf. Dit tot ergernis van zijn superieuren, die moeten toezien dat hij zijn plechtige belofte aan de moeder van het meisje bloedserieus neemt.

Ik begin met de dressing, de lekkerste druppel ervan. De film opent met een Jerry die de indruk wekt behoorlijk doorgedraaid te zijn. Je hoort het nummer The Angler, een combi van lichte snaarmuziek, percussie, piano en een hoge, zuivere vrouwenstem. Subtiel, mysterieus, onheilspellend. Er volgt een fade (trage beeldovergang), waarna duidelijk wordt wat een angler is: een hengelaar. Alsof Penn de kijker lanceert met de vraag: hoe eindigt hengelaar Jerry, dan nog in zijn element, twee uur later als een vis op het droge?

Het personage Jerry is op het lijf geschreven van drievoudig Oscarwinnaar Nicholson (1937), in wie ik sinds Wolf (1994) altijd een beetje die weerwolf ben blijven zien. IMDb vermeldt over hem: “Frequently works as a character with mental instability.” En inderdaad kruipt hij in The Pledge opnieuw in de huid van een labiel figuur. Jerry geniet autoriteit, maar heeft niet de clownsneus die Nicholson zijn personages vaak meegeeft. Jerry is ingetogen. Een observator. Hij slaat echter door in zijn obsessie om de dader te pakken. Belofte maakt schuld, is de overtuiging van de kettingrokende, celibatair levende bijna-pensionado. Maar daarbij overschrijdt hij in de tweede helft van de film wel een ethische grens.

Het is prettig om Nicholson rust te zien leggen in zijn optreden; het maakt de weg vrij voor anderen om ook hun kunsten te vertonen. Twee namen wil ik noemen, van acteurs die gezamenlijk amper tien filmminuten voor hun rekening nemen. Maar hoe knap is hun spel! De eerste is Mickey Rourke als James Olstad. Twintig jaar terug, toen ik The Pledge voor het eerst zag, blies Rourke mij met dat minirolletje van de bank. En nu weer. Zo ziet intens verdriet er dus uit. De tweede is Benicio Del Toro als Toby Jay Wadenah. Del Toro is bijna onherkenbaar als een geestelijk gehandicapte indiaan. Zijn voortreffelijke bijdrage had beloond moeten worden met een prijs, vind ik. Hij hield er slechts een nominatie voor de ALMA-award (Outstanding Supporting Actor in a Motion Picture) aan over.

Ook Chris Menges mag niet onbesproken blijven. De ervaren Brit (twee Oscars in zijn kast) verheft met de camera The Pledge tot een spannend schouwspel. Zijn kadrering is excellent. Een voorbeeld daarvan is het moment waarop het lichaam van het meisje wordt gevonden. Menges bouwt die sequentie meesterlijk op, vanuit het perspectief van een jongen wiens sneeuwscooter er plots mee ophoudt. Jammer alleen dat het afscheid van Jerry erdoorheen is gemonteerd. Heel treffend is ook zijn cameravoering als Jerry de ouders van het meisje het afschuwelijke nieuws moet brengen; let op het extreme long shot en de positie van de zwaailichten daarin.

Nicholson, Rourke, Del Toro. Maar ook Helen Mirrren, Aaron Eckhart, Sam Shepard, Vanessa Redgrave, Robin Wrigt Penn en zelfs een glimp van de inmiddels overleden Harry Dean Stanton: The Pledge schotelt u een respectabele dosis Hollywood voor. Een topcast in een geraffineerd gemaakte, lekker stroperig voortbewegende thriller met een donker randje. En waarin Penn durft af te wijken van de oer-Amerikaanse traditie die happy end heet.

 

Regie: Gustav Möller | Duur: 85 minuten | Taal: Deens | Kijkwijzer: AL

Camera

Ik raak maar niet uitgepraat over Den Skyldige. Een juweel, deze Scandinavische coproductie. Onthoud de volgende namen: Gustav Möller (regisseur), Jasper Spanning (camera) en last but not least: Jakob Cedergren. Laatstgenoemde zet een vertolking neer waar je stil van wordt – behalve ik dus. Goed, ik laat mijn pen aan het woord.

Cedergren speelt Asger Holm, een politieman die recent is overgeplaatst en nu vanuit een alarmcentrale telefonische oproepen beantwoordt. Niet bepaald een spectaculaire job, want de meeste noodkreten hebben weinig om het lijf. Maar dan krijgt Asger een zekere Iben Østergård (Jessica Dinnage) aan de lijn. De eerste woorden die deze jonge vrouw spreekt: “Hoi, liefje.”

“Hoi, liefje”? Een fractie van een tel meen ik beland te zijn in de verfilming van het kleffe liefdesrelaas van Bob en Bea uit de Margriet, maar nee. Gelukkig. Iben blijkt ontvoerd te zijn. Met enkel een telefoon als hulpmiddel begint Asger, plots weer bij de les als ware hij door een wesp gestoken, aan een zenuwslopende reddingsoperatie. Een reddingsoperatie die zich tevens ontvouwt als Asgers pad richting de verlossing. Daarover later meer.

Wat een fenomenaal regiedebuut van Gustav Möller (Göteborg, 1988). Den Skyldige is topcinema en dat ondanks de inzet van slechts minimale middelen. Eén personage, één locatie en een telefoon. Misschien moet ik herformuleren. Nee, niet misschien. Ik bedoel: het is topcinema dankzij de inzet van minimale middelen, niet ondanks. Het minimalisme (hier dus allerminst pejoratief bedoeld) maakt dat narratief en acteur één worden. Inrichten is vooral weglaten; dat geldt zeker voor de filmkunst. Möller heeft dat uitstekend begrepen.

Maar wat je wél belicht, moet de toeschouwer grijpen. In de eerste plaats is dat Jakob Cedergren (1973). De Zweedse acteur kan voor mij niet meer stuk. Asger Holm is een man met kopzorgen, dat is al snel duidelijk. Hij knijpt in een stressbal, lost even later een bruistablet op in een glas water. Aanvankelijk blijft de in gepeins verzonken ziel een mysterie, ondanks dat hij vanaf het begin het middelpunt van de actie is. En blijft. Jasper Spanning portretteert Asger met opzet van dichtbij en ‘peinst’ met hem mee. Vooral door secuur in en uit te zoomen. Het camerawerk, feitelijk heel basaal, maakt het razendspannend.

In het hoofdnarratief (voorzien van een enorme twist) verweeft Möller een tweede verhaallijn. Hierdoor kom je gaandeweg te weten waarom Asger privé de weg behoorlijk kwijt is. Möller maakt knap gebruik van cliffhangers. Eerst wordt Asger gebeld door een brutale journaliste over “de zaak van morgen”, om even later gerust gesteld te worden door zijn chef: “Na morgen ben je gelukkig weer op straat.” Wat staat er morgen te gebeuren? Wat heeft hij op zijn kerfstok? En welke rol speelt zijn maat Rashid?

Asgers verlossing, specifiek de manier waarop Möller hier naar toe werkt, is wat Den Skyldige zo goed maakt. Ik val in herhaling (pardonnez-moi), maar wat gaat Möller briljant te werk, zeg. Het laatste halfuur is ijzersterk. Wat hij namelijk doet is het ‘verkleinen’ van de toch al gecomprimeerde locatie. Met het net dat zich steeds meer rond hem sluit, besluit Asger op zeker moment naar een andere kamer te gaan, die kleiner is dan de gemeenschappelijke ruimte. Vervolgens zondert hij zich nog meer af door ook de luxaflex naar beneden te doen. Geïsoleerd en in een quasi donker vertrek (toepasselijke belichting) barst uiteindelijk de bom. Maar het beste moet dan nog komen.

Want de bomscherven ruimt Asger op tijdens de adembenemende slotminuten van Den Skyldige, waarmee deze psychologische flipperkast – het lijntje met het Britse Locke (2013) is evident – de apotheose krijgt die het verdient: Asger redt uiteindelijk niet alleen Iben Østergård, maar ook (en vooral) zichzelf. En hij doet dat in het bijzijn van zijn collega’s, in de gemeenschappelijke ruimte dus. Slik. Aan tranen in je ogen valt nauwelijks te ontkomen. Schuld ingelost, lieve Asger.

Regie: Mark Pellington | Duur: 119 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

“We are not allowed to know”. Met die constatering slaat Alexander Leek de spijker op zijn kop in het boeiende The Mothman Prophecies. De film is losjes gebaseerd op de bizarre gebeurtenissen waar de Amerikaanse journalist John A. Keel over berichtte in zijn gelijknamige roman uit 1975. Bent u klaar voor een ritje op de vleugels van het occulte?

De vrouw van journalist John Klein (Richard Gere) komt op mysterieuze wijze om het leven. Haar woorden (“You didn’t see it, did you?”) laten hem in het vervolg maar niet los. Twee jaar later is hij voor een interview op weg naar Richmond (Virginia), maar belandt hij in het plaatsje Point Pleasant (West Virginia). Daar wordt hem beetje bij beetje duidelijk wat zijn vrouw gezien moet hebben.

Heerlijk, dit soort spooky stuff. De Amerikaanse filmpers is echter verdeeld, wat blijkt uit de ‘metascore’ van 5.2 op IMDb. Onbegrijpelijk. Maar kijk je vervolgens naar het gemiddelde van de bijna 75 duizend ‘user ratings’, dan staat er een 6.4. Eens te meer is het geluid van Jan met de pet een stuk positiever dan dat van de kritische geesten, die er verstand van zouden moeten hebben. Ahum. Ik sluit me in dit geval aan bij alle Jannen.

Want The Mothman Prophecies scoort over de hele linie een ruime voldoende. En dat ondanks Richard Gere, waar ik geen fan van ben. Hij is mij te glad en eigenlijk alleen geschikt als hij een man van aanzien mag neerzetten. Zoals advocaat Martin Veil in het ondergewaardeerde rechtbankdrama Primal Fear uit 1996. Of de topverslaggever van The Washington Post die hij in The Mothman Prophecies vertolkt. Typisch trouwens dat die krant toen erg te spreken was over deze film.

Het vuurwerk komt dus niet direct van Gere. Drie andere acteurs vallen wel op: Laura Linney als de sceptische politieagente Connie, Alan Bates als voormalig ‘ghostbuster’ Alexander Leek (fijn rolletje) en vooral Will Patton als Gordon, de man via wie het merkwaardige wezen uit de film op den duur een gezicht, een naam en zelfs een stem krijgt. Met dat gezicht kan ik leven, de rest had wat mij betreft niet gehoeven. Laat het mysterie lekker een mysterie blijven.

The Mothman Prophecies gaat over zaken die zich onttrekken aan de menselijke waarneming. Wat Mark Pellington (Arlington Road, 1999) goed heeft begrepen, is dat een thriller pas die naam mag dragen indien hij ook technisch slim in elkaar steekt. Pellington speelt behendig met licht en kleur; let bijvoorbeeld op de dominantie van de kleur rood. En mocht je hier en daar moeten wegkijken omdat je anders geen nagels meer overhoudt, spits dan je oren: de tintelende soundtrack en geraffineerde geluidseffecten zijn namelijk niet te missen.

Regie: Alice Winocour | Duur: 107 minuten | Taal: Engels, Frans, Russisch & Duits | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Ruimtefilms staan dikwijls garant voor rampspoed, robuuste actie en vlotte visuals. Maar Proxima valt niet te betrappen op die blockbusterkwalen. De film is ‘easy going’ en speelt zich bovendien af op de grond. Tot zover het goede nieuws. Minder prettig: regisseur Alice Winocour slaagt er niet in om van Proxima een pakkend drama te maken.

De Franse astronaute Sarah (Eva Green) wordt geselecteerd voor een ruimtemissie. Ter voorbereiding moet ze een pittige training afwerken en krijgt ze te maken met een door mannen gedomineerde werkomgeving. Maar vooral de wetenschap dat ze haar achtjarige dochtertje Stella (Zélie Boulant) een jaar lang zal moeten missen, doet haar hart bloeden.

Verwachtingen had ik volop, maar jeetje wat kom ik sip de bioscoop uit. Eva Green, lovely Eva Green. Ik viel als een blok voor haar spel als Bondgirl in Casino Royale (2006). Had ik mijn levendige herinneringen aan de mysterieuze Vesper Lynd maar geschrapt voordat ik aan Proxima begon; een leermomentje. Niet dat Green er ineens weinig van bakt, maar serieus getest wordt ze evenmin.

Tergend langzaam de navelstreng doorknippen. Ik besef dat dit beeld niet erg smakelijk is, maar het is wel het euvel waar Proxima onder lijdt. Eigenlijk draait de film om maar één ding: het naderende afscheid tussen moeder en dochter. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven hun relatie. En behalve het eenzijdige plot is de sfeer behoorlijk landerig. Bijna honderd minuten verstrijken tot Sarahs werkelijke vertrek vanaf de raketlanceerbasis in Bajkonoer. Die eeuwige aftelprocedure is een uitstekend slaapmiddel.

De honderd minuten draaien hoofdzakelijk om de dynamiek tussen een volwassen vrouw en een jong kind. Sarahs moederinstinct en schurende dilemma zijn uiteraard perfect voorstelbaar. Een halfuur lang is het verhaal dan ook nog aardig te verteren. Daarna krijgt zeurderigheid de overhand. Moeder kan kind niet loslaten, kind kaatst het balletje terug. Kind boos, moeder verdrietig. Kind verdrietig, moeder boos. Hun ongezonde symbiose is niet leuk om naar te kijken. Op het vervelende af.

Bijna vergeet je dat Sarah ook nog een ambitieuze astronaute is. Alhoewel: fysiek en mentaal wordt de training haar op den duur te veel. Collega-astronaut Mike Shannon (Matt Dillon) werpt zich maar wat graag op als een soort beschermheer, maar in haar beperkte universum is er nauwelijks plek voor hem. Niet zo vreemd, bedenk ik na een uur, dat ze tevens gescheiden is van haar Duitse echtgenoot Thomas, een astrofysicus die trouwens ook niet van het doek spat.

Wat dan wél leuk is aan Proxima? De bescheiden bijdrage van Aleksey Fateev. Het is het spaarzame hoogtepuntje in een film die zich in drie woorden laat samenvatten: missie niet volbracht. Pff, wat hunker ik na dit weke melodrama naar een ruimtefilm waarin, heerlijk ouderwets, op volle toeren de gehaktmolen draait.