Regie: Sofia Coppola | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

De in het bos gevonden schat blijkt thuis lastig te verdelen. Het gaat dan ook niet om een kist vol gouden munten, maar om een schat met gehavende kleren en een beginnende baard. The Beguiled is een psychologisch drama van Oscarwinnares Sofia Coppola waarin de rollen tussen de seksen voor de verandering zijn omgedraaid: niet de vrouw maar de man is het object van begeerte. Coppola’s film is een remake van Don Siegels The Beguiled uit 1971. Beide films zijn gebaseerd op de roman A Painted Devil van Thomas P. Cullinan uit 1966.

Het verhaal speelt zich af in 1864, het derde jaar van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het meisjesinternaat Farnsworth in Virginia is door de oorlog uitgedund; alle slaven zijn er vertrokken, de meeste meisjes en docenten ook. Miss Martha (Nicole Kidman), Miss Edwina Morrow (Kirsten Dunst) en vijf meisjes zijn de enig overgeblevenen. Op een dag stuit de jonge Miss Amy in het bos op de gewonde korporaal John McBurney (Colin Farrell). Zijn entree op Farnsworth zet de verhoudingen tussen de dames flink op scherp.

Er is een wezenlijk verschil tussen Siegels The Beguiled en Coppola’s The Beguiled. Siegel laat ons door de ogen van McBurney (Clint Eastwood) kijken, Coppola biedt een waaier aan perspectieven door de gebeurtenissen vanuit de vrouw te vertellen. Interessant is verder dat de ontwikkelingen in The Beguiled het gelijk van de Franse antropoloog René Girard (1923-2015) bewijzen. Zijn kernbegrip is de mimesis, wat imitatie betekent. Samengevat stelt Girard dat het menselijk verlangen meer is dan een rechte lijn tussen subject en object; we verlangen vooral wat anderen verlangen. Concurrentie ligt dan op de loer.

De omstandigheden in The Beguiled spelen concurrentie in de kaart. Het bestaan op Farnsworth is sober, voorspelbaar. Met de oorlog op de drempel van hun bestaan (in de verte zijn doffe dreunen te horen), houden de vrouwen zich zo veel mogelijk schuil en koest. Taken zijn er daarbij te over. De jonge dames helpen in de keuken of werken in de tuin. En zo niet, dan krijgen ze les van Miss Morrow of moeten ze (leren) naaien en borduren. Daarnaast moet er op vaste tijdstippen gebeden worden. Bijna voelt het internaat aan als een gevangenis; dat het kolossale ‘huis van bewaring’ is omgeven door dicht loofhout, versterkt dit gegeven.

Maar zie, als donderslag bij heldere hemel is daar het object. En niet zo’n verkeerd object ook. Een aantrekkelijke man, die bovendien ernstig verlegen zit om medische zorg vanwege een diepe vleeswond. McBurney vormt dus geen direct gevaar, maar als soldaat van de Unie (verbond van noordelijke staten) bevindt de Yankee zich in het zuidelijker gelegen Virginia wel op vijandelijk terrein. Was hij er in mannenhanden beland, dan had hem zonder twijfel de strop gewacht. Farnsworth is wat dat betreft een warm (vrouwen)bad, toch?

Nou, zo warm is het daar niet. De vrouw des huizes (Miss Martha) maakt McBurney direct duidelijk dat zijn aanwezigheid niet gewenst is. Kidman is voortreffelijk, as cold as ice. Miss Martha heeft de regie in Farnsworth stevig in handen, de overige dames voegen zich tamelijk gedwee naar haar wil. Niet te missen zijn haar priemende ogen, geaccentueerd door dik aangezette wenkbrauwen: ze is als een moederarend die niets ontgaat, die haar nest streng bewaakt. Met een groeiend wantrouwen stelt ze dan ook vast welk effect John heeft op haar ‘jongen’. Zorgelijker: welk effect John heeft op háár.

Want ze zegt weliswaar tegen de korporaal dat hij niet welkom is, maar tot twee keer toe (wanneer de eigen soldaten Farnsworth aandoen) spaart ze hem. Miss Martha is dus niet van steen; ook zij begeert hem. Heel stiekem. Veel minder diplomatiek gaat de rebelse Miss Alicia (Elle Fanning, geknipt voor deze rol) te werk. De oudste van de vijf meiden, die zich stierlijk verveelt, toont zich een ware verleidster. Ook speelt ze een centrale rol in dé gebeurtenis van de film, die tragisch genoeg het einde betekent aan de oprechte droom van de derde partij in het spel om de gunst van McBurney: Miss Edwina Morrow.

We verlangen vooral wat anderen verlangen, aldus René Girard. Zeker als het object van verlangen niet in ruime mate voorhanden is. Schaarste werkt als een rode lap op een stier. In The Beguiled is dat het geval. Alle dames willen bij John in de smaak vallen en zetten daartoe hun beste beentje voor. Eén object, meerdere subjecten. Dus hevige concurrentie; de lap in The Beguiled kleurt donkerrood. De dames houden elkaar in de gaten, proberen elkaar de loef af te steken. Exemplarisch zijn de reacties op Johns compliment voor de lekkere appeltaart: elk van de vrouwen wil een aandeel hebben in dat succes.

De niet nader te noemen gebeurtenis in The Beguiled zet Farnsworth nog meer op zijn kop. Erna laat John de charmeur (met al die vrouwen waant hij zich logischerwijs in het walhalla) zich van een lelijke kant zien. Dat hij helaas valt voor de verleiding en in de persoon van Miss Edwina Morrow niet kiest voor de echte liefde, is nog tot daar aan toe. Maar het beetje sympathie dat ik nog voor hem had, verdwijnt in het laatste halfuur als sneeuw voor de zon. Overtuigend acteerwerk van Farrell, dat wel, als een man wiens ego wel een prothese kan gebruiken.

De veelzijdigheid van de vrouw, dat is wat The Beguiled laat zien. Haar (ver)zorgende natuur enerzijds, het jaloerse loeder anderzijds. En de sadistische bitch, want als het hun tegen het einde van de film duidelijk is geworden dat het tot voor kort begeerde object een gevaar blijkt, sluiten de dames onder leiding van Miss Martha pijlsnel de gelederen. Dat gebeurt wel buiten de in stilte hunkerende Edwina om; zij is feitelijk het enige personage dat compassie verdient. Dat de liefde aldus aan het kortste eind trekt, maakt dat The Beguiled mij een wat zure nasmaak bezorgt.

 

Regie: Kathryn Bigelow | Duur: 131 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Daar liggen de twee mannen, zij aan zij in het zand. In de waanzin beland voor volk en vaderland. De een bedient een scherpschuttersgeweer, de ander tuurt door een verrekijker. Ze liggen onder vuur, dus bij de les blijven is van levensbelang, hoe zwaar de condities ook zijn. Ondertussen heeft Owen andere zorgen. Hij moet kogels van bloedspetters ontdoen, anders laadt het geweer niet door en valt er weinig terug te schieten. Maar het lukt hem niet. Teamleider William spreekt hierop bemoedigend op Owen in, die zijn emoties maar nauwelijks de baas is. Het surrealisme in deze scène uit The Hurt Locker, veruit de beste van de film, krijgt plots een poëtisch tintje: door de fijnzinnige muziek, een stuiterende kogelhuls in slow motion en het shot van een stofhoosje.

Oorlogsfilms zijn niet echt mijn cup of tea, maar The Hurt Locker blies me compleet weg. Het indringende drama is gebaseerd op de observaties van de Amerikaanse journalist Mark Boal gedurende de Irakoorlog. Boal schreef tevens het met een Oscar onderscheiden script voor de film. Het is een van de in totaal 125 (!) prijzen die de film van Kathryn Bigelow in de wacht sleepte. Bigelow, over The Hurt Locker: “War’s dirty little secret is that some men love it.” Wellicht, maar die medaille heeft een gitzwarte keerzijde.

Bagdad, 2004. Sergeant William James (Jeremy Renner) staat aan het hoofd van een groepje Amerikaanse elitesoldaten die de ondankbare taak hebben om explosieven onschadelijk te maken. William (Will) gaat hierbij naar eigen inzicht te werk en wekt de indruk dat de dood hem koud laat. Bovendien communiceert hij gebrekkig. Hierdoor brengt hij zijn twee directe collega’s, sergeant JT Sandborn (Anthony Mackie) en soldaat Owen Eldrigde (Brian Geraghty), regelmatig in verlegenheid. En in gevaar.

De eerste minuten van The Hurt Locker zijn al direct meeslepend. Bigelow kwakt je namelijk zonder pardon neer in het strijdperk (het decor is een straat in Bagdad). De beelden vechten als het ware om voorrang: een robotautootje is op weg naar een tussen het zwerfafval verstopte bom, legervoertuigen snellen toe, militairen zetten in allerijl straten af, inwoners maken zich uit de voeten. Opgewonden stemmen, geschreeuw. Het luchtalarm klinkt. Sirenes gaan af. Toeterende auto’s. Een straaljager scheurt de hemel aan stukken.

Kijk je door een puur technische bril naar The Hurt Locker, dan kun je niet om de handheld cameravoering en de (geluids)montage heen. Vanaf het eerste moment zorgen die twee voor een soort audiovisuele wurggreep. Talrijke cuts en de waaier aan shots (de focus wisselt voortdurend) genereren een drukkende spanning; de actie zelf is bijna van ondergeschikt belang. De gebeurtenissen doen levensecht aan; The Hurt Locker is een tikkende tijdbom in documentairestijl. Dat is voor het grootste deel te danken aan het scherpe oog van cameraman Barry Ackroyd en de excellente montage van Bob Murawski en Chris Innis.

Een knettergoed filmkader dus, en daarbij is het spel uitstekend. Jeremy Renner weet de meeste ogen op zich gericht. Het lijkt niet tot voorman Will door te dringen dat hij ieder moment het loodje kan leggen. Heeft hij het angstgen niet? Of is-ie gewoon een dwaas? Achteloos trekt de durfal het ontmijningspak aan en keer op keer haalt hij de ‘angel’ uit allerlei bommen en granaten. Op zeker moment gaat hij nog een stap verder door zonder bompak in een auto met een kofferbak vol springstof te stappen. “Als ik toch sterf, dan comfortabel.”

Maar Sanborn, tijdens hun eerste missie al niet gediend van Wills optreden, laat hem pal na die stunt duidelijk voelen dat wat hem betreft de grens is bereikt. Meermaals betwist Sanborn het (tactische) inzicht van Will. Vrienden zijn de heren dan ook niet, maar ze tekenen wel voor de meest intieme dialoog uit de film. “Weet jij waarom ik ben zoals ik ben?” vraagt Will aan Sanborn wanneer ze terugkeren van de zoveelste kloteklus. Ze zien er niet uit. Vies, bezweet, onder het bloed. Geknakt.“I fucking hate this place,” zegt Sanborn, die vervolgens toevoegt dat hij klaar is om te sterven. Daar zitten ze dan, de twee mannen die zij aan zij lagen in het zand.

Sanborn is min of meer gelijkwaardig aan Will. Hij durft op te staan tegen zijn baas. Owen daarentegen, de laagste in rank, lijkt zogezegd per ongeluk in een militair uniform terecht te zijn gekomen. De knul is volgzaam, ook omdat hij wat onzeker is. “Moet ik vuren?” Hij is compleet overstuur nadat kolonel John Cambridge (“doc”) op een bermbom is gestapt. En dat terwijl die zich had aangemeld om eens van dichtbij een dag ‘in de zandbak’ mee te maken; dat bureauwerk komt je op den duur ook de keel uit. Was het niet uitgerekend Owen die doc had verweten geen flauw benul te hebben hoe het een soldaat aan het front vergaat?

Oorlog is een cynische roulette, The Hurt Locker is daar het overweldigende bewijs voor. Sanborn zit mentaal stuk en Owen neemt kermend van de pijn afscheid van een oord waar stervelingen niets te zoeken hebben. En Will? Die voelt zich juist verloren als hij weer thuis is. In de supermarkt (voorlaatste scène) duwt hij verveeld een winkelwagentje voor zich uit. Met een blik alsof zijn speeltje is afgepakt. “The rush of battle is often een potent and lethal addiction, for war is a drug.” Dat is Will aan te zien, want hij lijkt in zijn sas wanneer hij de roulette vervolgt in dienst van de Delta Compagnie. Ik vind het een ietwat triomfantelijk slot aan een film over een militaire interventie waar Amerika zich kapot voor moet schamen.

Regie: Jan de Bont | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Stormachtige ontwikkelingen in Twister van Jan de Bont (1943), die geruime tijd cameraman was alvorens hij in Hollywood als regisseur succesvol debuteerde met Speed (1994). En ook Twister, twee jaar later, werd lovend ontvangen door zowel filmcritici als het grote publiek. Vooral vanwege de fraaie special effects. Staan die nog steeds overeind, nu vijfentwintig jaar later? Jazeker! Wat beslist niet overeind blijft staan in de film: alles wat onderhevig is aan harde wind.

Bill Harding (Bill Paxton) en zijn vrouw Jo (Helen Hunt) zijn twee tornadojagers die in scheiding liggen; een handtekening van Jo onder de scheidingspapieren is de laatste formaliteit die vereist is. Hiertoe gaat Bill, vergezeld van zijn nieuwe vriendin Melissa (Jami Gertz), langs bij Jo. Maar eenmaal ter plekke (Tornado Alley vormt het hart van de actie in Twister) slaat het weer om en worden Bill en Melissa meegezogen in een rits spectaculaire gebeurtenissen.

Je hoeft Twister niet te kijken omdat het verhaal nou zo geweldig is; het plot is nogal ‘cheesy’. Maar waarom blijft deze ‘goedkope’ prent mij dan toch boeien, keer op keer? In eerste instantie omdat ik extreem weer (onweer vooral) fascinerend vind. Nooit zal ik vergeten hoe nietig dit mannetje zich voelde toen op een druilerige novemberavond in 1983 de bliksem voor zijn ogen insloeg. Wat een licht, wat een klap. Niet te filmen. Twister doet me aan die tijd denken. “Those were the days”, zei mijn vader dikwijls over de tijden waar híj wel eens naar terugverlangde.

Mijn nostalgie dikt aan door de aanwezigheid van een tweetal acteurs die inmiddels niet meer onder ons zijn. Twee heren waar ik een zwak voor heb. Bill Paxton overleed in 2017 (61) en Philip Seymour Hoffman in 2014, slechts 46 jaar oud. In Twister zien we de nog jonge Seymour Hoffman als Dusty. Een heerlijke bijrol. Hij krijgt van De Bont alle gelegenheid om de nar van het sowieso kleurrijke gezelschap tornadojagers te spelen. De Suck Zone, legt Dusty bloedserieus aan Melissa uit, is de plek waar de tornado je opzuigt. Weet u dat alvast.

De passie, bijna bezetenheid, van het stel tornadojagers (prima casting) is bijzonder aanstekelijk. Dusty is de leukste, maar ook Alan Ruck (‘Rabbit’) doet een kleine doch fijne duit in het zakje. Hij is de navigator van het rock-‘n-roll-ensemble. “Roll the maps”, dicteert hij collega Sanders die de kaarten juist constant (op)vouwt. En aan kop van het zooitje weerpiraten staan twee kemphanen: Jo en Bill. Constant vliegen de bijna-exen elkaar in de haren. De chemie tussen de kissebissende kleuters kietelt vooral de lachspieren; erg diepzinnig wordt het allemaal niet. Alhoewel Jo wel met een trauma heeft af te rekenen, getuige de heftige openingsscène van Twister.

Twister is een tikkeltje platvloerse, maar charmante ode aan de begeestering. Mocht je weinig of niets hebben met rampenfilms, weet dan dat er in ieder geval zat te lachen valt. Om Dusty dus, maar ook om dr. Melissa Reeves. In de ogen van Hyacinth Bouquet zal ze vast de ideale schoondochter zijn, maar wat de keurige vruchtbaarheidstherapeute in het ruige Twister te zoeken heeft? Raadselachtig. Heel ‘vruchtbaar’ is haar bijdrage niet. Hetzelfde geldt voor Bill’s tegenstrever Jonas Miller (Cary Elwes). De poenige gladjanus bestudeert ook tornado’s, wil Bill te slim af zijn, maar betaalt uiteindelijk een hoge prijs voor zijn arrogantie.

Verre van ‘cheesy’ in de film zijn de special effects; de Oscarnominatie hiervoor kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Echter, Twister legde het in die categorie af tegen de enkele maanden later verschijnende blockbuster Independence Day. Dat neemt niet weg dat de scène waarin een drive-inbioscoop door een tornado aan stukken wordt gescheurd ronduit fantastisch is. Temeer omdat op dat moment The Shining (1980) van Stanley Kubrick wordt vertoond. Bulderende winden en een manisch hakkende Jack Nicholson op het witte doek: prachtig! Vijfentwintig jaar na zijn release is Twister nog altijd wervelend popcornamusement.

 

Regie: John Krasinski | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

John Krasinski keert terug als acteur in A Quiet Place Part II. Het is een kortstondig optreden van de man die ook weer de regie in handen heeft, want zijn personage (Lee Abbott) sterft in A Quiet Place (2018) een heldhaftige dood. Hoe hij dan toch van de partij kan zijn? Omdat deze sequel begint met dag 1, terwijl deel 1 met dag 89 opent. Deel 2 start met de dag waarop de aliens de aardbol aandoen. En dat gaat bepaald niet geruisloos.

Daarmee tapt dit vervolg direct uit een ander vaatje: binnen 5 minuten is de chaos namelijk compleet. Voordeel is dat je wordt meegezogen in het verhaal. Maar waar het nu direct ‘even Apeldoorn bellen’ geblazen is, duurt het in de eerste film feitelijk tot de slotscène eer de scherphorende wezens zich in vol ornaat tonen. Het gemis van zo’n lange, onheilspellende aanloop is de voornaamste reden dat part II minder intrigeert dan het eerste deel.

Na ongeveer 15 minuten behoren de gebeurtenissen van dag 1 tot het verleden en gaat het verhaal verder waar deel 1 eindigde: in het huis van de Abbotts. Al snel verplaatst het decor zich vervolgens, want het tot vier leden gereduceerde gezin (moeder Evelyn, haar baby en haar twee kinderen Regan en Marcus) besluiten hun heil elders te zoeken. Maar uiteraard zit het buitenaardse geboefte hen binnen de kortste keren op de hielen. Waarmee deel 2 zich ontvouwt tot een soort kat-en-muisspel, terwijl het in deel 1 vooral ging om ‘verstoppertje spelen’.

Cillian Murphy (als Emmett) vervangt in zekere zin de weggevallen Krasinski, maar Emmett is niet te vergelijken met Lee. Murphy vertolkt geen vaderfiguur, eerder een zwerver die Evelyn en haar kroost tijdelijk duldt in het hol waar hij zit ondergedoken. Wanneer Regan een list bedenkt om de aliens te slim af te zijn, vangt ze dan ook bot bij Emmett. Dan maar alleen op pad, denkt de dappere dame. De parallel met deel 1 is evident: ook nu valt het gezin uit elkaar, maar dat gegeven voelt beduidend minder dramatisch aan omdat de emotionele band tussen Emmett en de Abbotts afwezig is. Emmett is een bange zeur, niet de liefhebbende vader die Lee was.

Murphy’s spel is oké, maar meer ook niet. Emily Blunt (Evelyn), Millicent Simmonds (Regan) en Noah Jupe (Marcus) zijn daarentegen wel ‘eyecatchers’. Blunt doet haar geweldige spel in deel 1 nog eens dunnetjes over. En Simmonds, als kind reeds doof door een overdosis medicatie, staat nu meer centraal dan in de eerste film, maar ze betaalt die eer ruimschoots terug. Knap wat de jonge actrice laat zien in een rol die aan Lee doet denken: die van het krachtige gezinshoofd. Het is dankzij een een-tweetje tussen haar en Marcus, op het einde van de film, dat de wezens het nakijken hebben. Voorlopig dan, want deel 3 zit in de pijplijn.

Héél stil ben ik niet van A Quiet Place Part II. De film zal je niet bijblijven vanwege het plot, noch door de ontknoping ervan (die een belletje doet rinkelen). Maar ga toch naar de bios, want er is genoeg moois te zien. Goed acteerwerk, een paar knetterende jump scares en ook de locaties spreken tot de verbeelding. Een krakend huis, weggestopt tussen de maïsvelden, werkte al prima. Maar het sinistere decor waar de arme Abbotts dit keer terechtkomen? Brr.

 

Regie: Sean Penn | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Het pakkende The Pledge van Sean Penn is gebaseerd op de roman Das Versprechen (1958) van schrijver Friedrich Dürrenmatt. De film was in de race voor de Gouden Palm op het Filmfestival van Cannes in 2001. Het is cinema van de oude stempel: een langzaam ontvouwend plot en sterke vertolkingen. We zien Jack Nicholson schitteren in de hoofdrol, maar ook de bijrollen (twee in het bijzonder) maken veel indruk. De muzikale dressing van Hans Zimmer en Klaus Badelt is bovendien om je vingers bij af te likken.

Politierechercheur Jerry Black (Nicholson) is slechts enkele uren verwijderd van zijn pensioen als in de omgeving van het in sneeuw gehulde Reno (Nevada) het levenloze, toegetakelde lichaam van een jong meisje wordt aangetroffen. De politie vat al snel de hoofdverdachte bij de kraag, maar die pleegt prompt zelfmoord. Zaak afgedaan? Niet voor Jerry. Met ziel en zaligheid stort hij zich op het misdrijf. Dit tot ergernis van zijn superieuren, die moeten toezien dat hij zijn plechtige belofte aan de moeder van het meisje bloedserieus neemt.

Ik begin met de dressing, de lekkerste druppel ervan. De film opent met een Jerry die de indruk wekt behoorlijk doorgedraaid te zijn. Je hoort het nummer The Angler, een combi van lichte snaarmuziek, percussie, piano en een hoge, zuivere vrouwenstem. Subtiel, mysterieus, onheilspellend. Er volgt een fade (trage beeldovergang), waarna duidelijk wordt wat een angler is: een hengelaar. Alsof Penn de kijker lanceert met de vraag: hoe eindigt hengelaar Jerry, dan nog in zijn element, twee uur later als een vis op het droge?

Het personage Jerry is op het lijf geschreven van drievoudig Oscarwinnaar Nicholson (1937), in wie ik sinds Wolf (1994) altijd een beetje die weerwolf ben blijven zien. IMDb vermeldt over hem: “Frequently works as a character with mental instability.” En inderdaad kruipt hij in The Pledge opnieuw in de huid van een labiel figuur. Jerry geniet autoriteit, maar heeft niet de clownsneus die Nicholson zijn personages vaak meegeeft. Jerry is ingetogen. Een observator. Hij slaat echter door in zijn obsessie om de dader te pakken. Belofte maakt schuld, is de overtuiging van de kettingrokende, celibatair levende bijna-pensionado. Maar daarbij overschrijdt hij in de tweede helft van de film wel een ethische grens.

Het is prettig om Nicholson rust te zien leggen in zijn optreden; het maakt de weg vrij voor anderen om ook hun kunsten te vertonen. Twee namen wil ik noemen, van acteurs die gezamenlijk amper tien filmminuten voor hun rekening nemen. Maar hoe knap is hun spel! De eerste is Mickey Rourke als James Olstad. Twintig jaar terug, toen ik The Pledge voor het eerst zag, blies Rourke mij met dat minirolletje van de bank. En nu weer. Zo ziet intens verdriet er dus uit. De tweede is Benicio Del Toro als Toby Jay Wadenah. Del Toro is bijna onherkenbaar als een geestelijk gehandicapte indiaan. Zijn voortreffelijke bijdrage had beloond moeten worden met een prijs, vind ik. Hij hield er slechts een nominatie voor de ALMA-award (Outstanding Supporting Actor in a Motion Picture) aan over.

Ook Chris Menges mag niet onbesproken blijven. De ervaren Brit (twee Oscars in zijn kast) verheft met de camera The Pledge tot een spannend schouwspel. Zijn kadrering is excellent. Een voorbeeld daarvan is het moment waarop het lichaam van het meisje wordt gevonden. Menges bouwt die sequentie meesterlijk op, vanuit het perspectief van een jongen wiens sneeuwscooter er plots mee ophoudt. Jammer alleen dat het afscheid van Jerry erdoorheen is gemonteerd. Heel treffend is ook zijn cameravoering als Jerry de ouders van het meisje het afschuwelijke nieuws moet brengen; let op het extreme long shot en de positie van de zwaailichten daarin.

Nicholson, Rourke, Del Toro. Maar ook Helen Mirrren, Aaron Eckhart, Sam Shepard, Vanessa Redgrave, Robin Wrigt Penn en zelfs een glimp van de inmiddels overleden Harry Dean Stanton: The Pledge schotelt u een respectabele dosis Hollywood voor. Een topcast in een geraffineerd gemaakte, lekker stroperig voortbewegende thriller met een donker randje. En waarin Penn durft af te wijken van de oer-Amerikaanse traditie die happy end heet.

 

Regie: Gustav Möller | Duur: 85 minuten | Taal: Deens | Kijkwijzer: AL

Camera

Ik raak maar niet uitgepraat over Den Skyldige. Een juweel, deze Scandinavische coproductie. Onthoud de volgende namen: Gustav Möller (regisseur), Jasper Spanning (camera) en last but not least: Jakob Cedergren. Laatstgenoemde zet een vertolking neer waar je stil van wordt – behalve ik dus. Goed, ik laat mijn pen aan het woord.

Cedergren speelt Asger Holm, een politieman die recent is overgeplaatst en nu vanuit een alarmcentrale telefonische oproepen beantwoordt. Niet bepaald een spectaculaire job, want de meeste noodkreten hebben weinig om het lijf. Maar dan krijgt Asger een zekere Iben Østergård (Jessica Dinnage) aan de lijn. De eerste woorden die deze jonge vrouw spreekt: “Hoi, liefje.”

“Hoi, liefje”? Een fractie van een tel meen ik beland te zijn in de verfilming van het kleffe liefdesrelaas van Bob en Bea uit de Margriet, maar nee. Gelukkig. Iben blijkt ontvoerd te zijn. Met enkel een telefoon als hulpmiddel begint Asger, plots weer bij de les als ware hij door een wesp gestoken, aan een zenuwslopende reddingsoperatie. Een reddingsoperatie die zich tevens ontvouwt als Asgers pad richting de verlossing. Daarover later meer.

Wat een fenomenaal regiedebuut van Gustav Möller (Göteborg, 1988). Den Skyldige is topcinema en dat ondanks de inzet van slechts minimale middelen. Eén personage, één locatie en een telefoon. Misschien moet ik herformuleren. Nee, niet misschien. Ik bedoel: het is topcinema dankzij de inzet van minimale middelen, niet ondanks. Het minimalisme (hier dus allerminst pejoratief bedoeld) maakt dat narratief en acteur één worden. Inrichten is vooral weglaten; dat geldt zeker voor de filmkunst. Möller heeft dat uitstekend begrepen.

Maar wat je wél belicht, moet de toeschouwer grijpen. In de eerste plaats is dat Jakob Cedergren (1973). De Zweedse acteur kan voor mij niet meer stuk. Asger Holm is een man met kopzorgen, dat is al snel duidelijk. Hij knijpt in een stressbal, lost even later een bruistablet op in een glas water. Aanvankelijk blijft de in gepeins verzonken ziel een mysterie, ondanks dat hij vanaf het begin het middelpunt van de actie is. En blijft. Jasper Spanning portretteert Asger met opzet van dichtbij en ‘peinst’ met hem mee. Vooral door secuur in en uit te zoomen. Het camerawerk, feitelijk heel basaal, maakt het razendspannend.

In het hoofdnarratief (voorzien van een enorme twist) verweeft Möller een tweede verhaallijn. Hierdoor kom je gaandeweg te weten waarom Asger privé de weg behoorlijk kwijt is. Möller maakt knap gebruik van cliffhangers. Eerst wordt Asger gebeld door een brutale journaliste over “de zaak van morgen”, om even later gerust gesteld te worden door zijn chef: “Na morgen ben je gelukkig weer op straat.” Wat staat er morgen te gebeuren? Wat heeft hij op zijn kerfstok? En welke rol speelt zijn maat Rashid?

Asgers verlossing, specifiek de manier waarop Möller hier naar toe werkt, is wat Den Skyldige zo goed maakt. Ik val in herhaling (pardonnez-moi), maar wat gaat Möller briljant te werk, zeg. Het laatste halfuur is ijzersterk. Wat hij namelijk doet is het ‘verkleinen’ van de toch al gecomprimeerde locatie. Met het net dat zich steeds meer rond hem sluit, besluit Asger op zeker moment naar een andere kamer te gaan, die kleiner is dan de gemeenschappelijke ruimte. Vervolgens zondert hij zich nog meer af door ook de luxaflex naar beneden te doen. Geïsoleerd en in een quasi donker vertrek (toepasselijke belichting) barst uiteindelijk de bom. Maar het beste moet dan nog komen.

Want de bomscherven ruimt Asger op tijdens de adembenemende slotminuten van Den Skyldige, waarmee deze psychologische flipperkast – het lijntje met het Britse Locke (2013) is evident – de apotheose krijgt die het verdient: Asger redt uiteindelijk niet alleen Iben Østergård, maar ook (en vooral) zichzelf. En hij doet dat in het bijzijn van zijn collega’s, in de gemeenschappelijke ruimte dus. Slik. Aan tranen in je ogen valt nauwelijks te ontkomen. Schuld ingelost, lieve Asger.

Regie: Mark Pellington | Duur: 119 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

“We are not allowed to know”. Met die constatering slaat Alexander Leek de spijker op zijn kop in het boeiende The Mothman Prophecies. De film is losjes gebaseerd op de bizarre gebeurtenissen waar de Amerikaanse journalist John A. Keel over berichtte in zijn gelijknamige roman uit 1975. Bent u klaar voor een ritje op de vleugels van het occulte?

De vrouw van journalist John Klein (Richard Gere) komt op mysterieuze wijze om het leven. Haar woorden (“You didn’t see it, did you?”) laten hem in het vervolg maar niet los. Twee jaar later is hij voor een interview op weg naar Richmond (Virginia), maar belandt hij in het plaatsje Point Pleasant (West Virginia). Daar wordt hem beetje bij beetje duidelijk wat zijn vrouw gezien moet hebben.

Heerlijk, dit soort spooky stuff. De Amerikaanse filmpers is echter verdeeld, wat blijkt uit de ‘metascore’ van 5.2 op IMDb. Onbegrijpelijk. Maar kijk je vervolgens naar het gemiddelde van de bijna 75 duizend ‘user ratings’, dan staat er een 6.4. Eens te meer is het geluid van Jan met de pet een stuk positiever dan dat van de kritische geesten, die er verstand van zouden moeten hebben. Ahum. Ik sluit me in dit geval aan bij alle Jannen.

Want The Mothman Prophecies scoort over de hele linie een ruime voldoende. En dat ondanks Richard Gere, waar ik geen fan van ben. Hij is mij te glad en eigenlijk alleen geschikt als hij een man van aanzien mag neerzetten. Zoals advocaat Martin Veil in het ondergewaardeerde rechtbankdrama Primal Fear uit 1996. Of de topverslaggever van The Washington Post die hij in The Mothman Prophecies vertolkt. Typisch trouwens dat die krant toen erg te spreken was over deze film.

Het vuurwerk komt dus niet direct van Gere. Drie andere acteurs vallen wel op: Laura Linney als de sceptische politieagente Connie, Alan Bates als voormalig ‘ghostbuster’ Alexander Leek (fijn rolletje) en vooral Will Patton als Gordon, de man via wie het merkwaardige wezen uit de film op den duur een gezicht, een naam en zelfs een stem krijgt. Met dat gezicht kan ik leven, de rest had wat mij betreft niet gehoeven. Laat het mysterie lekker een mysterie blijven.

The Mothman Prophecies gaat over zaken die zich onttrekken aan de menselijke waarneming. Wat Mark Pellington (Arlington Road, 1999) goed heeft begrepen, is dat een thriller pas die naam mag dragen indien hij ook technisch slim in elkaar steekt. Pellington speelt behendig met licht en kleur; let bijvoorbeeld op de dominantie van de kleur rood. En mocht je hier en daar moeten wegkijken omdat je anders geen nagels meer overhoudt, spits dan je oren: de tintelende soundtrack en geraffineerde geluidseffecten zijn namelijk niet te missen.

Regie: Matt Palmer | Duur: 101 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Marcus en Vaughn zijn aangeschoten wild in Calibre. En ze eindigen als ratten in de val. Een ijskoude-rillingen-scène is de ontknoping van deze spannende Netflix-thriller waarin met name Jack Lowden (Vaughn), winnaar van de BAFTA Scotland Award voor Beste Acteur, uitstekend voor de dag komt.

Ooit zaten Marcus (Martin McCann) en Vaughn op dezelfde kostschool. Om hun banden aan te halen nodigt Marcus Vaughn uit om een paar dagen te gaan jagen in de Schotse hooglanden. Het tripje loopt uit op een tragedie wanneer Vaughn, die geen enkele jachtervaring heeft, een hert ziet en als eerste de trekker overhaalt. Raak, maar géén schot in de roos.

Eden Lake, uit 2008. Toevallig ooit gezien? Tijdens die film over een stelletje dat een kampeeruitje in een nachtmerrie ziet eindigen, overkwam me iets zeer ongewoons: ik moest bij momenten de ogen echt dichtknijpen omdat de beelden me te indringend werden. Calibre is de lightversie van Eden Lake en speelt zich ook af in een landelijke omgeving. Belangrijker is nog dat de lokale bevolking de stadse ‘indringers’ van meet af aan vijandig tegemoet treedt, net als in Eden Lake.

Want warm verwelkomd worden Marcus en Vaughn niet door de ‘locals’, die wonen in de door de economische misère uitgeholde dorpjes waar, op die ene kroeg na dan, verder geen ruk te beleven valt. De eerste avond van hun verblijf gaan de twee schoolvrienden indrinken in zo’n rokerig drankhok en binnen de kortste keren hebben ze mot. De zaken worden dan nog gesust door ‘Grote Smurf’ Logan (Tony Curran, altijd fijn om naar te kijken), maar de toon is gezet.

Nog niet bekomen van de overvloedige alcohol gaan de heren de volgende dag op pad. Na het fatale voorval – what are the odds? – gaat zo ongeveer alles fout wat fout kan gaan. Marcus pakt namelijk direct de regie, maar begaat ook blunders. Marcus leidt, waar Vaughn voornamelijk lijdt. Lowden is zeer goed als een lieve, hevig in de war zijnde knul die zich laat meeslepen door de arrogante Marcus. Uitgerekend Vaughn is het die als eerste wordt ingerekend en alles opbiecht. Die sterke scène wordt gevolgd door een evenzo indringend slotakkoord. “Right is a long way gone”, praat Logan in op Vaughn die zich voor een afschuwelijk dilemma ziet gesteld.

Scenario en acteerwerk vormen het geraamte van een film. In Calibre zijn die twee uitstekend verzorgd. Kijk je daarnaast kritisch naar zaken als camerawerk, belichting en montage, dan past maar één conclusie: het ensemble maakt Calibre tot een voltreffer. Alle lof voor regisseur en scenarist Matt Palmer die je in zijn eerste (!) speelfilm meeneemt in een emotionele achtbaan.

 

Regie: Çağla Zencirci  & Guillaume Giovanetti | Duur: 95 minuten | Taal: Turks | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

De 25-jarige Sibel woont met haar alleenstaande vader en jongere zusje in een klein bergdorpje in het noordoosten van Turkije. Ze is een buitenbeentje, een paria zelfs. Ze kan namelijk niet praten; om zich uit te drukken maakt ze gebruik van een eeuwenoude fluittaal. Maar ze wordt vooral buitengesloten omdat de vrouwen in het dorp menen dat ze ongeluk brengt.

Interessant is dat Sibel meerdere gezichten heeft. Uiterlijk een knappe jonge dame met groene ogen die vuur spuwen. Innerlijk een onzeker meisje dat er alles aan doet om gezien en geaccepteerd te worden. Ze is uiterst loyaal aan haar vader (Emin) en zet, op de theeplantages bijvoorbeeld, voortdurend haar beste beentje voor. Zonder mopperen neemt ze bovendien het hele huishouden voor haar rekening. Anderzijds is ze ook behoorlijk jongensachtig, rebels. Zo gaat ze zonder hoofddoek over straat. Zonder hoofddoek, maar mét een geweer, vastbesloten als ze is om die gevaarlijke wolf in de bossen een kopje kleiner te maken.

Het is aannemelijk dat Sibels handicap haar een ‘normaal’ leven (trouwen, kinderen krijgen) in de weg staat. Het is niet zozeer haar beperking die maakt dat de vrouwen in het dorp haar verstoten, het heeft er vooral mee te maken dat ze een vrijgevochten, trotse spirit is. Bijzonder pijnlijk is het contrast met Sibels zusje Fatma, die een gemakkelijke prooi vormt voor een koppelaarster in het dorp. Wanneer Fatma echter op het punt staat om uitgehuwelijkt te worden, strooien aanzwellende roddels over Sibel zand in de motor.

Die roddels hebben te maken met een gewonde man die Sibel in het bos aantreft. Een jonge vent die weigert om in militaire dienst te gaan; een wezenlijke invalshoek van de film is dat ook de man het patriarchale systeem zwaar valt. Behalve de deserteur worstelt ook Sibels vader ermee, zij het niet openlijk. Immers, de druk van buitenaf weerstaan is niet gemakkelijk. Niet in de laatste plaats omdat Emin de burgemeester van de besloten gemeenschap is.

Het patriarchaat mag dan de man centraal stellen, het zijn bizar genoeg de vrouwen die het in stand houden. En dan vooral de oudere vrouwen, die de jongere vrouwen voor hun karretje spannen. Zelfs meneer de burgemeester krijgt met hun listige streken te maken. Een krachtiger slot had de film daarom ook niet kunnen hebben. Hierin schuift Sibel haar eigen pijn terzijde en bekommert ze zich liefdevol om haar ontroostbare zusje. Wat ze vervolgens doet is een heus statement. Respect in de vorm van een zeer voorzichtige glimlach van het meisje dat Sibel in het begin van de film nog vervloekte (prachtig shot), zet haar ‘zegetocht’ kracht bij.

Het drama Sibel is een metafoor voor de revolte van een dame tegen het patriarchaat. Het patriarchaat dat vele gezichten kent. De meeste schijnwerpers zijn gericht op Damla Sönmez (Sibel). Op de voet gevolgd door Eric Devin (pakkend camerawerk) maakt Sönmez’ scherpe expressie in combinatie met het gefluit het gesproken woord overbodig. Een knappe (acteer)prestatie.

 Regie: Todd Haynes | Duur: 126 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

The Lawyer Who Became DuPonts Worst Nightmare‘. Onder die titel verscheen begin januari 2016 een artikel van Nathaniel Rich in The New York Times. Het is het uitgangspunt voor Dark Waters, een historisch drama dat de schellen van je ogen doet vallen. De film is een degelijk staaltje vakmanschap van regisseur Todd Haynes (Carol, 2015) waarin de hoofdrolspeler, drievoudig Oscargenomineerde Mark Ruffalo, echter meer had moeten brengen.

In Dark Waters speelt Ruffalo Robert Bilott, een door de wol geverfde bedrijfsjurist die net (het is 1998) partner is geworden bij het prestigieuze advocatenkantoor Taft, Stettinius & Hollister. Op een dag staat er een boer uit Parkersburg (West Virginia) voor zijn neus die beweert dat zijn vee massaal sterft omdat er in de buurt van zijn boerderij giftig afval wordt geloosd. Aarzelend gaat Bilott op onderzoek uit, wat uiteindelijk resulteert in een aanklacht tegen de voor de vervuiling verantwoordelijke chemiereus DuPont.

Geschrokken druip ik af na Dark Waters. Dus het is aannemelijk dat die troep ook in míjn lichaam rondzwerft? Want ik heb ook zo’n ding in mijn keukenla staan. Heb er nooit bij stilgestaan dat de letter T op de bodem ervan verband houdt met het goedje dat zoveel dood en verderf zaait in Dark Waters. Ik heb het over de chemische verbinding PFOA (ook wel C8 genoemd): perfluoroctaanzuur. DuPont gebruikte het decennialang bij de productie van teflon. Het zuur heeft de nare eigenschap dat het vrijwel niet wordt afgebroken door het lichaam.

Ook brave familieman Bilott beseft dat op zeker moment. Waarop hij midden in de nacht driftig alle keukenkastjes binnenstebuiten keert. Hoeveel ‘blije pannen’ telt ons huishouden eigenlijk? Ruffalo voelt zich kiplekker in de rol van bezeten speurneus. In Spotlight (2015) speelde hij een geobsedeerde onderzoeksjournalist, en ook in Dark Waters gaat hij tot het gaatje om de smerige praktijken van DuPont te openbaren. Ruffalo speelt oké, maar over het geheel genomen is zijn optreden toch enigszins teleurstellend. Ik mis net iets te vaak het heilige acteervuur; het is alsof dat bij hem schuilgaat onder een (soort van) antiaanbaklaag.

Meer pit zie ik bij Tim Robbins, die als Bilotts baas Tom Terp vurig pleit om Dupont keihard aan te pakken (prima scène). En bij Anne Hathaway die Roberts vrouw Sarah speelt. Het is vooral Hathaway die het pakkende maar tegelijkertijd ook wat stugge drama – ik proef aldoor Spotlight in Dark Waters – van iets meer lenigheid voorziet. Sarah steunt haar man door dik en dun, maar dat hun gezinsleven hevig lijdt onder Roberts missie om DuPont te knakken, knaagt aan haar. Wanneer ze hem daar op een dag mee confronteert, volgt een zouteloze repliek. Een gemiste kans.

Meest interessante invalshoek van Dark Waters is dat DuPont de grootste werkgever van Parkersburg is, een stadje met zo’n 30 duizend inwoners. Vrijwel onmogelijk om zo’n gigant, schatrijk en dus invloedrijk, de nek om te draaien. Hoe overweldigend het bewijs ook is. Het drinkwater is vergiftigd en de stad zelf is verstrengeld met de op het pluche zittende bron van vergiftiging. In dubbel opzicht een zeer ongezonde situatie.