Regie: Halina Reijn | Duur: 108 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

“Lukt het jou om echt contact met hem te maken?” Dat vraagt Alex aan zijn collega Nicoline in Instinct, het regiedebuut van schrijfster Halina Reijn. Direct veer ik op: zou het dan nu gaan gebeuren? Gaat met zijn vraag het stoplicht op groen voor wat meer finesse, wat meer esprit? Treurig genoeg niet: Instinct blijft hopeloos aan de oppervlakte steken, ondanks lichtpunt Carice van Houten.

Nicoline (Van Houten) begint aan een nieuwe job in een tbs-kliniek. Daar krijgt ze de supervisie over Idris (Marwan Kenzari), die een aantal ernstige zedenmisdrijven heeft begaan. Toch staat Idris op het punt om voor het eerst in jaren op onbegeleid verlof te gaan; zijn behandelteam is immers zeer te spreken over de vooruitgang die hij heeft geboekt. Maar Nicoline vertrouwt hem niet.

De eerste keer dat Nicoline Idris spreekt, neemt laatstgenoemde de woorden “eerste afspraakje” in de mond. Pardon? Het is in Idris’ ogen niet zo chic om bij zo’n eerste date uit te wijden over de afschuwelijk zaken die hij – ik verwoord het even ‘op z’n Instincts’ – op zijn cv heeft staan. Direct is duidelijk dat hij een player is, iemand die de spelregels bepaalt. Nicoline, een zogenaamd ervaren psychologe, gaat dan al bijna knock-out. Waarom voert Reijn de spanning niet stapje voor stapje op? De scheve machtsverhoudingen, sowieso al een vreemde gewaarwording, krijg je als een kwak modder in het gezicht gesmeten. De thriller die Instinct poogt te zijn is daarmee al dood en begraven.

Na dat eerste gesprek zijn de kaarten dus al geschud. Het tweede gesprek eindigt met een klap van Idris op de tafel, gevolgd door een scherpe cut. Pas op hoor, anders doe ik je wat aan! Mijn god. Subtiliteit schittert door afwezigheid in Instinct. Nul komma nul spanningsopbouw, platte karakters en een emotionele armoede van heb ik jou daar. De moeder van Nicoline bijvoorbeeld. Ze is een uithuilhonk voor haar dochter, maar verder blijft mama een vaag figuur. Of Nicoline’s stagiaire Marieke, die bij wijze van leermoment de plek van haar mentor overneemt en, lacherig, het gesprek met Idris aangaat. Bizar. Idris was toch een zware crimineel? Marieke (Marie-Mae van Zuilen) benadert hem alsof we hier met de knuffelbeervariant van Badr Hari te maken hebben. Telkens als je denkt dat het niet gekker kan, verlegt Instinct de grenzen.

Carice van Houten is een goed excuus om Instinct toch te gaan zien. De actrice legt, behalve de soms onnatuurlijk lange stiltes die ze laat vallen, met name richting het einde behoorlijk wat elan in haar spel, waardoor het plompe, voorspelbare verhaal een fractie aan kleur wint. Ook háár personage had aanmerkelijk volwassener en interessanter kunnen (moeten) zijn, maar zij is wel het enige spoortje van echtheid in een draak van een film.

 Regie: James Gray | Duur: 123 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Maanpiraten die met scherp schieten en een bloeddorstige aap die een ruimtelab op stelten zet. Niet voor niets concludeert astronaut Roy McBride in Ad Astra dat de mens van het heelal net zo’n bende maakt als van “the big blue marble”. Jammerlijk bovendien is dat Ad Astra nogal zweeft. Uiteraard omdat het sf-drama het eindeloze niets als setting heeft, maar vooral omdat de goede bedoelingen van regisseur James Gray uitmonden in een potpourriplot.

Een flitsend begin heeft Ad Astra wel. Roy (Brad Pitt) is bezig met werkzaamheden aan een ‘ruimtespeld’, een kilometers hoge, met het aardoppervlak verbonden smalle toren. Wanneer deze getroffen wordt door The Surge (De Piek, een geheimzinnige elektrische puls), moet hij lossen en zijn meerdere erkennen in de zwaartekracht. De Piek blijkt van Neptunus te komen, de planeet waar ooit zijn voor dood aangenomen vader Clifford (Tommy Lee Jones) de leiding had over het zogenaamde Lima Project. Is het een SOS van zijn vader? Zou hij dan toch nog in leven zijn? Gerekruteerd door kolonel Pruitt (Donald Sutherland) begint Roy aan een missie naar de rand van ons zonnestelsel.

Het is de nabije toekomst, een era van “conflict and hope”, leren de openingstitels. Tja, welk tijdperk is dat niet? Van positivisme of hoop is echter geen sprake in Ad Astra; de film ademt een en al zwaarmoedigheid. Exemplarisch daarvoor is Roy, de ietwat autistische zoon van de pionier waar zijn verdwenen vader voor doorgaat. Roy is geen prater en de meeste van zijn overpeinzingen komen dan ook via de voice-over tot ons. Het instrument neemt Pitt eigenlijk het werk uit handen; een fonkelende ster is hij in deze film in ieder geval niet. Het helpt ook niet dat zijn personage flets is. En blijft. Monotoon stemgeluid, stoïcijnse expressie, statische motoriek.

Wat betreft het trio sidekicks van formaat in Ad Astra (Donald Sutherland, Tommy Lee Jones en Liv Tyler): ook zij brengen niet de broodnodige schwung. Sutherland wekt de indruk naar het bejaardentehuis te verlangen en Tylers duit in het zakje is zo minimaal dat, mocht je de zaal even verlaten omdat je naar de wc moet, je haar melkwitte snoetje zou kunnen mislopen. Tommy Lee Jones ten slotte speelt een enorme zuurpruim die amper ontdooit als hij, vele jaren later, ineens oog in oog staat met zijn zoon. Het slot van Ad Astra raakt kant noch wal. Melodrama.

Pover spel en doodlopende verhaallijnen. Waarom versteent kapitein Tanner als de daling naar Mars wordt ingezet? Geen idee. Wat behelst het Lima Project precies? Geen idee. Wie of wat veroorzaakt nou die stroomstoten? Geen idee. Strakke visuals en een paar acteerkanonnen dichten niet per se alle gaten, laat dat duidelijk zijn. Treur echter niet: Hoyte van Hoytema is de cameraman van dienst en de soundtrack is erg oké. Toch nog twee sterren aan een grijs firmament.

 Regie: Michael Mann | Duur: 157 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL

Camera

“In deze schimmige zakenwereld was nicotine niet verslavend en waren sigaretten niet ongezond. Zwart was wit, en mijn leven was een leugen.” Zegt Jeffrey Wigand. In de jaren 90 was de biochemicus als hoofd onderzoek en ontwikkeling werkzaam voor de tabaksfabrikant Brown & Williamson (B&W). Wigand is de centrale pion in het meeslepende The Insider, een op ware feiten gebaseerd drama van regisseur Michael Mann dat goed was voor zeven Oscarnominaties.

In The Insider is Lowell Bergman (Al Pacino) producer van het programma 60 Minutes van CBS. Hij ruikt een verhaal wanneer hij de hulp inroept van Wigand (Russell Crowe), die echter niet met hem wil praten. Wigands voormalig werkgever B&W vreest het ergste en zet hem hierop onder druk om een aanvullende geheimhoudingsovereenkomst te ondertekenen.

Het manipulatieve instrument dat B&W inzet is precies het zetje dat Wigand nodig heeft om alsnog uit de school te klappen. Maar daar kleven risico’s aan, waarschuwt Bergman Wigand. Spreken of zwijgen? Ik moet tijdens de film denken aan Phèdre van de Franse toneelschrijver Jean Racine (1639-1699), een meesterlijke tragedie over de onvermijdelijkheid van de mondelinge bekentenis. Het geschreven woord is krachtig, het gesproken woord overstemt dat echter.

Bergman (een daverende Pacino) bijt zich als een pitbull vast in de zaak. De journalist, man van z’n woord, doet er via Wigand alles aan om de smerige waarheid omtrent de tabaksindustrie te openbaren. Maar zoals elke nicotinejunk niets wil horen over de lichamelijke en geestelijke aftakeling waartoe hij zichzelf veroordeelt (verslaving muilkorft de waarheid, weet deze ex-roker), zo krampachtig tracht B&W hun bedrijfsgeheim te beschermen. Met middelen waarbij de ethiek ver te zoeken is: eerst door te intimideren, dan via een in alle haast uitgevaardigd spreekverbod, en als dat ook niet helpt door ordinair met modder te gooien.

Wigand, evenwichtig ogend maar van binnen een vulkaan, is het minst te benijden in het fascinerende steekspel The Insider. De liefhebbende vader en echtgenoot raakt verstrikt in een web met maar één escape: via de waarheid. Maar die waarheid betaalt hij wel met zijn privéleven. Crowe heeft de moeilijkste rol in The Insider. Hij kwijt zich prima van zijn taak en wordt indringend geportretteerd door Dante Spinotti (ook de cameraman in Heat, 1995). Regelmatig is Crowe op de voorgrond te zien; frontaal of juist zijdelings in beeld, alsof Spinotti hem met zijn lens op de hielen zit. Jeffrey Wigand is opgejaagd wild.

Albert Heijn roept zijn maaltijdsalade met tonijn terug, omdat deze sporen van de listeria-bacterie bevat. Wat denkt u, roept B&W als de sodemieter al hun sigaretten terug? Het antwoord op die vraag is eigenlijk te gek voor woorden. The Insider gaat over een duo dat zijn stekels opzet tegen de kapitaalkrachtige tabaksmaffia. Tegen haar vertragingstactieken, de rookgordijnen die ze opwerpt en de tentakels waarmee ze zelfs een bolwerk als CBS dreigde te ontwortelen. Dat laatste gebeurde net niet, dankzij W&B: Wigand & Bergman.

 Regie: Ari Aster | Duur: 147 minuten | Taal: Engels & Zweeds | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Alsof je stoned door een pretpark slalomt. Zo voelt Midsommar aan, de nieuwe film van regisseur Ari Aster, die in zijn jeugdjaren van menig videotheek de horrorsectie ‘plunderde’, en wiens gezinsdrama Hereditary (2018) lovend werd ontvangen. Over Midsommar zijn de meningen nogal verdeeld: de een vindt hem weerzinwekkend, een ander briljant. Aster: “Ik hoop dat mijn film de mensen enigszins in verwarring achterlaat.”

Dani (Florence Pugh) en haar vriend Christian (Jack Reynor) bezoeken in het Noord-Zweedse Hälsingland een midzomerfestival. Al snel blijkt dat de organisatoren van de feestelijkheden er bizarre gebruiken en wonderlijk ceremonieel vertoon op nahouden. Hun verblijf aldaar heeft vooral impact op Dani, die kort voor de happening haar zus en ouders heeft verloren.

Wat je ook van Midsommar vindt, de meeste kijkers zullen onderschrijven dat Aster je behoorlijk bij de neus neemt. De film begint met de tragedie die hoofdrolspeelster Dani te slikken krijgt. Haar bipolaire zus pleegt zelfmoord en betrekt pap en mam in haar wanhoopsdaad. Een indringende opening tijdens welke Florence Pugh laat zien over uitzonderlijk veel talent te beschikken.

Na dat heftige begin volgt een relatief rustig gedeelte. Daarbij wel aantekenend dat je het voortdurend voelt borrelen in je maag. Zo’n ongemakkelijk, sudderend gevoel. Dat ongemakkelijke heeft te maken met het feit dat de relatie tussen Dani en Christian op sterven na dood is. Er gaat een enorme zwaarte van hen uit, individueel en als koppel. Hoe komen we in godsnaam van elkaar af?

Het openluchtfestijn lijkt de reddingsboei voor hun geërodeerde liefde, maar ook de zuivere lucht en het ongerepte groen baten niet. Sterker, eenmaal aangekomen opent zich een nieuw universum voor Dani en wordt de afstand tussen haar en Christian alleen maar groter. Het is ook vanaf dan dat Midsommar een bizarre wending neemt. Cinematograaf Pawel Pogorzelski kondigt die wending aan op het moment dat de vriendengroep het festivalterrein nadert: het beeld maakt als het ware een salto – klaar voor de trip van je leven? Het zwierige camerawerk (Pogorzelski strooit met perspectieven) is uitmuntend.

Wonderbaarlijk goed is tevens de nog jonge Pugh (1996) als de zachtaardige, kwetsbare Dani, die liever zelf lijdt dan haar omgeving te kwetsen. Ze ondergaat een transformatie in Midsommar die eindigt in een allesbevrijdende glimlach. Beeld en muziek (het schitterende Fire Temple) zetten je tijdens die slotscène in vuur en vlam. Let verder ook op haar handen. Heel knap hoe ze daarmee speelt, hoe die elkaar opzoeken in een poging de balans te bewaren. Een Oscarnominatie voor haar performance, dat kan toch niet anders?

Break-upfilm meets folkhorror. Ari Asters Midsommar is een duidelijke verwijzing naar The Wicker Man (1973) van Robin Hardy, het magnum opus van een subgenre dat eind jaren 60 en begin jaren 70 in de lift zat. Een film die de keerzijde van de hippiescene verbeeldt, waar de zoektocht naar het goddelijke ontaardt in satanische rites, sektarisch geweld en, uiteindelijk, complete hysterie.

Vil de Dwaas. De Voorouderlijke Boom. Rubi Radr. En niet te vergeten: Attestupan. Midsommar is een belevenis waarbij een ritje in een Efteling-attractie zoiets is als koekhappen op een kinderfeestje. Weerzinwekkende of juist briljante cinema? Beide, met de nadruk op dat laatste. Een meesterlijke mindfuck die verstilt en verstikt. Gaat dat zien, gaat dat zien.

 Regie: Alexandre Aja | Duur: 87 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Crawl speelt zich voor een groot deel af in een kruipruimte van een in Florida gelegen huis. Een bijzondere setting voor een film en een zeer ongewone setting voor Florida, omdat huizen met een kelder er zeldzaam zijn. De Amerikaanse staat ligt namelijk op zeeniveau en bovendien bestaat de ondergrond vooral uit zand.

Een orkaan van categorie 5 koerst pal op Florida af. Haley (Kaya Scodelario) negeert echter het evacuatiealarm en gaat op zoek naar haar vader Dave (Barry Pepper), die ze telefonisch niet te pakken krijgt. Uiteindelijk treft ze hem gewond en bewusteloos aan in de kelder van zijn huis. Al snel wordt duidelijk dat het wassende water niet hun grootste probleem is.

Gezellige boel, daar in Florida. Hitte, muggen, orkanen en – o jee, wat kruipt en kronkelt daar nou? – reptielen. Monsters met een waffel waar een bus in past en met schubben waar Godzilla jaloers op zou worden. Dus nee, geen beestjes voor in een kooitje op de vensterbank. De krokodillen in Crawl zijn uiterst angstaanjagend, maar hebben wel nadrukkelijk de computer als wieg; het is een veeg teken dat krokodil 1 er vriendjes op nahoudt die volmaakt identiek aan hem zijn.

Een ander dingetje is de vrolijke muziek onder de aftiteling. See You Later, Alligator is ongetwijfeld grappig bedoeld, maar volstrekt niet in lijn met wat je zojuist gezien hebt. Want Crawl is vooral bloedstollend. En steekt, op een paar schoonheidsfoutjes na, goed in elkaar. In positieve zin vallen twee dingen op: het zeer volwassen spel van Maze Runner-meid Kaya Scodelario (enorm gegroeid als actrice), en de montage; je schrikt je hier en daar het apelazarus!

Nadeel is dan weer dat regisseur Alexandre Aja een Amerikaanse rampenfilm-traditie voortzet. Op het moment dat mensen het water aan de lippen staat (in Crawl is dat ook letterlijk het geval), vervallen we in sentimenteel gedoe. Zo heeft Dave plots de behoefte om familieperikelen te bespreken die de kloof tussen hem en Haley even moeten dichten. Los van zijn beroerde timing wil ik vaderlief bij deze adviseren dat voortaan lekker bij een knapperend haardvuur te doen, en niet terwijl je in een ranzig hol achtervolgd wordt door happend gespuis.

Een paar minnetjes dus, maar de plussen wegen zwaarder. Crawl is geen kraker van jewelste, maar gewoon degelijk gemaakt, zeer vermakelijk kijkvoer waar je verder niet te veel achter moet zoeken. Zet je verstand op nul en beleef een ondergrondse plons die je niet snel zult vergeten.

 

 

 Regie: Phillip Noyce | Duur: 96 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

De film The Deep (1970) kwam er uiteindelijk niet. De financiering verliep moeizaam, er waren technische problemen en toen tijdens de productie hoofdrolspeler Laurence Harvey overleed, hield regisseur Orson Welles het definitief voor gezien. Toch zou Charles Williams’ roman Dead Calm (1963) alsnog verfilmd worden, maar nu met Phillip Noyce aan het roer. De gelijknamige film betekende de doorbraak van actrice Nicole Kidman.

Kapitein John Ingram (Sam Neill) en zijn vrouw Rae (Kidman) maken een zeiltocht op de Stille Oceaan om de dood van hun zoontje te verwerken. Op zekere dag stuiten ze op een beschadigde schoener met slechts één overlevende: Hughie Warriner (Billy Zane). Het echtpaar neemt de zwaar overstuur zijnde drenkeling aan boord, waarna John poolshoogte gaat nemen op het zeilschip.

Beesten, baby’s en boten: die drie b’s kun je het best mijden, waarschuwt men op de filmacademie. Filmen op open water is de goden verzoeken, maar levert in het geval van Dead Calm een geweldige prent op. Geen genreklassieker, wel een huzarenstukje. Met name op technisch vlak, want de cameravoering van Dean Semler (Dances with Wolves, 1990) is ontzettend knap en werd door het Australian Film Institute als zodanig herkend (Best Achievement in Cinematography). Verder valt de fijne editing van Richard Francis-Bruce op en is de muziek van Graeme Revell, spooky en ritmisch met behoorlijk wat ‘deining’ erin, een schot in de roos.

Het verhaal zelf dan. Bij dageraad kondigt ‘zeehond’ Ben de malheur reeds aan: hij staat te blaffen op het dek. Tweeëndertig dagen lang, zo tekent Johns logboek op, is de zee ‘dead calm’. Maar na de onverwachte entree van Hughie (hij dringt zichzelf min of meer op) is het afgelopen met de sereniteit. Zane speelt een psychopaat. Een charmeur met een zachte kant, maar de adonis blijkt ook zeer licht ontvlambaar. En bovendien een complete dwaas, die onbezorgd staat te dansen op een ontspannen muziekje terwijl de bewusteloze Rae bijna van het schip kukelt. Een kolderieke scène waarin, ook nu weer, het weergaloze camerawerk opvalt.

Zane is erg goed, maar wat de pas 19-jarige (!) Nicole Kidman laat zien, is fabuleus. Terwijl John op de schoener de ene na de andere schokkende ontdekking doet, zit het roodharige spillebeentje opgescheept met een manipulatieve mafketel. Verdrietig, wanhopig, vol ongeloof. Maar ook gedreven door furie en berekenend: aan haar voortreffelijke invulling van een complexe rol in Dead Calm dankte Kidman haar casting voor de film Days of Thunder (1990).

Alle hens aan dek in Dead Calm, een zeer vakkundig gemaakte psychologische thriller die zich afspeelt in een tegenstrijdige setting: alle ruimte van de wereld, maar toch geen kant op kunnen. Kidman excelleert in een film die je op het puntje van de stoel houdt, en die deels diende als uitgangspunt voor het eveneens indrukwekkende All Is Lost (2013) van scenarist-regisseur J.C. Chandor.

 Regie: Corin Hardy | Duur: 96 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Met The Nun heeft ze haar spin-off te pakken: de duivelse non uit The Conjuring 2 (2016) van horrorspecialist James Wan. De Australiër brak in 2004 door met Saw, een lowbudgetfilm die uitgroeide tot een lucratieve horrorfranchise. Met Dead Silence (2007) en Death Sentence (2007) gaf hij dat succes echter geen passend vervolg; beide films flopten. Maar Wan revancheerde zich met het alleraardigste The Conjuring (2013). En ook aan The Nun droeg hij zijn steentje bij, als schrijver en coproducer. Tevergeefs; de film is nauwelijks om aan te gluren.

Het is 1952. In de abdij van Sint-Carta (Roemenië) pleegt een jonge non onder mysterieuze omstandigheden zelfmoord. Het Vaticaan ontbiedt hierop eerwaarde Burke (Demián Bichir), die overigens geen smetteloos blazoen heeft. Met novice Irene (Taissa Farmiga) reist hij af naar de plek des onheils om de onderste steen boven te krijgen.

Aardedonkere vertrekken, prevelende nonnen, flikkerend kaarslicht, een verwaarloosd kerkhof, joekels van kraaien: The Nun leent zich niet echt voor knusse vakantiekiekjes. Tegelijkertijd is de spookachtige setting wel het enige goede element van de film. De rest? Oh My God. Bagger. Al na drie minuten weet je dat dit weer zo’n van-dik-hout-zaagt-men-planken-productie is. Waarom? Omdat het eerste lijk dan al een feit is. Lekker subtiel.

In het vervolg wordt het er niet beter op – understatement. Het plot heeft kop noch staart en het acteerwerk is ontzettend doorsnee. Alleen het optreden van Taissa Farmiga (de jongere zus van Vera Farmiga die Lorraine Warren speelt in de Conjuring-films) is nog enigszins het aanzien waard. Bichir daarentegen bakt weinig van zijn rol als geestelijke. Een spaghettiwestern, daar past-ie veel beter in. De dialogen missen iedere vorm van vernuft, fantasie. Clichés komen er voor in de plaats. “Wees voorzichtig, zuster.” Briljant advies. En nadat Burke door zuster Irene ternauwernood is bevrijd uit een doodskist, volgt de verpletterende conclusie dat er een “krachtig kwaad” actief is. Bibber.

“Finit hic, Deo.” Vrij vertaald: God eindigt hier. Die tekst staat in een houten deur gebrand. Je moet er toch niet aan dénken dat die deur ooit opengaat?! U begrijpt: hoe langer ik over The Nun nadenk, hoe meliger ik word. De Conjuring-franchise neemt plots een lachwekkende wending. Kan niet de bedoeling zijn als je juist de stuipen op het lijf gejaagd wil worden.

 

 Regie: Christopher McQuarrie | Duur: 147 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Heeft Tom Cruise de eeuwige jeugd? De Hollywoodster telt inmiddels zesenvijftig lentes, maar beweegt nog steeds als een jonge god over de filmset. Stuntje hier, stuntje daar. Natuurlijk gaat dat wel eens mis, zoals vorig jaar in Londen tijdens de opnames voor Mission: Impossible – Fallout. Een riskante sprong van een stellage op een gebouw moest hij bekopen met (slechts) een gebroken enkel. Halsbrekend is ook zijn rit in een helikopter, aan het einde van dit zesde Mission: Impossible-deel. Een vermakelijk deel vol straffe actie.

IMF-agent Ethan Hunt (Cruise) ziet in Berlijn een missie in de soep lopen, waardoor drie levensgevaarlijke plutoniumkernen in de handen van extremisten belanden. Samen met zijn trouwe partners Luther (Ving Rhames) en Benji (Simon Pegg) moet Hunt hierop serieus aan de bak. Op uitdrukkelijk verzoek van CIA-baas Erica Sloan (Angela Bassett) krijgen ze hierbij bovendien assistentie van agent Walker (Henry Cavill).

“Please don’t make me laugh” luidt het slotakkoord van de film. Daar slagen de makers van Fallout vrij aardig in. McQuarrie’s tweede Mission: Impossible-film loopt niet over van de humor. Jammer, maar dat weegt minder zwaar dan het feit dat het verhaal, overzichtelijk in het begin, na een uur uiteenspat als een fragmentatiebom. Erg veel plotlijntjes. En zoals wel vaker in dit soort films vechten die met de bulldozerende actie om de gunst van de kijker. Omdat de spanning daarnaast vrij vlak is, verslapt na twee uur filmgeweld de aandacht. Een paar oneliners had in dit verband uitkomst kunnen bieden.

Een beetje droog dus, maar gelukkig biedt ‘MI 6’ verder veel goeds. Het camerawerk is fantastisch, de montage zo scherp als een scheermes en op het acteerwerk is weinig aan te merken, hoewel niemand van de cast je echt zal bijblijven. Op Cruise na dan. Hij bungelt weer heerlijk hartstochtelijk aan bergwanden, knettert als een volleerde motormuis door de straten van Parijs en maakt het luchtruim van Kashmir (in werkelijkheid Nieuw-Zeeland) onveilig. De bijdragen van sidekicks Henry Cavill (niet heel charismatisch), Ving Rhames (zalig figuur) en de clownesk aandoende Simon Pegg zijn daarbij van voldoende niveau.

Franchise-moeheid is een valkuil; niet zelden vallen sequels nogal tegen. Dat geldt opvallend genoeg niet voor deze franchise, die sinds de derde film de opgaande lijn te pakken heeft. Mission: Impossible – Fallout scoort op IMDb zelfs dik boven de 8. Hmm, dat is iets te veel van het goede. Ondanks steady lefgozer Tom die de gekste capriolen uithaalt, maar nimmer grip op de situatie verliest. Cruisecontrol noem je zoiets.

 Regie: Alejandro González Iñárritu | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Heeft de mens een vrije wil, of worden we geleid door een hogere macht? Regisseur Alejandro González Iñárritu (The Revenant, 2015) maakte met 21 Grams een hartverscheurend enigma rondom die kwestie. Snapt u er na twintig minuten nog steeds geen snars van? Eerlijk gezegd was ook deze filmveelvraat het spoor prettig bijster.

‘Faith’ en ‘Jesus Saves’. Die woorden prijken op de auto van Jack Jordan (Benicio Del Toro). “Jesus gave me that truck. And it’s He who gives and He who takes away.” Dat zal hij geweten hebben. Zijn adoratie van en dienstbaarheid jegens Onze-Lieve-Heer zijn later als sneeuw voor de zon verdwenen. “I did everything He asked me to do! I gave Him my life, and He betrayed me.”

Dat verraad hangt samen met een tragisch ongeluk waardoor drie mensen die elkaar niet kennen met elkaar verstrengeld raken. Het is dé gebeurtenis in de film, waarbij aangetekend moet worden dat 21 Grams niet zozeer om de feiten draait, als wel om de emotionele gevolgen ervan. Want door het ongeluk nemen de levens van de doodzieke wiskundeleraar Paul Rivers (Sean Penn), Christina Peck (Naomi Watts) en Jack een drastische wending.

“Sommige gebeurtenissen zijn onvermijdelijk, maar niet echt voorspelbaar,” stelt Iñárritu. Inderdaad dekt toeval niet ieder gebeuren. Dat gegeven is de rode draad van 21 Grams, waarin de factor tijd niet ter zake doet. Immers, lijkt de klok niet stil te staan wanneer zich plots iets zeer heftigs voordoet? Het verhaal steekt dan ook niet-chronologisch in elkaar. En juist dat maakt de film zo verhalend, zo intens. Pas aan het eind, wanneer de puzzel is gelegd, kun je de afzonderlijke stukjes labelen. De gekozen vertelwijze, van de hak op de tak, verheft het soapachtige plot tot iets buitengewoon krachtigs.

Het acteerwerk is daarbij meesterlijk. Jack – wat een schitterend doorleefde expressie heeft Del Toro toch – doet zich voor als een discipel. Maar de ex-bajesklant verkondigt zo geforceerd Jezus’ woord dat hij zijn naasten meer schade berokkent dan helpt. En dus wordt hij kiezelhard tot de orde geroepen. Na het ongeluk vreten spijt en woede hem op, om uiteindelijk in zelfdestructief gedrag te vervallen. Woedend en destructief is ook de ‘geamputeerde’ Christina. Watts laat zien een uitstekende actrice te zijn. Gelukkige huismoeder, hoopje ellende in shock, spuwende vulkaan: wat een power legt ze in elk van die rollen!

Eenentwintig gram. Naar men zegt het gewicht van onze ziel. Zo vederlicht is de rollercoaster 21 Grams absoluut niet. Sterker, het is een zwaargewicht binnen het dramagenre. Een film over schuld, vergiffenis en verlossing die aankomt als een mokerslag. Iñárritu: “Grote gebeurtenissen moeten we gewoon ondergaan.” Vrije wil? Nee, hoogstens een vrije keus.

 

 Regie: John Krasinski | Duur: 90 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Ze geeft geen kik, Evelyn Abbott. Niet wanneer ze een kind baart, niet wanneer een spijker haar voet doorboort. Uiteraard kan ze het wel uitgillen halverwege A Quiet Place, maar dat zou ongenode gasten lokken. Als kijker ga je anderhalf uur lang ademloos mee in de leefregel die de Abbotts strikt moeten naleven. Doen ze dat niet, dan riskeren ze keihard voor de bijl te gaan.

A Quiet Place speelt zich af in een postapocalyptische wereld. Tot de overlevenden van de ramp behoren Lee Abbott (John Krasinski), zijn vrouw Evelyn (Emily Blunt) en hun drie kinderen. Ze moeten in absolute stilte leven omdat ze anders worden verslonden door geheimzinnige wezens die jagen op hun hoogontwikkelde gehoor.

Een omgevallen stoplicht, desolate straten en bomen die hun blad verliezen – de eerste paar shots in A Quiet Place zijn helaas ietwat aan de korte kant, maar goed. In een verlaten supermarkt is Evelyn op zoek naar medicatie voor hun zoontje Marcus (Noah Jupe). Wanneer het gezin vervolgens huiswaarts keert, gaat het gruwelijk mis. Had die klotebatterijen dan ook méégenomen, Lee!

De boeiende proloog zet de toon voor ouderwets nagelbijten. Niet zozeer door het aantal jump scares (die je telkens duidelijk ziet aankomen), maar meer doordat je vanaf de allereerste tel wordt meegezogen in de staat van angst waarin het gezin verkeert. Stel je voor continu alert te moeten zijn. Te moeten letten op elke beweging die je maakt, op elk geluid dat daaruit voortvloeit.

Dat strakke korset wordt ijzersterk verbeeld door het kwartet acteurs. Vooral de twee actrices vallen op: de 15-jarige en dove Millicent Simmonds (Wonderstruck, 2017) is subliem als het pubermeisje Regan dat zichzelf, in het vervolg van de film, de tragedie uit de eerste scène verwijt. En Blunt, die overigens getrouwd is met acteur-regisseur John Krasinski, levert al helemaal een tour de force af. Met name de badkuipscène is regelrecht Oscarmateriaal.

De camera is oog, oor en tong tegelijk in Krasinski’s intense horrordebuut A Quiet Place. De decibelmeter slaat nauwelijks uit, de spanningsmeter des te meer. De film verplicht elke bioscoopganger om muisstil te zijn. Consumeer dus niet, voor één keer alstublieft. Niets zo irritant als de terreur die popcorn heet.