Regie: Adam McKay | Duur: 130 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

“Truth is like poetry. And most people fucking hate poetry.” De quote had de tagline van The Big Short kunnen zijn. Omdat de film een fraude uit de doeken doet die je je moeilijk kunt voorstellen. Vooral de grootschaligheid ervan. Zoiets kan toch niet waar zijn? Daar komt bij dat materie behoorlijk complex is. De term ‘vastgoedzeepbel’ an sich begrijp ik, maar bij ‘kredietverzuimswaps’ haak ik af. De film mijdt dit soort jargon zeker niet. Gesneden koek wellicht voor een beetje cijfernerd, maar voor mij (een taaldier) is het in eerste instantie abracadabra.

Dus bekijk ik The Big Short een tweede keer. Een derde, vierde en vijfde keer. En uiteindelijk valt het kwartje. Misschien had ik beter het boek van Michael Lewis kunnen lezen, het gelijknamige boek waarop de film is gebaseerd. Anderzijds is het scenario van Charles Randolph en regisseur Adam McKay een formidabele bewerking van dat boek. Durf ik te zeggen zonder het gelezen te hebben. Subliem is bovendien het werk van Hank Corwin, de editor. Hij heeft een aanzienlijk aandeel in het gegeven dat je soepeltjes door het bank- en investeringswereldje beweegt. Niet meteen de meest warmbloedige bedrijfstak. Uniform. Kantoorflats waar elke vorm van romantiek ontbreekt. Bevolkt door mannen in pakken. Mannen die pakken wat ze pakken kunnen. Haantjesgedrag op dertien hoog.

The Big Short begint in 2005. De Amerikaanse huizenmarkt is op dat moment een kaartenhuis dat op instorten staat. Tientallen jaren lang zijn er namelijk hypotheken verstrekt waarvan de financiering rammelt. Voor de oorsprong van deze malversaties (de film begint ermee) moeten we terug naar eind jaren 70. Lewis Ranieri, de ‘Grote Smurf’ van de New Yorkse investeringsbank de Salomon Brothers, kreeg destijds het lumineuze idee om hypotheekleningen te verpakken tot obligaties die doorverkocht kunnen worden. Het markeerde het begin van een nieuw tijdperk in het Amerikaanse geldwezen. Financials harkten aan de lopende band en met speels gemak honderden miljoenen dollars binnen; the sky was the limit.

Maar Wall Street zou in de jaren erna uitgroeien tot een luchtkasteel. Een verraderlijk bouwwerk met, blijkt in 2007, een plafond van graniet. En daartegen je hoofd stoten doet zeer. Vier vreemde vogels anticiperen in 2005 op een dergelijk scenario, op een financiële meltdown. Ze ontdekken dat vele Amerikaanse huizenbezitters (beter: huizenbewoners) hun betalingsverplichtingen aan de bank niet nakomen. Een crash van de vastgoedmarkt, en daarmee de ontwrichting van de wereldeconomie, hing in de lucht. Wat de film echter voornamelijk laat zien, is hoe de vier de crash uitbuitten en er schatrijk door werden. Dat deden ze middels een techniek die short gaan heet: winst behalen door in te spelen op een daling van de aandelen- of obligatiekoers.

Hoe short gaan precies werkt? Kijk voor de details naar The Big Short. Wat een prent. Steengoed. Een suf onderwerp zo wervelend verpakken is grote klasse. Ik noemde al Corwins Oscarwaardige ‘knip- en plakwerk’, en ook het spel en het camerawerk zijn geweldig. Het op waargebeurde feiten berustende verhaal is geconstrueerd rondom een drietal personages: Michael Burry (Christian Bale), Mark Baum (Steve Carell) en Jared Vennett (Ryan Gosling). De drie acteurs vlammen in dit biografische drama, dat de nodige elementen van een zwarte komedie herbergt.

De mensenschuwe cijferfreak Michael Burry is de meest excentrieke van de drie. Een autist met een glazen oog. Zonder pardon lapt hij de mannen-in-pakken-cultuur aan zijn laars: meneer draagt consequent een zomeroutfit. Ja, ook op kantoor. Daar zeker. T-shirtje, korte broek, sandalen. Hij zit met blote voeten achter zijn bureau. Hij is dol op heavy metal en ook buitengewoon kundig met een paar drumsticks. Als hoofd van het hedge fund Scion Capital koopt Burry voor 1,3 miljard dollar aan ‘credit default swaps’, wat hem op een storm aan kritiek komt te staan.

Dan manager Mark Baum (in werkelijkheid Steve Eisman). Een arrogante bulldozer met een moreel kompas van staal. Gaat recht op zijn doel af en windt nergens doekjes om (dat is nog licht uitgedrukt). Hij beheert een relatief bescheiden investeringsfonds en stuurt een klein team van handelaren aan. Baum gaat door het lint als hij doorziet welke frauduleuze hypotheekconstructies de banken schaamteloos aan de man brengen, hoezeer kredietbeoordelaars de ogen daarvoor sluiten en welke atoombom dat potentieel legt onder de economie. Carell dreunt echt van het doek; dat zijn hart het niet begeeft!

Ryan Gosling tot slot. Zijn aandeel in de film is drieledig. Hij is uitstekend als de zeer gelikte verkoper Jared Vennett (Deutsche Bank). Bovendien neemt hij de kijker bij de hand door de schimmige wereld van het grote geld. Dat doet hij via de voice-over en door de vierde wand te doorbreken, dus door zich rechtstreeks tot de kijker te wenden. Andere acteurs doen dat trouwens ook, maar Gosling het vaakst. Het is een slimme zet van McKay; de mini-intermezzo’s verschaffen de kijker wat meer structuur én ademruimte. Dat laatste is broodnodig, want The Big Short is net een circustent. Wel eentje die staat als een huis.

Ongelimiteerd graaien enerzijds, een grenzeloze kortzichtigheid anderzijds: hebzucht en stupiditeit vormden tientallen jaren lang de opmaat naar een explosieve cocktail. Een cocktail die de boeken inging als de ‘kredietcrisis’. Hebben de wantoestanden van toen tot bezinning geleid? Is het bankwezen een radicaal andere weg ingeslagen? The Big Short eindigt met een schokkende conclusie: nee, het grote wegkijken is gewoon met een paar jaar verlengd. Het is business as usual. Geen wezen zo hardleers als de mens. Betekent de volgende crisis dan wél de definitieve ondergang van onze schuldeneconomie?

 

Regie: Farhad Savinia | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Taal is onderwerp van onderzoek in The Professor and the Madman, een biografisch drama naar het boek The Surgeon of Crowthorne uit 1998 van Simon Winchester. Op IMDb scoort de film onder critici gemiddeld 2.5. Er valt zeker het nodige aan te merken op wat Farhad Savinia ons voorschotelt, maar het lage rapportcijfer (op basis van slechts vier reviews) is mij te streng.

Engeland, 1872. De Schot James Murray (Mel Gibson) solliciteert naar de job om de eerste editie van de Oxford English Dictionary samen te stellen. Een op voorhand ondoenlijk karwei, want hoe verzamel en documenteer je álle woorden die de rijke Engelse taal herbergt? Gelukkig steekt een gepensioneerd legerarts, de Amerikaan William Chester Minor (Sean Penn), de helpende hand toe.

Waar komt de bagger die kenners over The Professor and the Madman uitstorten vandaan? Ik bekijk de film drie keer en stel vast dat Mel Gibson en Sean Penn, toch geen kleintjes binnen het acteergilde (beiden tweevoudig Oscarwinnaar), inderdaad niet de sterren van de hemel spelen.

Gibson speelt een uit het arbeidersmilieu opgeklommen autodidact die in het oer-Engelse, decadente universiteitswereldje van Oxford vriend en vijand verbaast met – overdrijven is ook een vak – zijn wel héél uitgebreide talenkennis. Probleem bij Gibson is dat hij vaak struikelt over de complexere emoties; veel kleuren telt zijn expressie-spectrum niet. Wanneer hij bijvoorbeeld door een tierende William dringend verzocht wordt om op te krassen, op het eind van de film, schiet hij in de tranen. Maar o jee wat doet hij daarbij met zijn mond? In de emotie hapt hij als een vis op het droge naar lucht. Een koddig gezicht.

Gibsons spel kan ermee door, dat van Penn niet. Laatstgenoemde wil veel te graag; een andere verklaring kan ik niet vinden voor zijn theatrale optreden. Hij speelt een 48-jarige ex-militair die claimt achtervolgd te worden door de deserteur die hij tijdens de oorlog heeft laten brandmerken. Zijn paranoia leidt tot de vergismoord waarmee de film begint, en zijn gedwongen opsluiting in het psychiatrisch ziekenhuis van Broadmoor. William wisselt momenten van innerlijke rust en luciditeit af met angstaanvallen en razernij, maar de schizofrene aard plakt Penn als een soort sticker op zijn personage.

Toch is er reden voor jolijt: Jennifer Ehle (als Ada, de vrouw van James), Natalie Dormer als de weduwe Eliza Merrett en Eddie Marsan als Mr. Muncie (bewaker in Broadmoor, een prachtig rolletje) geven de film kleur. Het zegt anderzijds veel over Gibson en Penn dat het vuurwerk moet komen van een drietal acteurs die alleen maar kunnen dromen van een Oscar(nominatie).

De echte pijn betreft het plot. Na vijftig minuten is er nog weinig aan de hand. Maar als William zich als een geschenk uit de hemel presenteert en het monnikenwerk van een wanhopige James vlot trekt, schakelen we plots twee versnellingen hoger. Een halve scheet later zijn James en William dikke vrinden, is het woordenboek af en raakt Eliza meer en meer gecharmeerd van de man die haar tot een armlastige weduwe bombardeerde. Pardon?

The Professor and the Madman is best amusant, maar heeft last van ruis: het plot is een propvol kladblok. Jammer dat Savinia niet inzoomt op de totstandkoming van het encyclopedische werk, op de “evolutie der betekenis” zoals professor Murray treffend stelt. Goede bijrollen en een paar fraaie tournures werken verzachtend, maar graag had ik een film gezien die de taal daadwerkelijk in de spotlights zet in plaats van deze te verbannen naar de kantlijn.

 Regie: Todd Haynes | Duur: 126 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

The Lawyer Who Became DuPonts Worst Nightmare‘. Onder die titel verscheen begin januari 2016 een artikel van Nathaniel Rich in The New York Times. Het is het uitgangspunt voor Dark Waters, een historisch drama dat de schellen van je ogen doet vallen. De film is een degelijk staaltje vakmanschap van regisseur Todd Haynes (Carol, 2015) waarin de hoofdrolspeler, drievoudig Oscargenomineerde Mark Ruffalo, echter meer had moeten brengen.

In Dark Waters speelt Ruffalo Robert Bilott, een door de wol geverfde bedrijfsjurist die net (het is 1998) partner is geworden bij het prestigieuze advocatenkantoor Taft, Stettinius & Hollister. Op een dag staat er een boer uit Parkersburg (West Virginia) voor zijn neus die beweert dat zijn vee massaal sterft omdat er in de buurt van zijn boerderij giftig afval wordt geloosd. Aarzelend gaat Bilott op onderzoek uit, wat uiteindelijk resulteert in een aanklacht tegen de voor de vervuiling verantwoordelijke chemiereus DuPont.

Geschrokken druip ik af na Dark Waters. Dus het is aannemelijk dat die troep ook in míjn lichaam rondzwerft? Want ik heb ook zo’n ding in mijn keukenla staan. Heb er nooit bij stilgestaan dat de letter T op de bodem ervan verband houdt met het goedje dat zoveel dood en verderf zaait in Dark Waters. Ik heb het over de chemische verbinding PFOA (ook wel C8 genoemd): perfluoroctaanzuur. DuPont gebruikte het decennialang bij de productie van teflon. Het zuur heeft de nare eigenschap dat het vrijwel niet wordt afgebroken door het lichaam.

Ook brave familieman Bilott beseft dat op zeker moment. Waarop hij midden in de nacht driftig alle keukenkastjes binnenstebuiten keert. Hoeveel ‘blije pannen’ telt ons huishouden eigenlijk? Ruffalo voelt zich kiplekker in de rol van bezeten speurneus. In Spotlight (2015) speelde hij een geobsedeerde onderzoeksjournalist, en ook in Dark Waters gaat hij tot het gaatje om de smerige praktijken van DuPont te openbaren. Ruffalo speelt oké, maar over het geheel genomen is zijn optreden toch enigszins teleurstellend. Ik mis net iets te vaak het heilige acteervuur; het is alsof dat bij hem schuilgaat onder een (soort van) antiaanbaklaag.

Meer pit zie ik bij Tim Robbins, die als Bilotts baas Tom Terp vurig pleit om Dupont keihard aan te pakken (prima scène). En bij Anne Hathaway die Roberts vrouw Sarah speelt. Het is vooral Hathaway die het pakkende maar tegelijkertijd ook wat stugge drama – ik proef aldoor Spotlight in Dark Waters – van iets meer lenigheid voorziet. Sarah steunt haar man door dik en dun, maar dat hun gezinsleven hevig lijdt onder Roberts missie om DuPont te knakken, knaagt aan haar. Wanneer ze hem daar op een dag mee confronteert, volgt een zouteloze repliek. Een gemiste kans.

Meest interessante invalshoek van Dark Waters is dat DuPont de grootste werkgever van Parkersburg is, een stadje met zo’n 30 duizend inwoners. Vrijwel onmogelijk om zo’n gigant, schatrijk en dus invloedrijk, de nek om te draaien. Hoe overweldigend het bewijs ook is. Het drinkwater is vergiftigd en de stad zelf is verstrengeld met de op het pluche zittende bron van vergiftiging. In dubbel opzicht een zeer ongezonde situatie.

 Regie: Damien Chazelle | Duur: 141 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

De reis duurde slechts vier dagen, de voorbereiding kostte jaren. First Man vertelt wat voorafging aan wat velen zien als de meest historische gebeurtenis van de vorige eeuw. Op zondag 20 juli 1969, even na 20.17 uur UTC, ziet de wereld hoe astronaut Neil Armstrong als eerste mens op de maan landt. Zes uur en veertig minuten later zet hij voet op het maanoppervlak: “That’s one small step for (a) man, one giant leap for mankind.”

First Man, gebaseerd op het boek van James R. Hansen, gaat over dat chapiter in het Amerikaanse ruimtevaartprogramma, en is toegespitst op Armstrong in de periode van 1961 tot 1969. Een welkome trendbreuk is dat de film geen lofzang is. Niet op Amerika, noch op NASA en haar dappere mannen die, Hollywoodiaanse producties piepen en kraken dikwijls onder dat euvel, ter meerdere glorie van de Stars en Stripes daar gaan “where no one has gone before”. Wat verder opvalt is dat de gespannen internationale verhoudingen op dat moment (de Koude Oorlog) een minimale rol spelen. Wel stipt de film de binnenlandse verontwaardiging aan: wat kost het eigenlijk om “witman” naar de maan te schieten? Kunnen die miljarden niet beter aan het collectief besteed worden?

Regisseur Damien Chazelle kiest dus voor relatief weinig ‘achtergrondruis’ in First Man. En hij werkte, in navolging van zijn met liefst zes Oscars bekroonde La La Land (2016), opnieuw samen met tweevoudig Oscargenomineerde Ryan Gosling. Het resultaat is een intiem portret. Ja, de verrichtingen van Armstrong en zijn kompanen zijn groots, maar het is alsof Chazelle die in een etalage plaatst. Van achter glas mogen we die verrichtingen zien, waarbij de focus op de mens en zijn emoties ligt, niet zozeer op zijn daden.

Van achter glas, maar wel door een vergrootglas. Hebt u Dunkirk (2017) gezien? Dan zal First Man u in zekere zin als een déjà-vu voorkomen. Het camerawerk is namelijk vergelijkbaar: onwaarschijnlijk goed. Meermaals bekruipt je de sensatie zélf in een ruimtecapsule te zitten, waar het trouwens niet prettig toeven was. Als sardientjes in een blik. En dan die technologie! Het blik werd nog net niet met plakband bij elkaar gehouden, maar veel scheelt het niet. Wat er in 50 jaar allemaal niet veranderd is. Onvoorstelbaar.

Behalve het camerawerk moet ook de cast genoemd worden. Een topcast met Ryan Gosling als de stoïcijnse Neil Armstrong aan het hoofd. “Hij is in de loop der tijd gekarakteriseerd als een teruggetrokken persoon. Maar dat was hij niet”, zegt Armstrongs oudste zoon Rick over zijn vader. Verre van stoïcijns is Neils vrouw Janet, uitstekend vertolkt door Claire Foy, bekend van haar rol als Queen Elizabeth II in de dramaserie The Crown. Terwijl Neil ‘gewoon’ met z’n werk bezig is, moet Janet haar zenuwen in bedwang zien te houden. Mark Armstrong: “Mijn moeder had alle zorgen, maar geen enkele controle.”

Aangedaan en met sterretjes in de ogen verlaat ik de bioscoopzaal: First Man is een fantastische biopic. Intens, oprecht. De film toont de zware, van de dood doortrokken aanloop naar het succes van de Apollo 11-missie. Nul sentiment, geen geromantiseer. Oké, op dat ene moment na dan. Het moment waardoor je kunt stellen dat Neil die slordige 385 duizend kilometer wellicht ook heeft moeten afleggen om het verlies van zijn dochtertje Karen een plek te kunnen geven.

 Regie: Warwick Thornton | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

“Wat voor kans heeft dit land?”, vraagt predikant Fred Smith zich vertwijfeld af in Sweet Country. Hij is de roepende in de woestijn, het enige schaap in een gebied waar wolven de dienst uitmaken. Dat gebied is Centraal-Australië, waar Australische kolonisators de Aboriginals als slaven lieten werken, nota bene op land dat de oorspronkelijke bewoners ervan eerst werd afgepakt.

Sweet Country speelt zich af in 1929 en is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van Aboriginal Wilaberta Jack die terecht moest staan voor de moord op een blanke man. In de film overkomt Sam Kelly (Hamilton Morris) hetzelfde. Hij en zijn vrouw Lizzie worden door hun baas Smith (Sam Neill) uitgeleend aan Harry March (Ewen Leslie), een getraumatiseerde ex-soldaat die hen afschuwelijk behandelt. Wanneer Sam zich op een dag bedreigd voelt, escaleert de situatie en komt March om het leven. Sam en Lizzie nemen hierop de benen, maar een posse aangevoerd door sergeant Fletcher (Bryan Brown) achtervolgt het duo dwars door de Australische outback.

Expansiedrift en repressie zijn vaak synoniem aan elkaar. Van die onderdrukking hebben veel witte Australiërs echter geen weet. Thornton, zelf een Aboriginal: “Met deze film praat ik over dingen waarover niet gepraat wordt.” Door de ogen van Sam Kelly krijg je dan ook een bittere geschiedenisles op je bordje. Zo bitter dat men in Adelaide na de film met stomheid was geslagen, getuigde filmcriticus David Stratton achteraf. “A stunned silence.”

Een klassieke western is Sweet Country niet, alhoewel hij er meerdere kenmerken van heeft: cowboys, een stoffig dorpje, een kroeg, drank, verbaal en fysiek machtsvertoon. En niet te vergeten het ontzagwekkende landschap van Australië, beeldschoon gefilmd door Thornton en zijn zoon Dylan River. Maar wat het meest opvalt is dat de film geen muziek heeft, op het Peace in the Valley van Johnny Cash onder de aftiteling na; een rendez-vous tussen ironie en verlangen. “Ik wil dat je gaat luisteren naar de woestijn”, licht Thornton zijn keuze toe.

Geen spoortje heroïek in het aangrijpende Sweet Country, dat Thorntons eigen volk niets nieuws leert. “Maar wellicht steekt de rest van Australië er iets van op,” zegt de regisseur die in 2009 doorbrak met het qua thematiek vergelijkbare Samson and Delilah, en die het christendom ziet als een virus dat de stokoude Aboriginalcultuur in een oogwenk uitroeide. Allesbehalve sweet.

 Regie: Steven Spielberg | Duur: 116 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Drievoudig Oscarwinnares Meryl Streep was duidelijk in haar Golden Globes-speech vorig jaar: “We need the principled press to hold power to account, to call him on the carpet for every outrage.” Voegt ze in de biopic The Post daad bij woord? Ze speelt Katharine Graham, die in 1971 als eerste vrouwelijke uitgever van The Washington Post voor een enorm dilemma wordt gesteld.

The Post begint met gevechten in het Zuid-Vietnamese Hau Giang. Defensieanalist Daniel Ellsberg stelt vast dat er weinig vooruitgang in de strijd zit en brengt minister van Defensie Robert McNamara hiervan op de hoogte. Maar terug in Amerika liegt McNamara de pers voor, waarop Ellsberg geheime documenten uit het Pentagon steelt en deze doorspeelt aan The New York Times.

Zondag 13 juni 1971. Op de voorpagina pakt The Times uit met Amerika’s langdurige, moeizame en grotendeels voor het volk verzwegen anticommunistische campagne in Indochina. Het Witte Huis, waar president Richard Nixon op dat moment de scepter zwaait, verbiedt hierop om nog langer geheime overheidsdocumenten over de oorlog te openbaren. Hoofdredacteur Ben Bradlee (Tom Hanks) legt zich hier echter niet bij neer.

Persvrijheid of nationale veiligheid? De kwestie is heikel, de timing zeer beroerd. De krant heeft namelijk net de beursgang gemaakt; zullen investeerders afhaken als Nixon daadwerkelijk aan de schandpaal wordt genageld? Daarnaast riskeren Graham en Bradlee een forse celstraf, en zou publicatie tevens het einde kunnen betekenen van het imperium dat The Washington Post is.

De vertolkingen in The Post zijn prachtig. Streep, voor de 21ste (!) keer genomineerd voor een Oscar, is formidabel als de innemende Kay die zich in het door mannen gedomineerde nieuwswereldje fier staande houdt. Ze krijgt ferm tegenspel van Hanks, die Ben Bradlee overigens persoonlijk kende. De dialogen tussen de twee Hollywoodiconen vormen dan ook het merg van de film.

Anderzijds is een scherpe kanttekening op z’n plaats: de kijker leert helemaal niets over de Pentagon Papers zelf. Spielberg brengt de onderzoeksjournalistiek van toen op nostalgische wijze in beeld, maar zijn film haalt het niet bij All the President’s Men (1976), waarin journalisten Woodward en Bernstein met bloed, zweet en tranen de ins en outs van de Watergate-affaire boven tafel weten te krijgen. Waarheidsvinding is immers geen romantische aangelegenheid; het spannende maar inhoudelijk vlakke The Post doet je dat iets te veel geloven.

 

 Regie: Stephen Frears | Duur: 111 minuten | Taal: Engels, Urdu & Hindi | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Judith Olivia Dench (1934) speelde in meerdere films de rol van koningin. Voor haar vertolking van Queen Elizabeth in Shakespeare in Love (1998) won ze zelfs een Oscar. Een jaar eerder was ze te bewonderen als Queen Victoria in Mrs Brown, een film die raakvlakken vertoont met Victoria & Abdul.

Het is 1887. De jonge Indiase klerk Abdul Karim reist af naar Engeland om mee te werken aan de viering van het jubileum van koningin Victoria (Judi Dench). De klik tussen haar en Abdul resulteert in een bijzondere vriendschap. Maar Victoria’s hofhouding ziet hun innige relatie met lede ogen aan en stelt alles in het werk om die te verbreken.

In Victoria & Abdul speelt Dench de op een na langst regerende monarch in de Britse geschiedenis. Het is vooral dankzij haar dat de film vlot wegkijkt. Niemand die zo schitterend nijdig kan prikken met de ogen als zij. De principiële lady neerzetten, dat gaat de actrice prima af. Ze speelt een grillige Victoria die zucht onder het juk van haar ambt. En die fel gekant is tegen discriminatie. Klopt dat laatste wel? Niet volgens de Britse pers die regisseur Stephen Frears (The Queen, 2006) betichtte haar als een soort Gandhi af te schilderen.

Ali Fazal speelt Karim, een moslim uit Agra. Brutaal zoekt hij oogcontact met de vorstin wanneer hij haar een ceremoniële munt moet overhandigen. Van nederige bediende groeit de exotische gast in no time uit tot haar munshi (spiritueel leraar). De aantrekkelijke Fazal speelt aardig, maar opereert voortdurend in de schaduw van zijn kreupele soulmate.

Terwijl Victoria helemaal opleeft, zaagt de snobistische aristocratie, onder aanvoering van Victoria’s zoon Bertie (Eddie Izzard), aan haar stoelpoten. Eerst subtiel, later op ronduit schaamteloze wijze. Victoria plooit echter niet. Machtig is de scène waarin ze Bertie en haar voltallige huishouding in niet mis te verstane bewoordingen de oren wast.

Historici zullen zich wellicht ergeren aan het geromantiseerde Victoria & Abdul, dat gebaseerd is op Abduls in 2010 ontdekte dagboeken. Niettemin oogt de film technisch verzorgd, zijn de kostuums prachtig en is Victoria’s gang richting het “eeuwige banket” een ontroerend besluit van een stijlvol Brits drama waarin Judi Dench heerst. Letterlijk en figuurlijk.

 Regie: Christopher Nolan | Duur: 106 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Het begon met een telefoontje van producer Jake Meyers (The Revenant, 2015) naar zijn Nederlandse collega Erwin Godschalk. Hij belde namens regisseur Christopher Nolan die op zoek was naar een geschikte locatie voor zijn oorlogsdrama Dunkirk. Het aan het IJsselmeer gelegen Urk viel bij Nolan in de smaak, waarna een Hollywood-tsunami het vissersdorp overspoelde. Dat er in de kerkgemeente niet in het weekend, laat staan op zondag gedraaid mocht worden, was geen probleem. Goddank.

Dunkirk vertelt de gebeurtenissen die zich eind mei 1940 afspelen in de Noord-Franse havenstad Dunkerque. Honderdduizenden Britse en Franse soldaten worden op dat moment door de van alle kanten oprukkende Duitsers richting zee gedreven. Er zit niets anders op dan de troepen te evacueren; een mega-operatie die de geschiedenis zou ingaan als het ‘Wonder van Duinkerke’.

Spektakel, daar lust Christopher Nolan wel pap van. Denk aan Inception (2010) en Interstellar (2014). En Dunkirk dan? Welnu, fasten your seatbelts! De film is gedraaid op IMAX, met camera’s zo massief als een blokkendoos. De uitdaging om daarmee ook handheld te kunnen filmen bleek een kolfje naar de hand van cinematograaf Hoyte van Hoytema, die sensationeel beeldmateriaal heeft geschoten. Talrijke close-ups katapulteren de kijker tot op de huid van de personages. De beleving wordt nog heftiger door de geraffineerd bewerkte soundtrack en geluidseffecten van gigant Hans Zimmer, die zijn voorkeur voor ‘crescendo’ (geleidelijke toonversterking) nog maar eens onderstreept. Een slordigheidje is dat zijn muziek soms verzuipt in het overvloedige achtergrondgeluid.

Drie verhaallijnen (de strijd op de grond, in de lucht en op het water), omlijst door audiovisueel machtsvertoon. Adembenemend, maar een echt plot is er niet en bovendien mist de film een protagonist. Had de focus niet wat meer op de personages moeten liggen? Van het trio topacteurs Tom Hardy, Cillian Murphy en Mark Rylance krijgt alleen de laatste de kans zich te onderscheiden. Geflankeerd door zijn zoons Peter en George dirigeert de kapitein zonder veel woorden te bezigen. Een rol die de charismatische Rylance fantastisch invult.

Intens, intenser, Dunkirk: aan zweethanden of hartkloppingen valt nauwelijks te ontkomen tijdens Nolans docu-achtige blockbuster die alom met veel enthousiasme is onthaald. En die het vredige Urk op de filmkaart heeft gezet. Is het volgende Urker sprookje de bouw van een heuse bioscoop in het dorp?

 Regie: Robert Zemeckis | Duur: 123 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

In zijn memoires To Reach the Clouds vertelt de Franse waaghals Philippe Petit (1949) over zijn gedenkwaardige stunt op woensdag 7 augustus 1974. Eigenlijk is het een mirakel dat hij le coup kan navertellen. Acteur Joseph Gordon-Levitt, in de rol van Philippe, doet dat in The Walk van regisseur Robert Zemeckis.

Tijdens een circusvoorstelling ziet de jonge Philippe iemand lijf en leden riskeren door hoog boven de grond over een draad te lopen. De vonk slaat over en op z’n zestiende zet hij zelf de eerste stapjes. Wanneer hij jaren later in Parijs als straatartiest de kost verdient, maakt hij kennis met koorddanser Rudy Omankowsky (Ben Kingsley) die Philippe enige tijd begeleidt. Onvoorwaardelijk gesteund door onder meer zijn vriendin Annie (Charlotte Le Bon) overbrugt hij in 1971 de afstand tussen de twee torens van de Notre-Dame. Maar dat is kinderspel vergeleken met de Twin Towers van het World Trade Center in New York, destijds het hoogste gebouw ter wereld.

Levitt speelt met flair een prettig gestoorde performer die stiekem zijn kabel spant op het spectaculairst denkbare podium. Heeft u last van hoogtevrees? Dan is het goed om te weten dat de acteurs zich tijdens de opnames op nog geen vier meter hoogte bevonden. De bovenste twee verdiepingen van het WTC werden nagebouwd en omgeven met green screen. De rest van de torens werd digitaal toegevoegd. Het effect is er niet minder om, want Philippe’s kunsten ogen adembenemend. Hoewel The Walk draait om zijn uitzonderlijke soloprestatie, is het voorbereidende werk van zijn trouwe ‘handlangers’ minstens zo indrukwekkend. Aan de hechte band tussen de personages is af te lezen dat de castleden elkaar buiten de set vaak opzochten. “Ze werden wat ze in de film zijn”, zegt Zemeckis.

Koste wat kost je droom willen realiseren vereist geloof, durf en toewijding. Maar dan zal het lot er ook voor zorgen dat die droom werkelijkheid wordt. Kijk maar naar Philippe Petit, een ballerino met ballen. The Walk is een hoogst amusante film over ‘the artistic crime of the century’ en een hommage aan haar decor: de iconische torens van het WTC.

The Walk

 Regie: Steven Spielberg | Duur: 142 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, in augustus 1945, vormden de inleiding tot de Koude Oorlog (1945-1989), een periode van gewapende vrede tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. De spionagethriller Bridge of Spies van grootmeester Steven Spielberg speelt zich af op het hoogtepunt ervan, tussen 1957 en 1962.

De film vertelt het waargebeurde verhaal van James B. Donovan (Tom Hanks). De advocaat uit New York, gespecialiseerd in verzekeringsclaims, wordt gevraagd om de verdediging van Sovjet-spion Rudolf Ivanovich Abel (Mark Rylance) op zich te nemen. Dankzij Donovan ontloopt Abel de elektrische stoel, maar moet hij wel 30 jaar lang achter de tralies. Dan belandt in mei 1960 de Amerikaanse U-2-piloot Francis Gary Powers in Russische handen. Hierop stuurt de CIA Donovan naar Oost-Berlijn om te onderhandelen over een gevangenenruil.

Belangen staan centraal in Bridge of Spies: die van twee grootmachten verwikkeld in een informatie-oorlog. Hanks is degelijk in zijn rol van betrouwbare raadsman die handelt conform de Amerikaanse grondwet. ‘Standup-guy’ Donovan houdt vast aan zijn overtuiging dat Abel, staatsvijand of niet, recht heeft op een eerlijk proces. Hij trotseert publieke verontwaardiging, afkeuring, ja zelfs intimidatie. Maar na Berlijn, waar hij zich een behendige diplomaat toont, keert hij glorieus terug op Amerikaanse bodem.

De hoofdrol is voor Hanks, een glansrol is weggelegd voor Rylance. De Britse acteur ontving een Oscar voor zijn voortreffelijke optreden als ijzig kalme kunstenaar-spion. “Would it help?”, is zijn standaardantwoord op Donovans vraag of hij zich (geen) zorgen maakt. Net als Donovan wenst Abel zich niet te verschuilen en spreekt er humaniteit uit zijn manier van doen. De samenwerking tussen de twee gelijkgestemden geeft de formele relatie advocaat-cliënt hoe langer hoe meer het aanzien van een voorzichtige vriendschap. Een gegeven dat de roerige ontwikkelingen een fijne toets geeft.

Bridge of Spies is een zeer boeiende, lekker langzaam gefilmde inkijk in een muurvast conflict dat het politieke wereldtoneel bijna een halve eeuw bepaalde. Daarnaast past de film binnen het actuele debat rondom een lastig thema, namelijk de frictie tussen veiligheid en vrijheid. Kan ‘Big Brother’ – een noodzakelijk kwaad? – beide waarborgen zonder ze tegelijkertijd te ondermijnen?

Bridge of Spies