Regie: Eskil Vogt | Duur: 117 minuten | Taal: Noors | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Wat een kutkind zeg, Ida. En de jonge dame is niet de enige die een pak rammel verdient in The Innocents, een film die je een unheimisch gevoel bezorgt. De weg daarnaartoe wordt listig geplaveid door om te beginnen de Noorse scenarist-regisseur Eskil Vogt, vorig jaar nog onderscheiden met een Oscarnominatie voor het script van The Worst Person in the World (2021). Ontzettend goed zijn de optredens van alle vier de kinderen in The Innocents. Verder is het camerawerk een lust voor het oog, en het sound design een lust voor het oor.

De negenjarige Ida (Rakel Lenora Fløttum) verhuist met haar ouders en autistische zus Anna (Alva Brynsmo Ramstad) naar een buitenwijk van Oslo. In de directe omgeving ervan maakt ze kennis met twee andere kinderen: Ben (Sam Ashraf) en de zachtaardige Aisha (Mina Yasmin Bremseth Asheim). Beiden blijken over speciale gaven te beschikken. Steeds vaker gaan Ida en Anna naar buiten om met hen te spelen, maar hun aanvankelijk onschuldige pret krijgt meer en meer een duister karakter.

Het hallucinante Midsommar (2019) en het unieke vampierdrama Let the Right One In (2008): van beide werken (een must voor een beetje cultfanaat) zit een mespuntje in The Innocents. Telkens valt op hoe betrekkelijk weinig Scandinavische filmmakers nodig hebben voor prikkelende cinema. Dat geldt ook voor The Innocents, waarin de kijker op vileine wijze het kinderbrein wordt ingeleid. En wat blijkt? Het onschuldige kind is een mythe. De openingsscène, met hypnotische, Midsommar-achtige muziek, licht reeds een tipje van die sluier op.

Als jong kind je draai zien te vinden in een onbekende leefomgeving is natuurlijk niet gemakkelijk. Daar komt bij dat Ida’s nieuwe habitat niet erg sprankelend is – ziehier een parallel met Let the Right One In. Het kleurloze appartementencomplex heeft men getracht wat op te leuken met de aanleg van een ondiepe plas water en een speeltuin, maar ook bij hoogzomer (wat het in de film is) nodigt het geheel niet uit tot de meest dolle avonturen. Een kinderhand is echter snel gevuld: Ida ontmoet in de oudere Ben een, zo lijkt het althans, vriendelijke jongen die haar een beetje wegwijs maakt.

Het (samen)spel van het kwartet kids is verbluffend. Het koude zweet breekt je bij momenten uit. Dat komt vooral door Sam Ashraf, die de minst benijdenswaardige rol heeft. Het joch acteert eng goed. Bens telekinetische krachten doen in eerste instantie vrij onschuldig aan, maar aan alles voel je dat hij niet pluis is. Een psychopaat in een jong jasje. Die de grens steeds verlegt. Zijn mentale kracht is namelijk zo sterk dat hij in staat is om andere mensen dingen te laten doen. En daarbij is de onschuld ver te zoeken. Ida, naïef en nieuwsgierig in het begin, komt in het vervolg echter serieus in opstand tegen Ben.

Een boosaardig vriendje, en dan ook nog een grote zus die veel aandacht vraagt. Ida moet haar continu in de gaten houden. Anna’s handicap is dat ze zich niet begrijpelijk kan uiten. Uit haar openstaande mond ontsnapt louter gemummel. Twee glazige ogen in een scheef koppie kijken daarbij vooral weg van de wereld. Om te janken zijn de kleren waarin ze is gehesen. Heeft mama die zelf gemaakt? Van lappen stof gekocht op een Bulgaarse rommelmarkt? Arm kind. Ook haar kapsel is zo dood als een pier. Alva Brynsmo Ramstad speelt voortreffelijk, maar ze hebben er wel álles aan gedaan om de sprietige meid suffer dan suf neer te zetten.

Ben is het gezicht van het kwaad in The Innocents, Aisha is de ‘Goede Fee’. Een soort mini-gebedsgenezeres. Mina Yasmin Bremseth Asheim speelt een sleutelrol in de film. Aisha is helderhorend en –voelend en gaat de strijd aan met ‘Boze Ben’. Daarbij werkt ze samen met, jawel, Anna. De spriet bungelt er lange tijd maar wat bij; ze dwingt vooral medeleven af en lijkt geen rol van betekenis te spelen. Niets is minder waar. Achter haar autistische pantser gebeurt verrassend veel. Met hulp van Aisha (communicatief gezien vormen zij en Anna een ‘twee-onder-een-kap’) brengt Anna haar moeder van blijdschap tot tranen. Maar lukt het de tandem ook om Ben op de knieën te krijgen?

Typische horrortaferelen biedt The Innocents niet. Pessi Levanto, de Finse componist van de mystieke soundtrack (digitaal bewerkte muziek van akoestische instrumenten, bijzonder knap gedaan) noemt Vogts werk een ‘Scandinavische arthousethriller’. Kan ik me prima in vinden. Het is fijnzinnige cinema, ingetogen. Wat met name blijkt uit de positie van de camera: die is steeds precies goed. Geen bruuske bewegingen, maar doordacht in- en uitzoomen. Kloppende close-ups. Met de lens dringt Sturla Brandth Grøvlen zo door tot in het binnenste van de vier kinderen, hun belevingswereld. Geen kinderspel hoor, die wereld.

 Regie: Robert Eggers | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Robert Eggers’ The Lighthouse is een freakshow die de kijker terugwerpt in de tijd. Willem Dafoe en Robert Pattinson schitteren in een film die ook technisch gezien ontzettend knap in elkaar steekt. Het beeldformaat springt het meest in het oog. The Lighthouse heeft namelijk een aspect ratio (beeldverhouding, de verhouding tussen de breedte en lengte) van 1,19:1. Een bijna vierkant beeld dus. Tel daarbij op dat de 35 mm-film in zwart-wit is geschoten, en je begrijpt waardoor The Lighthouse je doet ervaren hoe cinema er ruim een eeuw geleden uit zag.

Het verhaal speelt zich dan ook in die tijd af, zo rond 1890. Twee mannen, de ervaren vuurtorenwachter Thomas Wake (Dafoe) en voormalig houthakker Ephraim Winslow (Pattinson), zitten vier weken lang met elkaar opgescheept in een oord waar je echt niet wilt zijn: op een kaal, in permanent grijs gehuld eilandje voor de kust van New Engeland, in het uiterste noordoosten van de VS.

Waar houdt de fantasie op en begint de gekte? Na The Witch (2015) nodigt Eggers je in zijn tweede film opnieuw uit die vraag te beantwoorden. Zoek het lekker zelf uit, luidt zijn boodschap. Hij verschaft slechts het kader, door je op te sluiten in een soort visuele gevangenis. De scherpe begrenzing van het vierkante beeld voelt alsof je in een blokkendoos wordt gestopt. De zwartwitte schakeringen symboliseren daarbij de psychische gesteldheid van de twee mannen. De leegte vreet aan hen, stompt hen af. De afwezigheid van kleur prikkelt de fantasie van de kijker. En diens zintuigen. Het onvoorstelbaar ranzige voer, pannen vol urine waar drollen in drijven, zweet- en alcohollucht en een Thomas die aldoor scheten laat. Gadverdamme, wat is alles verschrikkelijk vies in The Lighthouse!

Het uniforme ‘blokkendoosbeeld’ werkt verdrukkend, en dus ga je op zoek naar een escape. Die is er niet, ervaren ook de twee tot elkaar veroordeelden, die elkaar slechts pruimen na overmatig drankgebruik. Schitterend hoe Ephraim en Thomas met elkaar op de vuist gaan. Eerst voornamelijk verbaal, later ook fysiek. De waanzinnige Thomas (een magistrale Dafoe) produceert de ene woordenwaterval na de andere en zadelt de kwetsbare Ephraim op met alle rotklusjes in en rondom de vuurtoren. En o wee als die zich durft te bemoeien met het licht; dat summum is louter en alleen gereserveerd voor Thomas.

Maar de introverte, seksueel hunkerende Ephraim – het is via hem dat Eggers zijn fantasie carte blanche geeft – laat zich dat niet zomaar ontzeggen. Significant in dat opzicht is de scène waarin hij zijn opgekropte woede koelt op een zeemeeuw; na dat kantelpunt zoekt hij steeds nadrukkelijker de confrontatie met de bazige Thomas. Aldus baant hij zich een weg naar het verlossende licht, naar dat gelukzalige ‘orgasme’ waarmee de film eindigt. Fantasie en gekte zijn dan definitief één.

Psychologische horror in een van drank doordrenkte zwijnenstal. Waarbij het geschal van de misthoorn, niet weg te denken in de film, fungeert als het refrein der waanzin. Misschien laat de fijnbesnaarde filmliefhebber The Lighthouse, een nachtmerrie voor een claustrofoob, beter aan zich voorbij gaan. Maar voor hen met een beetje eelt op de filmziel: zorg dat je deze fascinerende prent hebt gezien.

 

 Regie: Tomas Alfredson | Duur: 114 minuten | Taal: Zweeds | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

“Krijs als een varken. Toe dan.” Je hoort Oskar, maar het duurt een paar tellen eer je hem ook ziet. Dat wil zeggen, je ziet zijn spiegelbeeld. Cut. De actie verplaatst zich naar twee mensen in een taxi. Links in beeld een man. Pokdalig gezicht. Hij doet zijn bril af en glimlacht zacht richting het silhouet naast hem. Weer een cut en muziek die je een ongemakkelijk gevoel bezorgt. Welkom in de wondere wereld van Let the Right One In.

Wat niet te zien is, niet direct althans, prikkelt de zinnen. Let the Right One In leunt nadrukkelijk op dat gegeven. De film is een bizar sterke mix van drama, horror en puberliefde. Qua sfeer is hij dermate uniek dat je je afvraagt waarom men zich aan een remake heeft gewaagd. Let Me In (2010) mag dan van een behoorlijk niveau zijn, maar het Hollywoodproduct voegt niets toe aan het origineel.

Een buitenwijk van Stockholm, hartje winter. De 12-jarige Oskar (Kåre Hedebrant) raakt bevriend met Eli (Lina Leandersson), zijn kersverse buurmeisje dat een tikkeltje vreemd voor de dag komt. Vanaf dat moment neemt het aantal gruwelijke moorden in de nabije omgeving toe. Politie en bewoners hebben geen idee wie erachter zit, en ook Oskar vermoedt aanvankelijk niets.

Een vampierdrama zoals je nog nooit hebt gezien. Geen steracteurs, een allesbehalve bruisende setting (die overigens zeer functioneel is, daarover later meer) en nogal milde horrortoestanden. Er vloeit bloed, zeker, maar dat is bijzaak. Het verhaal draait voornamelijk om de context waarbinnen de twee buitenbeentjes Eli en Oskar elkaar ontmoeten.

Regisseur Tomas Alfredson kleurt deze context op magistrale wijze, bijgestaan door Hoyte van Hoytema, sprookjesverteller met de lens. Van niets maakt Van Hoytema alles. Zijn kadrering is uitgekiend, zijn cameravoering beheerst. Bijna sierlijk zelfs. Waardoor onder andere het decor, waar kraak noch smaak aan zit, tot een krachtig verhaalmotief wordt. Als voorbeeld het belegen buurtcafé waar men de sleur probeert te ontvluchten. Drinkend, paffend. Je proeft de tragiek.

Het tragische zit ‘m vooral in het feit dat iedereen zich eenzaam voelt, niet gezien. De schrandere Oskar, die bij zijn moeder woont, zijn vader weinig ziet en op school het mikpunt van pesterijen is. Zijn moeder, die teleurgesteld vaststelt dat haar zoon liever naar buiten gaat dan samen met haar tv kijkt. Zijn vader, die zijn hoofd laat hangen zodra er alcohol in het spel is. Eli, die moet doden om te overleven, en daar zichtbaar onder lijdt. Ook Conny, de baas onder de pestkoppen, is heel even alleen op de wereld wanneer z’n grote broer hem te grazen neemt. Zie de mens, in al zijn facetten; de film is een treffend college sociologie.

Wonderlijk schoon, wonderschoon: Let the Right One In scoort op elk onderdeel dubbele cijfers. De film komt enorm binnen door het betoverende camerawerk, het intelligente script, het authentieke acteerwerk en, niet te vergeten, door de meesterlijke soundtrack van Johan Söderqvist. Het geheel vormt een cinematografische hoogmis die enig in zijn soort is.

 Regie: Ildikó Enyedi | Duur: 116 minuten | Taal: Hongaars | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Half februari gaat de 68ste Berlinale van start. Als die een film zoals On Body and Soul van de Hongaarse regisseur Ildikó Enyedi op de rol heeft staan, is het filmfestival bij voorbaat al geslaagd. “Een klein meesterwerk”, oordeelde de NRC. Laat dat bijvoeglijk naamwoord maar weg.

In het beste geval gaat seks gepaard met liefde. Heel vaak echter blijft die goddelijke symbiose een fata morgana. Misschien wel omdat de mens juist zo op het vleselijke is gericht. Seks als de bekroning van wederzijdse liefde tussen twee mensen is natuurlijk prachtig, maar On Body and Soul gaat allereerst over de connectie op zielsniveau.

Mária (Alexandra Borbély) is werkzaam als kwaliteitscontroleur in een abattoir. Ze valt op omdat ze zich extreem afzondert van haar collega’s; alleen financieel directeur Endre (Géza Morcsányide) zoekt toenadering en weet enigszins tot haar door te dringen. Stilletjes groeit er een band tussen de twee, die verdiept wanneer ze ontdekken dat ze ’s nachts hetzelfde dromen.

Die ontdekking zit door heel de film verweven. Al in het begin zien we hoe een bok (mannetjeshert) zijn oog laat vallen op een hinde, waarmee meteen de link naar de karakters en het plot is gelegd. Want de eveneens introverte Endre tast de autistische Mária, doodsbang als ze is voor fysiek contact, behoedzaam af. De solisten zijn net twee aliens die elkaar de liefde influisteren. Respectvol, geduldig, gracieus. En die liefde wortelt diep, triggert de angst en verscheurt je in geval van afwijzing. “Het is alsof ik doodga. Ik hou zoveel van je”, zegt Endre pal na Maria’s wanhoopsdaad.

Zo zuiver hun liefde, zo wreed het decor waarbinnen zij gestalte krijgt. De beelden in het slachthuis – over vleselijk gesproken – liegen er niet om en contrasteren enorm met de subtiliteiten tussen Mária en Endre, met de sneeuwwitte biotoop van de herten. Een geniale vondst van Enyedi om het verhaal in een dergelijk tweeslachtig en daardoor surrealistisch aandoend kader te plaatsen.

De mens is meer dan alleen vlees en botten, zo laten de sensitieve Mária en Endre zien. Scenario, spel, camerawerk en montage zijn alle weergaloos. On Body and Soul brengt de kijker in hemelse sferen; voert je naar de niet-fysieke dimensie van de liefde. Waardoor dit romantisch drama míjlenver boven vele genregenoten uittorent.

 Regie: Mike Flanagan | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Before I Wake mag dan de tag ‘horror’ hebben, hij bezorgt je geen slapeloze nachten. Dit komt vooral omdat het monster in de film kinderlijk onschuldig oogt. Ander dissonantje: het einde is aan de zoetsappige kant.

Nachtelijk gewoel blijft de kijker dus bespaard, de 8-jarige Cody Morgan (Jacob Tremblay) echter niet. In dat gegeven schuilt het aardige plot van de film. Het pleegkindje van Jessie (Kate Bosworth) en Mark (Thomas Jane) bezit namelijk een speciale gave die zich ‘s nachts openbaart. Mits hij slaapt.

Regisseur Mike Flanagan (Oculus, 2013) past een veelgebruikte truc toe: hij begint het verhaal ‘in media res’ (ergens in het midden). Een man houdt, staande in Cody’s slaapkamer, een pistool op hem gericht. “I am sorry, Cody”, snikt hij. In het vervolg van de film uit Cody meermaals dezelfde woorden jegens Jessie en Mark. Na het traumatische verlies van hun zoontje Sean hoopt het stel met de adoptie van Cody een nieuw leven te beginnen. Maar hun wond blijkt nog niet geheeld.

Bosworth en Jane spelen beiden goed, Jacob Tremblay (bekend van het drama Room, 2015) nog beter. De dromen van de beleefde Cody komen uit en vormen tevens – aardig bedacht – de katalysator binnen het verwerkingsproces van met name Jessie. Geen probleem zolang het fijne dromen betreft, minder leuk bij nachtmerries. Dat die nachtmerries zelfs dodelijk kunnen zijn, weerhoudt Jessie er niet van het knaapje te gebruiken om zelf te helen, wat op den duur een wig drijft tussen haar en Mark. Jammer dat Flanagan dit plotlijntje te weinig kleur geeft; hun dynamiek had wat pittiger gemogen.

De kracht van Before I Wake is dat hij geen evidente zwaktes kent. Acteerwerk, cameravoering, belichting en montage zijn alle van goed niveau. De zwakte is dat hij evenmin echt spektakel biedt. Een degelijk gemaakte fantasiefilm tijdens welke je, dankzij een paar enge momenten, niet wegdroomt. Gelukkig maar.

 Regie: Roger Ross Williams | Duur: 92 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL

Camera

Life, Animated is gebaseerd op de bestseller van schrijver en journalist Ron Suskind en was vorig jaar een van de winnaars op het filmfestival Sundance. De documentaire van de Afro-Amerikaanse regisseur Roger Ross Williams gaat over een opmerkelijke episode in het leven van Owen Suskind; de Peter Pan uit de gelijknamige Disney-klassieker.

Ron en zijn vrouw Cornelia zitten met de handen in het haar wanneer hun 3-jarige zoon Owen op een dag ontvoerd wordt. Boeven die losgeld eisen? Massale politie-inzet? Niets van dat alles. Owens verdwijning is geestelijk van aard; de levenslustige hummel houdt namelijk op met praten. Zomaar ineens. Autisme zet een schot tussen hem en de wereld. Jarenlang komt hij niet achter dat schot vandaan, totdat zijn vader de pop Iago (de papegaai uit de Disneyfilm Aladdin, 1992) pakt en in die rol tegen hem begint te praten. En Owen antwoordt.

“Autisten hebben een script nodig”, zegt Ron. De animaties van Disney (van tientallen films kent Owen de teksten uit het hoofd) blijken de sleutel tot een beter begrip van de echte wereld. Zijn sterke identificatie met vooral de ‘sidekicks’ uit de Disneyfilms is geen toeval: ook Owen voelt zich een randpersonage. Een personage dat vroeg of laat op eigen benen zal moeten staan. Ja, communiceren in Disneydialogen bevordert zijn interactie. Maar dat script ook toepassen op complexere zaken is vers twee. Wat heb je aan die Disney-encyclopedie tijdens een sollicitatiegesprek? Of als je vriendinnetje het na jaren plots met je uitmaakt? Een van de meest illustratieve scènes in dit verband is het gesprek over seks tussen Owen en zijn oudere broer Walter.

Interviews met zijn naasten, beeldmateriaal uit het familiearchief en prachtig geanimeerde jeugdtekeningen van Owen zelf: het spraakmakende Life, Animated vertelt het ontroerende coming-of-ageverhaal van een knul met een handicap. Schoorvoetend maar met succes legt hij zijn weg af. Dankzij drie toonbeelden van liefde die niet van opgeven willen weten.

 Regie: David Wnendt | Duur: 116 minuten | Taal: Duits | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

In de paniek rondom de vluchtelingenproblematiek staan goddank intellectuelen op die de kwestie genuanceerd benaderen. Adolf Hitler is er zo een. Wat, Hitler? Ja, want na zeventig jaar stilte doet snorremans weer van zich spreken. In Er ist wieder da, een gewaagde en vlijmscherpe komedie naar de gelijknamige roman van de Duitse schrijver en journalist Timur Vermes.

In de film ontwaakt de voor dood aangenomen Führer (Oliver Masucci) midden in een Berlijnse woonwijk. Amper bijgekomen stelt hij vast dat de oorlog voorbij is en Duitsland een multiculturele samenleving is geworden. Zijn miraculeuze rentree is een geschenk voor Fabian Sawatzki (Fabian Busch). De goedzak wil zijn vastgelopen televisiecarrière nieuw leven inblazen en doet Hitler hiertoe het voorstel om samen op tournee door het moderne Duitsland te gaan. Aldus geschiedt. En wat blijkt? “De stille woede en ontevredenheid van het volk deden me denken aan 1930”, zo concludeert Hitler.

Hij dwingt respect en gezag af, de schijnbaar charmante Führer die Masucci beangstigend goed vertolkt. Door naar mensen te luisteren, hen te bevragen en hun geduldig zijn ideologie uit te leggen. Zijn rijzige gestalte, onverstoorbare mimiek en loepzuivere dictie van het Beiers werken daarbij betoverend. Met aan schaamte grenzende verbazing neem je kennis van de sympathie die de als Hitler uitgedoste acteur oogst. Eerst wordt hij voor een briljant komiek aangezien, maar omdat hij de vinger feilloos op de maatschappelijke wonden legt, wint hij pijlsnel aan populariteit. Hij verschijnt in diverse tv-shows, is hot op YouTube en schrijft een boek dat gretig aftrek vindt. Sawatzki echter, een van de weinigen in de film met een geweten, roept Hitler uiteindelijk een halt toe. Te laat? Het antwoord is verrassend en diepzinnig tegelijk.

Er ist wieder da houdt je nadrukkelijk een spiegel voor. En roept vele vragen op. Werkt de mix van feit en fictie niet vertroebelend? Is het wel gepast te lachen om iemand die verantwoordelijk is voor miljoenen doden? Hoe je Wnendts film ook moet interpreteren, de boodschap erin is zonneklaar: als we willen voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt, dan is de mens(heid) niet gebaat bij stereotiep zondebokgedrag.

Er ist wieder da

 Regie: Mark Osborne | Duur: 108 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: AL

Camera

Le Petit Prince, wie kent het niet? De Franse schrijver en (brokken)piloot Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) vergaarde er eeuwige roem mee. Het is het meest vertaalde boek ter wereld en in Frankrijk het best gelezen werk uit de Franse literatuur. De gelijknamige film van regisseur Mark Osborne loodst de kijker in vogelvlucht door het sprookje waarin ‘les grandes personnes’ (volwassenen) mikpunt van zachte spot zijn.

Volwassen mensen zijn namelijk rare snuiters. Zo ook de moeder van het kleine meisje in Le Petit Prince, een carrièretijger die zich voortdurend bemoeit met het leven van haar dochter. Nou ja, leven? Het is uitsluitend school wat de klok slaat. Tijd voor leuke dingen is er niet. Het arme kind gehoorzaamt gedwee, totdat ze op een dag kennismaakt met de oude buurman. Hij neemt haar mee op reis door zijn herinneringen aan de Kleine Prins, het ventje dat hem ooit het leven redde in de Sahara.

Qua vormgeving is er niets aan te merken op Le Petit Prince. De combinatie van twee technieken, computeranimatie en stop-motion, is stijlvol. Het huis van de oude man, zijn sprookjestuin en de tot leven gewekte illustraties uit het boek zijn fraai. Maar het vertelperspectief is anders dan in het boek. De lezer leert het prinsje kennen door de ogen van de ik-persoon (Saint-Exupéry), de kijker doet dat via het meisje. Geen probleem, ware het niet dat er ruis op de lijn is. Niet elke van de zeven planeten passeert de revue, en daarnaast overheersen de stormachtige belevenissen van het meisje die van het prinsje. Hierdoor komen niet alle symbolieken even goed uit de verf. Het leukst is nog de aimabele piloot (de stem van Bram van der Vlugt) met z’n archetypische baard.

Oogstrelend, maar inhoudelijk nogal chaotisch: de raamvertelling Le Petit Prince doet slechts ten dele recht aan het magische pareltje dat het boek is. Een zuivere weergave van het verhaal had waarschijnlijk meer tot de verbeelding gesproken. De film is een aardige introductie tot het boek, andersom helaas niet.

Le Petit Prince

 Regie: Jaco Van Dormael | Duur: 114 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Bestaat God nou wel of niet? De verdomd originele film Le tout nouveau testament van de Brusselse cineast Jaco van Dormael geeft ondubbelzinnig antwoord: God bestaat wel degelijk, en hij woont in Brussel.

Jean-Claude hoeft niet lang na te denken wanneer hij verneemt dat zijn overlijden aanstaande is. Hij gooit zijn mobiel en aktekoffer weg en gaat lekker op een bankje in de zon zitten. God geeft hem vast toestemming, toch? Nee, want God is geen barmhartig opperwezen, maar een hufter die zuipt, rookt, vloekt en zijn vrouw en dochter Ea afschuwelijk behandelt. Een gruwel die vanachter een computer zijn verzameling speeltjes (de mensheid) laat lijden.

Maar na tien jaar onderdrukking komt Ea in opstand. Ze sluipt Gods naargeestige werkkamer binnen, hackt zijn computer en stuurt alle mensen op aarde hun sterfdata. Op advies van haar broer J.C. gaat ze vervolgens op zoek naar zes apostelen om een gloednieuw Testament over hen te schrijven.

Het schitterende sieraad Le tout nouveau testament doet denken aan de film Amélie (2001) van Jean-Pierre Jeunet. Met de piepjonge Ea (Pili Groyne) in de rol van Amélie, een goede fee die wraak neemt op haar vader en mensen tot elkaar brengt. Geholpen door clochard Victor (Marco Lorenzini) geeft Ea tijdens haar missie blijk van magische eigenschappen. Dan komt God erachter dat zijn dochter de zaken heeft gesaboteerd. Hij gaat haar achterna, maar ondervindt aan den lijve wat voor puinhoop hij van de wereld heeft gemaakt.

Heel de cast imponeert in Le tout nouveau testament. Het meest Benoît Poelvoorde als een ongeschoren, in een foeilelijke kamerjas gestoken God die zijn haat botviert op zijn eigen creaties.

De Franse regisseur Jean-Luc Godard zei ooit: “De film is de meest religieuze van alle kunsten, omdat ze de mens voor de essentie van dingen plaatst en de ziel in het lichaam laat zien.” Welnu, Le tout nouveau testament raakt de essentie. Een fantasierijk plot, scherpzinnige dialogen, delicate humor en een poëtische cinematografie; het kan niet op in dit sprookje dat de kijker naar het beloofde land voert. Daar waar de kracht van schoonheid en de schoonheid van verbinding regeren. Luidt het ware evangelie niet dat God in élk levend wezen schuilt?

Le tout nouveau testament

 Regie: Guillaume Nicloux | Duur: 91 minuten | Taal: Frans & Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Vijfendertig jaar geleden speelden Gérard Depardieu (1948) en Isabelle Huppert (1953) in Maurice Pialats Loulou (1980). De twee boegbeelden van de Franse cinema zijn opnieuw te zien in Valley of Love, een zeer onbevredigende roadmovie van regisseur Guillaume Nicloux.

Zes maanden na de zelfmoord van hun zoon Michael treffen vader (Depardieu) en moeder (Huppert) elkaar weer. Michael heeft beiden namelijk een afscheidsbrief geschreven waarin hij hun voorstelt af te spreken in Death Valley (Californië). Ze zien het absurde van de situatie in, maar geven desalniettemin gehoor aan zijn wens.

Valley of Love heeft autobiografische trekjes. Nicloux’ film is namelijk een eerbetoon aan zijn overleden vader Alain die in Death Valley aan Guillaume verscheen. Bovendien bezweek de zoon van Gérard Depardieu in 2008 aan een longontsteking. Je eigen kind overleven is een nachtmerrie voor iedere ouder, maar ogenschijnlijk niet voor Gérard en Isabelle die elkaar jaren niet hebben gezien. Met een gedeeld verleden, gebrandmerkt door een groot verlies, is het toch aannemelijk om gevoelens van verdriet, schuld en schaamte uit te wisselen? Nee dus.

Gérard hekelt de door hun zoon uitgestippelde expeditie in één van de heetste oorden op aarde. Lichamelijk ongerief door de moordende hitte pookt de ergernissen op en kleuren hun weerzien asgrijs. Depardieu stelt het meest teleur. De extreem zwaarlijvige – hij is net een reusachtige gehaktbal met astma – speelt een nuchtere ziel met een rebelse attitude. Huppert lijkt qua postuur en emotionele erupties op Tante Sidonia. Ze probeert hem te overtuigen van de noodzaak tot uitwerking van hun ‘trauma’ en wijst hem op de betekenis van spiritualiteit in dit verband. Haar boodschap komt niet aan; tot diepgaande uitwisselingen komt het dan ook niet. En omdat Michael grotendeels een fantoompersonage blijft, verzandt het verhaal jammerlijk.

Valley of Love is geen bedevaart van hart tot hart, het mystieke woestijndecor ten spijt. Het scenario is tandeloos, het oeverloze gezwam irriteert en het einde is net zo vaag als de metafysische toespelingen die Nicloux op de kijker afvuurt. Helaas heeft zijn werk bitter weinig om het lijf, ondanks Gérard ‘Obélix’ Depardieu en ‘grande dame’ Isabelle Huppert.

Valley of Love