Regie: Christophe Barratier | Duur: 97 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Wordt Clément toch nog vader in Les Choristes! Adoptievader van een dolgelukkige Pépinot. Christophe Barratier breit zo een warm slotakkoord aan deze feelgoodfilm, een bewerking van La cage aux rossignols uit 1945 van Jean Dréville. Les Choristes, goed voor twee Oscarnominaties, speelt zich net na de oorlog af en is een lofzang op de saamhorigheid.

15 januari 1949. De pretentieloze muziekdocent Clément Mathieu (Gérard Jugnot) begint op het heropvoedingsinternaat Fond de l’Étang aan een pittige uitdaging. Als surveillant krijgt hij de verantwoordelijkheid voor een groep jongens met een hoog ‘stuiterbalgehalte’. Daarbij zit directeur Rachin (François Berléand) hem voortdurend op de huid.

De docent in wie de knul springlevend is: beiden dragen de naam Clément Mathieu. In het begin van de film doet hij iets wat zijn klas niet verwacht. Hij spaart in aanwezigheid van Rachin kwajongen Le Guerrec. Verbazing bij Le Guerrec en zijn klasgenoten. Wat doet-ie nou? Ook die andere delinquent (Morhange) pikt Mathieu er direct uit. Mathieu stelt hem aan als zijn tijdelijke vervanger omdat hij op de gang een woordje wil wisselen met Le Guerrec. Maar in plaats van de bengel tot Rachin te veroordelen, verzint Mathieu een betere straf. Terug in de klas steekt hij de draak met Morhange. Voilà, de essentie van vier jaar lerarenopleiding in een paar schitterende filmminuten.

De leerlingen voor je winnen is wezenlijk, ze (zelf)vertrouwen geven een noodzakelijk vervolg. Op een avond betrapt Mathieu knaap Corbin & co met een mondharmonica, ter begeleiding van een poging tot zingen. Weer toont Mathieu zijn vakmanschap. Hij schuift zijn ego opzij (hij slikt de spottende tekst aan zijn adres) en nodigt Corbin uit om zijn ‘zangkunst’ – een schorre lama zingt nog zuiverder – ten gehore te brengen. Zo wordt het jongenskoor van Fond de l’Étang geboren.

Met Mathieu breken er dus betere tijden aan in het geïsoleerde tuchtoord. Het repressieve bewind van driftkikker Rachin, die zweert bij de slogan ‘actie-reactie’, ondervindt in ieder geval wat tegenwind. Humaniteit en educatie brengen verzachting. De trendbreuk doet de kids ontdooien en ook Mathieu’s collega’s Chabert (Kad Merad) en Langlois (sympathieke freak, fijn bijrolletje) werpen de schroom van zich af. En scharen zich meer en meer achter de kale messias. Ja, zelfs de mens Rachin lijkt voorzichtig uit zijn graf op te staan!

Les Choristes is een muzikaal juweeltje dat in Frankrijk hartstochtelijk werd omarmd. Die stevige knuffel is terecht. Ik beperk me tot het noemen van een drietal acteurs. Als eerste François Berléand. Razend knap hoe hij de hufter vertolkt, wat een kloterol. Als tweede Morhange junior (Jean-Baptiste Maunier). Lange tijd zet het met een uitzonderlijk mooie zangstem uitgeruste engelengezichtje zijn stekels op tegen vooral Mathieu. Lukt het Mathieu om hem te temmen? Ten slotte het dropje van de film: de piepjonge Pépinot (Maxence Perrin). De kleinste assistent-koordirigent ter wereld. De man ook die vijftig jaar na Fond de l’Étang Pierre Morhange verrast met het dagboek van zijn surrogaatpapa.

Regie: Bora Kim | Duur: 138 minuten | Taal: Koreaans | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Wat ik voor onmogelijk hield, is dan toch gebeurd: de vonk tussen een Aziatische film en Jochem slaat over. De ‘schuldige’ is het prachtige Zuid-Koreaanse drama House of Hummingbird, het speelfilmdebuut van cineaste Bora Kim (1981) waarin ze herinneringen aan haar jeugd verwerkt. ‘Doorgeefluik’ van die herinneringen is het tienermeisje Eun-hee Kim, ontzettend knap vertolkt door Ji-hu Park.

Seoel, 21 oktober 1994. Tijdens het spitsuur bezwijkt een deel van de Songsu-brug. Hierop belt Eun-hee direct haar vader. Ze gilt, is buiten zinnen. Haar gedrag doet denken aan wat zich eerder dat jaar voltrekt: na de dood van Kim Il-sung, bijna een halve eeuw de sterke man van de stalinistische vesting Noord-Korea, breekt de pleuris uit in dat land. Hysterisch rouwbeklag, en masse. Eun-hee ziet de tv-beelden in het ziekenhuis waar ze op dat moment herstellende is van een medische ingreep.

De gekte behoort tot de uitwassen van een repressief systeem dat het individu verdrukt. Geen ruimte voor persoonlijke ontwikkeling, verboden toegang voor gevoel. Treffend is de reactie van de vader van Eun-hee als zij hem betrapt bij het dansen op muziek: “Ik oefende mijn tennisslagen,” verontschuldigt hij zich. Om zich vervolgens rap uit de voeten te maken. Repressie doet je vluchten in een cocon; stelselmatige conditionering sorteert kille façades. Autisten. Die buitenkant verklaart waarom ik me steeds stukbijt op Aziatische films. Ik word er vaak zo verdrietig van.

Totdat, onverwacht, Bora Kims subtiliteit me weet te ontroeren. Omdat ze erin slaagt die kille façades door te prikken in House of Hummingbird, een drama met een historisch kader. Een film over groeipijnen. Die doen zeer in een maatschappij zo strak als een korset. En nog meer zeer als je vrouw bent. Ik moet slikken wanneer twee jonge grieten in House of Hummingbird elkaar vertellen dat ze regelmatig worden afgeranseld door nota bene hun eigen broer. Kennelijk de normaalste zaak van de wereld. De een (een mondkapje maskeert haar dikke lip) krijgt ervan langs met een bamboezwaard, de ander met een golfclub.

“Wat is er veel waanzin, hè?” concludeert juffrouw Youngji (Sae-byeok Kim), lerares kalligrafie aan het Chinees bijbelinstituut waar Eun-hee wekelijks braaf aanschuift. De jonge Youngji zíet Eun-hee, Eun-hee voelt zich gezien. Behoedzaam schetst Bora Kim de vriendschap tussen de twee generaties vrouwen. Ik kan er niet omheen: in Kims film proef ik een vleugje Lost in Translation (2003). Weet u nog? Een subliem drama over twee verloren zielen in Tokio. Verbinding zoekend in een op hol geslagen attractiepark. Het potje van House of Hummingbird is heel anders dan dat van Lost in Translation, maar beide bevatten bitterzoete honing.

House of Hummingbird is een beschouwelijke prent. Dromerig. Het tempo ligt laag. Zorgvuldig opgebouwde strofes, een droef refrein. Het acteerwerk is voorbeeldig; een dikke pluim voor met name de jongste castleden. En met de camera weet Guk-hyun Kang (nu eens de distance benadrukkend, dan weer de confrontatie zoekend middels een close-up) uitstekend raad. Jammer alleen dat Kim naar het einde toe iets te veel het drama zoekt. Dat neemt echter niet weg dat ik vanaf nu Aziatische cinema een stuk zonniger bezie.

Regie: Mark Pellington | Duur: 119 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

“We are not allowed to know”. Met die constatering slaat Alexander Leek de spijker op zijn kop in het boeiende The Mothman Prophecies. De film is losjes gebaseerd op de bizarre gebeurtenissen waar de Amerikaanse journalist John A. Keel over berichtte in zijn gelijknamige roman uit 1975. Bent u klaar voor een ritje op de vleugels van het occulte?

De vrouw van journalist John Klein (Richard Gere) komt op mysterieuze wijze om het leven. Haar woorden (“You didn’t see it, did you?”) laten hem in het vervolg maar niet los. Twee jaar later is hij voor een interview op weg naar Richmond (Virginia), maar belandt hij in het plaatsje Point Pleasant (West Virginia). Daar wordt hem beetje bij beetje duidelijk wat zijn vrouw gezien moet hebben.

Heerlijk, dit soort spooky stuff. De Amerikaanse filmpers is echter verdeeld, wat blijkt uit de ‘metascore’ van 5.2 op IMDb. Onbegrijpelijk. Maar kijk je vervolgens naar het gemiddelde van de bijna 75 duizend ‘user ratings’, dan staat er een 6.4. Eens te meer is het geluid van Jan met de pet een stuk positiever dan dat van de kritische geesten, die er verstand van zouden moeten hebben. Ahum. Ik sluit me in dit geval aan bij alle Jannen.

Want The Mothman Prophecies scoort over de hele linie een ruime voldoende. En dat ondanks Richard Gere, waar ik geen fan van ben. Hij is mij te glad en eigenlijk alleen geschikt als hij een man van aanzien mag neerzetten. Zoals advocaat Martin Veil in het ondergewaardeerde rechtbankdrama Primal Fear uit 1996. Of de topverslaggever van The Washington Post die hij in The Mothman Prophecies vertolkt. Typisch trouwens dat die krant toen erg te spreken was over deze film.

Het vuurwerk komt dus niet direct van Gere. Drie andere acteurs vallen wel op: Laura Linney als de sceptische politieagente Connie, Alan Bates als voormalig ‘ghostbuster’ Alexander Leek (fijn rolletje) en vooral Will Patton als Gordon, de man via wie het merkwaardige wezen uit de film op den duur een gezicht, een naam en zelfs een stem krijgt. Met dat gezicht kan ik leven, de rest had wat mij betreft niet gehoeven. Laat het mysterie lekker een mysterie blijven.

The Mothman Prophecies gaat over zaken die zich onttrekken aan de menselijke waarneming. Wat Mark Pellington (Arlington Road, 1999) goed heeft begrepen, is dat een thriller pas die naam mag dragen indien hij ook technisch slim in elkaar steekt. Pellington speelt behendig met licht en kleur; let bijvoorbeeld op de dominantie van de kleur rood. En mocht je hier en daar moeten wegkijken omdat je anders geen nagels meer overhoudt, spits dan je oren: de tintelende soundtrack en geraffineerde geluidseffecten zijn namelijk niet te missen.

Regie: Alice Winocour | Duur: 107 minuten | Taal: Engels, Frans, Russisch & Duits | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Ruimtefilms staan dikwijls garant voor rampspoed, robuuste actie en vlotte visuals. Maar Proxima valt niet te betrappen op die blockbusterkwalen. De film is ‘easy going’ en speelt zich bovendien af op de grond. Tot zover het goede nieuws. Minder prettig: regisseur Alice Winocour slaagt er niet in om van Proxima een pakkend drama te maken.

De Franse astronaute Sarah (Eva Green) wordt geselecteerd voor een ruimtemissie. Ter voorbereiding moet ze een pittige training afwerken en krijgt ze te maken met een door mannen gedomineerde werkomgeving. Maar vooral de wetenschap dat ze haar achtjarige dochtertje Stella (Zélie Boulant) een jaar lang zal moeten missen, doet haar hart bloeden.

Verwachtingen had ik volop, maar jeetje wat kom ik sip de bioscoop uit. Eva Green, lovely Eva Green. Ik viel als een blok voor haar spel als Bondgirl in Casino Royale (2006). Had ik mijn levendige herinneringen aan de mysterieuze Vesper Lynd maar geschrapt voordat ik aan Proxima begon; een leermomentje. Niet dat Green er ineens weinig van bakt, maar serieus getest wordt ze evenmin.

Tergend langzaam de navelstreng doorknippen. Ik besef dat dit beeld niet erg smakelijk is, maar het is wel het euvel waar Proxima onder lijdt. Eigenlijk draait de film om maar één ding: het naderende afscheid tussen moeder en dochter. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven hun relatie. En behalve het eenzijdige plot is de sfeer behoorlijk landerig. Bijna honderd minuten verstrijken tot Sarahs werkelijke vertrek vanaf de raketlanceerbasis in Bajkonoer. Die eeuwige aftelprocedure is een uitstekend slaapmiddel.

De honderd minuten draaien hoofdzakelijk om de dynamiek tussen een volwassen vrouw en een jong kind. Sarahs moederinstinct en schurende dilemma zijn uiteraard perfect voorstelbaar. Een halfuur lang is het verhaal dan ook nog aardig te verteren. Daarna krijgt zeurderigheid de overhand. Moeder kan kind niet loslaten, kind kaatst het balletje terug. Kind boos, moeder verdrietig. Kind verdrietig, moeder boos. Hun ongezonde symbiose is niet leuk om naar te kijken. Op het vervelende af.

Bijna vergeet je dat Sarah ook nog een ambitieuze astronaute is. Alhoewel: fysiek en mentaal wordt de training haar op den duur te veel. Collega-astronaut Mike Shannon (Matt Dillon) werpt zich maar wat graag op als een soort beschermheer, maar in haar beperkte universum is er nauwelijks plek voor hem. Niet zo vreemd, bedenk ik na een uur, dat ze tevens gescheiden is van haar Duitse echtgenoot Thomas, een astrofysicus die trouwens ook niet van het doek spat.

Wat dan wél leuk is aan Proxima? De bescheiden bijdrage van Aleksey Fateev. Het is het spaarzame hoogtepuntje in een film die zich in drie woorden laat samenvatten: missie niet volbracht. Pff, wat hunker ik na dit weke melodrama naar een ruimtefilm waarin, heerlijk ouderwets, op volle toeren de gehaktmolen draait.

Regie: Debra Granik | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Mijn pen stokt tijdens Leave No Trace. Na de film blijf ik prettig verdoofd achter en staart nagenoeg wit papier mij aan. Terug op aarde reflecteer ik hardop: ze gaan door voor hulpbehoevend omdat ze dakloos zijn, maar voelen zich er juist thuis. Ze zíjn er thuis. Hoe anders is die andere realiteit? Het functionele hart van onze beschaving genoemd. Een biotoop opgetrokken uit staal, asfalt en beton. Bevolkt door krioelende eilandjes die anticiperen op een serieuze nekhernia omdat ze getrouwd zijn met hun smartphone.

In Leave No Trace maken we kennis met Will (Ben Foster) en de 13-jarige Tom (Thomasin McKenzie). Vader en dochter. Ze wonen in de periferie van de Brave New World: het Forest Park van Portland (Oregon), een uitgestrekt natuurreservaat in het noordwesten van de VS. Op een dag worden ze ontdekt door een jogger, waarna de autoriteiten voor hen op zoek gaan naar andere huisvesting.

Leave No Trace is een film met een voorgeschiedenis. In 2004 las schrijver Peter Rock namelijk in de krant over een vader (Frank) en diens dochter (Ruth) die hun jarenlange verblijf in het bewuste park abrupt beëindigd zagen worden. Vijf jaar later publiceerde Rock zijn roman My Abandonment. Het verhaal greep de Amerikaanse regisseur Debra Granik (1963) bij de keel, geïntrigeerd als ze is door mensen die ‘off the grid’ leven.

Ook oorlogsveteraan Will treft dat lot. Granik is begaan met de militairen die ooit, in oorlogstijd, als nationale helden door het leven gingen om erna een bestaan in de marge te leiden. Arm, afgedankt en niet zelden zwaar aan de medicatie. Kijk naar haar documentaire Stray Dog uit 2014. Wat doet het beeld of geluid van een helikopter met je als je in Vietnam, Irak of Afghanistan hebt gediend en terugkeert met een posttraumatische stressstoornis?

Het verklaart Wills vluchtgedrag, zijn non-conformisme. Is Moeder Natuur dan niet de meest helende omgeving die je je kunt wensen? Ja, fluistert Granik ons op fluwelen wijze in. Het openingsshot is meteen al een plaatje; de eerste slok uit een volle kelk groen, de overheersende kleur in Leave No Trace. Kleur van het hart. Van het in harmonie leven met elkaar en de omgeving, zoals vader en dochter dat doen. Zelf vuur maken, eten zoeken of water opvangen. Een boek lezen. Een potje schaken. De sterretjes in Toms ogen als ze naast het bospad een fonkelend halskettinkje ziet liggen. Geluk halen uit de meest simpele dingen.

Valt er, behalve jongeren die selfies maken – wat een debiel gedoe, deelt Granik haar verwondering met ons –, dan niets positiefs te melden over die andere realiteit? Gelukkig wel. Neem de twee maatschappelijk werkers die Will en Tom begeleiden richting een nieuwe start. Ze doen dat uiterst liefdevol. Neem pastoor Spencer die eerst zijn toehoorders in de zaal aanspoort om elkaar te begroeten, en vervolgens met trots de ‘For His Glory Dance Troop’ aankondigt. Wat volgt is vertederend. En ook een beetje hilarisch. Wat zijn mensen toch schattige wezens.

“We can still think our own thoughts”, relativeert Will de totaal nieuwe situatie waarin het onafscheidelijke duo na de verhuizing is beland. Maar die situatie fungeert als splijtzwam. Vooral sociaal gezien gaat er voor Tom namelijk een wereld open, terwijl Will doodongelukkig is. Behalve dat Leave No Trace existentialistische thema’s aankaart, krijgt de film vanaf dan ook steeds nadrukkelijker een coming-of-age-element. Gaat Tom haar eigen weg en laat Will haar gaan? Dat proces der ‘ontkoppeling’ vangt Granik in een scène waarbij je even moet slikken. Een tien voor het acteerwerk en zonder twijfel het hoogtepunt van een sereen filmdrama dat zijn sporen nalaat.

Ter nagedachtenis aan
Philip Engelen 
1938 – 2010

Regie: Farhad Savinia | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Taal is onderwerp van onderzoek in The Professor and the Madman, een biografisch drama naar het boek The Surgeon of Crowthorne uit 1998 van Simon Winchester. Op IMDb scoort de film onder critici gemiddeld 2.5. Er valt zeker het nodige aan te merken op wat Farhad Savinia ons voorschotelt, maar het lage rapportcijfer (op basis van slechts vier reviews) is mij te streng.

Engeland, 1872. De Schot James Murray (Mel Gibson) solliciteert naar de job om de eerste editie van de Oxford English Dictionary samen te stellen. Een op voorhand ondoenlijk karwei, want hoe verzamel en documenteer je álle woorden die de rijke Engelse taal herbergt? Gelukkig steekt een gepensioneerd legerarts, de Amerikaan William Chester Minor (Sean Penn), de helpende hand toe.

Waar komt de bagger die kenners over The Professor and the Madman uitstorten vandaan? Ik bekijk de film drie keer en stel vast dat Mel Gibson en Sean Penn, toch geen kleintjes binnen het acteergilde (beiden tweevoudig Oscarwinnaar), inderdaad niet de sterren van de hemel spelen.

Gibson speelt een uit het arbeidersmilieu opgeklommen autodidact die in het oer-Engelse, decadente universiteitswereldje van Oxford vriend en vijand verbaast met – overdrijven is ook een vak – zijn wel héél uitgebreide talenkennis. Probleem bij Gibson is dat hij vaak struikelt over de complexere emoties; veel kleuren telt zijn expressie-spectrum niet. Wanneer hij bijvoorbeeld door een tierende William dringend verzocht wordt om op te krassen, op het eind van de film, schiet hij in de tranen. Maar o jee wat doet hij daarbij met zijn mond? In de emotie hapt hij als een vis op het droge naar lucht. Een koddig gezicht.

Gibsons spel kan ermee door, dat van Penn niet. Laatstgenoemde wil veel te graag; een andere verklaring kan ik niet vinden voor zijn theatrale optreden. Hij speelt een 48-jarige ex-militair die claimt achtervolgd te worden door de deserteur die hij tijdens de oorlog heeft laten brandmerken. Zijn paranoia leidt tot de vergismoord waarmee de film begint, en zijn gedwongen opsluiting in het psychiatrisch ziekenhuis van Broadmoor. William wisselt momenten van innerlijke rust en luciditeit af met angstaanvallen en razernij, maar de schizofrene aard plakt Penn als een soort sticker op zijn personage.

Toch is er reden voor jolijt: Jennifer Ehle (als Ada, de vrouw van James), Natalie Dormer als de weduwe Eliza Merrett en Eddie Marsan als Mr. Muncie (bewaker in Broadmoor, een prachtig rolletje) geven de film kleur. Het zegt anderzijds veel over Gibson en Penn dat het vuurwerk moet komen van een drietal acteurs die alleen maar kunnen dromen van een Oscar(nominatie).

De echte pijn betreft het plot. Na vijftig minuten is er nog weinig aan de hand. Maar als William zich als een geschenk uit de hemel presenteert en het monnikenwerk van een wanhopige James vlot trekt, schakelen we plots twee versnellingen hoger. Een halve scheet later zijn James en William dikke vrinden, is het woordenboek af en raakt Eliza meer en meer gecharmeerd van de man die haar tot een armlastige weduwe bombardeerde. Pardon?

The Professor and the Madman is best amusant, maar heeft last van ruis: het plot is een propvol kladblok. Jammer dat Savinia niet inzoomt op de totstandkoming van het encyclopedische werk, op de “evolutie der betekenis” zoals professor Murray treffend stelt. Goede bijrollen en een paar fraaie tournures werken verzachtend, maar graag had ik een film gezien die de taal daadwerkelijk in de spotlights zet in plaats van deze te verbannen naar de kantlijn.

Regie: Matt Palmer | Duur: 101 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Marcus en Vaughn zijn aangeschoten wild in Calibre. En ze eindigen als ratten in de val. Een ijskoude-rillingen-scène is de ontknoping van deze spannende Netflix-thriller waarin met name Jack Lowden (Vaughn), winnaar van de BAFTA Scotland Award voor Beste Acteur, uitstekend voor de dag komt.

Ooit zaten Marcus (Martin McCann) en Vaughn op dezelfde kostschool. Om hun banden aan te halen nodigt Marcus Vaughn uit om een paar dagen te gaan jagen in de Schotse hooglanden. Het tripje loopt uit op een tragedie wanneer Vaughn, die geen enkele jachtervaring heeft, een hert ziet en als eerste de trekker overhaalt. Raak, maar géén schot in de roos.

Eden Lake, uit 2008. Toevallig ooit gezien? Tijdens die film over een stelletje dat een kampeeruitje in een nachtmerrie ziet eindigen, overkwam me iets zeer ongewoons: ik moest bij momenten de ogen echt dichtknijpen omdat de beelden me te indringend werden. Calibre is de lightversie van Eden Lake en speelt zich ook af in een landelijke omgeving. Belangrijker is nog dat de lokale bevolking de stadse ‘indringers’ van meet af aan vijandig tegemoet treedt, net als in Eden Lake.

Want warm verwelkomd worden Marcus en Vaughn niet door de ‘locals’, die wonen in de door de economische misère uitgeholde dorpjes waar, op die ene kroeg na dan, verder geen ruk te beleven valt. De eerste avond van hun verblijf gaan de twee schoolvrienden indrinken in zo’n rokerig drankhok en binnen de kortste keren hebben ze mot. De zaken worden dan nog gesust door ‘Grote Smurf’ Logan (Tony Curran, altijd fijn om naar te kijken), maar de toon is gezet.

Nog niet bekomen van de overvloedige alcohol gaan de heren de volgende dag op pad. Na het fatale voorval – what are the odds? – gaat zo ongeveer alles fout wat fout kan gaan. Marcus pakt namelijk direct de regie, maar begaat ook blunders. Marcus leidt, waar Vaughn voornamelijk lijdt. Lowden is zeer goed als een lieve, hevig in de war zijnde knul die zich laat meeslepen door de arrogante Marcus. Uitgerekend Vaughn is het die als eerste wordt ingerekend en alles opbiecht. Die sterke scène wordt gevolgd door een evenzo indringend slotakkoord. “Right is a long way gone”, praat Logan in op Vaughn die zich voor een afschuwelijk dilemma ziet gesteld.

Scenario en acteerwerk vormen het geraamte van een film. In Calibre zijn die twee uitstekend verzorgd. Kijk je daarnaast kritisch naar zaken als camerawerk, belichting en montage, dan past maar één conclusie: het ensemble maakt Calibre tot een voltreffer. Alle lof voor regisseur en scenarist Matt Palmer die je in zijn eerste speelfilm (!) meeneemt in een emotionele achtbaan.

 

Regie: Çağla Zencirci  & Guillaume Giovanetti | Duur: 95 minuten | Taal: Turks | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

De 25-jarige Sibel woont met haar alleenstaande vader en jongere zusje in een klein bergdorpje in het noordoosten van Turkije. Ze is een buitenbeentje, een paria zelfs. Ze kan namelijk niet praten; om zich uit te drukken maakt ze gebruik van een eeuwenoude fluittaal. Maar ze wordt vooral buitengesloten omdat de vrouwen in het dorp menen dat ze ongeluk brengt.

Interessant is dat Sibel meerdere gezichten heeft. Uiterlijk een knappe jonge dame met groene ogen die vuur spuwen. Innerlijk een onzeker meisje dat er alles aan doet om gezien en geaccepteerd te worden. Ze is uiterst loyaal aan haar vader (Emin) en zet, op de theeplantages bijvoorbeeld, voortdurend haar beste beentje voor. Zonder mopperen neemt ze bovendien het hele huishouden voor haar rekening. Anderzijds is ze ook behoorlijk jongensachtig, rebels. Zo gaat ze zonder hoofddoek over straat. Zonder hoofddoek, maar mét een geweer, vastbesloten als ze is om die gevaarlijke wolf in de bossen een kopje kleiner te maken.

Het is aannemelijk dat Sibels handicap haar een ‘normaal’ leven (trouwen, kinderen krijgen) in de weg staat. Het is niet zozeer haar beperking die maakt dat de vrouwen in het dorp haar verstoten, het heeft er vooral mee te maken dat ze een vrijgevochten, trotse spirit is. Bijzonder pijnlijk is het contrast met Sibels zusje Fatma, die een gemakkelijke prooi vormt voor een koppelaarster in het dorp. Wanneer Fatma echter op het punt staat om uitgehuwelijkt te worden, strooien aanzwellende roddels over Sibel zand in de motor.

Die roddels hebben te maken met een gewonde man die Sibel in het bos aantreft. Een jonge vent die weigert om in militaire dienst te gaan; een wezenlijke invalshoek van de film is dat ook de man het patriarchale systeem zwaar valt. Behalve de deserteur worstelt ook Sibels vader ermee, zij het niet openlijk. Immers, de druk van buitenaf weerstaan is niet gemakkelijk. Niet in de laatste plaats omdat Emin de burgemeester van de besloten gemeenschap is.

Het patriarchaat mag dan de man centraal stellen, het zijn bizar genoeg de vrouwen die het in stand houden. En dan vooral de oudere vrouwen, die de jongere vrouwen voor hun karretje spannen. Zelfs meneer de burgemeester krijgt met hun listige streken te maken. Een krachtiger slot had de film daarom ook niet kunnen hebben. Hierin schuift Sibel haar eigen pijn terzijde en bekommert ze zich liefdevol om haar ontroostbare zusje. Wat ze vervolgens doet is een heus statement. Respect in de vorm van een zeer voorzichtige glimlach van het meisje dat Sibel in het begin van de film nog vervloekte (prachtig shot), zet haar ‘zegetocht’ kracht bij.

Het drama Sibel is een metafoor voor de revolte van een dame tegen het patriarchaat. Het patriarchaat dat vele gezichten kent. De meeste schijnwerpers zijn gericht op Damla Sönmez (Sibel). Op de voet gevolgd door Eric Devin (pakkend camerawerk) maakt Sönmez’ scherpe expressie in combinatie met het gefluit het gesproken woord overbodig. Een knappe (acteer)prestatie.

 Regie: Robert Eggers | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Robert Eggers’ The Lighthouse is een freakshow die de kijker terugwerpt in de tijd. Willem Dafoe en Robert Pattinson schitteren in een film die ook technisch gezien ontzettend knap in elkaar steekt. Het beeldformaat springt het meest in het oog. The Lighthouse heeft namelijk een aspect ratio (beeldverhouding, de verhouding tussen de breedte en lengte) van 1,19:1. Een bijna vierkant beeld dus. Tel daarbij op dat de 35 mm-film in zwart-wit is geschoten, en je begrijpt waardoor The Lighthouse je doet ervaren hoe cinema er ruim een eeuw geleden uit zag.

Het verhaal speelt zich dan ook in die tijd af, zo rond 1890. Twee mannen, de ervaren vuurtorenwachter Thomas Wake (Dafoe) en voormalig houthakker Ephraim Winslow (Pattinson), zitten vier weken lang met elkaar opgescheept in een oord waar je echt niet wilt zijn: op een kaal, in permanent grijs gehuld eilandje voor de kust van New Engeland, in het uiterste noordoosten van de VS.

Waar houdt de fantasie op en begint de gekte? Na The Witch (2015) nodigt Eggers je in zijn tweede film opnieuw uit die vraag te beantwoorden. Zoek het lekker zelf uit, luidt zijn boodschap. Hij verschaft slechts het kader, door je op te sluiten in een soort visuele gevangenis. De scherpe begrenzing van het vierkante beeld voelt alsof je in een blokkendoos wordt gestopt. De zwartwitte schakeringen symboliseren daarbij de psychische gesteldheid van de twee mannen. De leegte vreet aan hen, stompt hen af. De afwezigheid van kleur prikkelt de fantasie van de kijker. En diens zintuigen. Het onvoorstelbaar ranzige voer, pannen vol urine waar drollen in drijven, zweet- en alcohollucht en een Thomas die aldoor scheten laat. Gadverdamme, wat is alles verschrikkelijk vies in The Lighthouse!

Het uniforme ‘blokkendoosbeeld’ werkt verdrukkend, en dus ga je op zoek naar een escape. Die is er niet, ervaren ook de twee tot elkaar veroordeelden, die elkaar slechts pruimen na overmatig drankgebruik. Schitterend hoe Ephraim en Thomas met elkaar op de vuist gaan. Eerst voornamelijk verbaal, later ook fysiek. De waanzinnige Thomas (een magistrale Dafoe) produceert de ene woordenwaterval na de andere en zadelt de kwetsbare Ephraim op met alle rotklusjes in en rondom de vuurtoren. En o wee als die zich durft te bemoeien met het licht; dat summum is louter en alleen gereserveerd voor Thomas.

Maar de introverte, seksueel hunkerende Ephraim – het is via hem dat Eggers zijn fantasie carte blanche geeft – laat zich dat niet zomaar ontzeggen. Significant in dat opzicht is de scène waarin hij zijn opgekropte woede koelt op een zeemeeuw; na dat kantelpunt zoekt hij steeds nadrukkelijker de confrontatie met de bazige Thomas. Aldus baant hij zich een weg naar het verlossende licht, naar dat gelukzalige ‘orgasme’ waarmee de film eindigt. Fantasie en gekte zijn dan definitief één.

Psychologische horror in een van drank doordrenkte zwijnenstal. Waarbij het geschal van de misthoorn, niet weg te denken in de film, fungeert als het refrein der waanzin. Misschien laat de fijnbesnaarde filmliefhebber The Lighthouse, een nachtmerrie voor een claustrofoob, beter aan zich voorbij gaan. Maar voor hen met een beetje eelt op de filmziel: zorg dat je deze fascinerende prent hebt gezien.

 

 Regie: Todd Haynes | Duur: 126 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

The Lawyer Who Became DuPonts Worst Nightmare‘. Onder die titel verscheen begin januari 2016 een artikel van Nathaniel Rich in The New York Times. Het is het uitgangspunt voor Dark Waters, een historisch drama dat de schellen van je ogen doet vallen. De film is een degelijk staaltje vakmanschap van regisseur Todd Haynes (Carol, 2015) waarin de hoofdrolspeler, drievoudig Oscargenomineerde Mark Ruffalo, echter meer had moeten brengen.

In Dark Waters speelt Ruffalo Robert Bilott, een door de wol geverfde bedrijfsjurist die net (het is 1998) partner is geworden bij het prestigieuze advocatenkantoor Taft, Stettinius & Hollister. Op een dag staat er een boer uit Parkersburg (West Virginia) voor zijn neus die beweert dat zijn vee massaal sterft omdat er in de buurt van zijn boerderij giftig afval wordt geloosd. Aarzelend gaat Bilott op onderzoek uit, wat uiteindelijk resulteert in een aanklacht tegen de voor de vervuiling verantwoordelijke chemiereus DuPont.

Geschrokken druip ik af na Dark Waters. Dus het is aannemelijk dat die troep ook in míjn lichaam rondzwerft? Want ik heb ook zo’n ding in mijn keukenla staan. Heb er nooit bij stilgestaan dat de letter T op de bodem ervan verband houdt met het goedje dat zoveel dood en verderf zaait in Dark Waters. Ik heb het over de chemische verbinding PFOA (ook wel C8 genoemd): perfluoroctaanzuur. DuPont gebruikte het decennialang bij de productie van teflon. Het zuur heeft de nare eigenschap dat het vrijwel niet wordt afgebroken door het lichaam.

Ook brave familieman Bilott beseft dat op zeker moment. Waarop hij midden in de nacht driftig alle keukenkastjes binnenstebuiten keert. Hoeveel ‘blije pannen’ telt ons huishouden eigenlijk? Ruffalo voelt zich kiplekker in de rol van bezeten speurneus. In Spotlight (2015) speelde hij een geobsedeerde onderzoeksjournalist, en ook in Dark Waters gaat hij tot het gaatje om de smerige praktijken van DuPont te openbaren. Ruffalo speelt oké, maar over het geheel genomen is zijn optreden toch enigszins teleurstellend. Ik mis net iets te vaak het heilige acteervuur; het is alsof dat bij hem schuilgaat onder een (soort van) antiaanbaklaag.

Meer pit zie ik bij Tim Robbins, die als Bilotts baas Tom Terp vurig pleit om Dupont keihard aan te pakken (prima scène). En bij Anne Hathaway die Roberts vrouw Sarah speelt. Het is vooral Hathaway die het pakkende maar tegelijkertijd ook wat stugge drama – ik proef aldoor Spotlight in Dark Waters – van iets meer lenigheid voorziet. Sarah steunt haar man door dik en dun, maar dat hun gezinsleven hevig lijdt onder Roberts missie om DuPont te knakken, knaagt aan haar. Wanneer ze hem daar op een dag mee confronteert, volgt een zouteloze repliek. Een gemiste kans.

Meest interessante invalshoek van Dark Waters is dat DuPont de grootste werkgever van Parkersburg is, een stadje met zo’n 30 duizend inwoners. Vrijwel onmogelijk om zo’n gigant, schatrijk en dus invloedrijk, de nek om te draaien. Hoe overweldigend het bewijs ook is. Het drinkwater is vergiftigd en de stad zelf is verstrengeld met de op het pluche zittende bron van vergiftiging. In dubbel opzicht een zeer ongezonde situatie.