Regie: Lukas Dhont | Duur: 105 minuten | Taal: Frans, Vlaams & Nederlands | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Eden Dambrine: de Mozart van het filmdoek. De Belgische knul is pas 15 jaar oud en had voorafgaand aan zijn rol in Close nog nooit geacteerd. Maar door zijn fenomenale spel in het aangrijpende coming-of-agedrama van de Vlaamse regisseur en scenarist Lukas Dhont (1991), geroemd om zijn speelfilmdebuut Girl (2018), zou het zomaar kunnen dat onze zuiderburen op zondag 12 maart 2023 de Academy Award voor de Beste Buitenlandse Film winnen. En kijk niet vreemd op als Dambrine met een Oscar voor zijn spel de kroon op een jongensboek zet.

Close portretteert de 13-jarige boezemvrienden Léo (Dambrine) en Rémi (Gustav De Waele). Ze wonen op het Belgische platteland en zijn nagenoeg onafscheidelijk, als yin en yang. Met de overgang naar de middelbare school komt hun vriendschap echter zwaar onder druk te staan. Hun innige band krijgt namelijk een etiket opgeplakt waar vooral Léo zich ongemakkelijk bij voelt.

Lukas Dhont heeft een gelukkige hand wat betreft casting. In 2018 maakte de wereld kennis met de toen 16-jarige Victor Polster in de rol van Lara, die in Girl schittert als een meisje dat carrière wil maken als ballerina. Het was Polsters acteerdebuut in een film die de hele wereld over ging. Met de selectie van Eden Dambrine schiet Dhont opnieuw in de roos. Waar de trein al niet goed voor is, want het was daar dat Dhont Dambrine ontmoette. Of hij oren had naar een filmauditie, luidde de vraag aan Dambrine. Een juichend ‘ja!’ was zijn antwoord.

Het was eventjes geleden dat ik met vochtige oogjes de bioscoopzaal verliet; Close heeft de ban gebroken. Wat een ontroerende film. De thematiek kent twee dimensies. Ten eerste is er de buitenste (of fysieke) laag, dus wat je waarneemt: Close is de verwijdering tussen twee met elkaar verstrengelde zielen. De directe aanleiding is de sociale druk, het verdict van de omgeving. Terwijl op de basisschool geen onderscheid wordt gemaakt tussen meisjes en jongens (de seksen zijn er nog niet gebonden aan een ‘gedragscode’), ligt dat een trapje hoger wel anders.

Fysiek contact tussen meisjes? Daar maakt niemand een punt van. Maar als jongens dat doen? Als die elkaar openlijk aanraken, hun hoofd in de schoot of de nek van de ander leggen? Voor Léo en Rémi is het de normaalste zaak van de wereld, thuis en op school. Ze slapen zelfs in hetzelfde bed. Geen gêne. Totdat een meisje op school merkt hoe close ze zijn en in het bijzijn van vriendinnen Léo daar een beetje lacherig op aanspreekt. “Zijn jullie een stel?” Die schijnbaar onschuldige vraag is het breekpunt in Close; erna is niets meer hetzelfde.

Als door een wesp gestoken neemt Léo na het incident afstand van Rémi. Eerst voorzichtig, later meer uitgesproken. Hun gespreksstof droogt op; waar ze eerst alles bespraken, wordt er nu steeds minder uitgewisseld. In de beginscène rennen de twee nog samen gierend door de bloemenvelden, na het incident lopen ze zwijgzaam zij aan zij. Léo fietst plots alleen naar school, op het schoolplein zijn ze niet langer die vertrouwde tandem. Een stoeipartij mondt bijna uit in vechten. “Slaap in je eigen bed!” commandeert Léo Rémi.

De intense (ziele)pijn als gevolg van de verwijdering is bij Rémi van top tot teen af te lezen. Ongeloof, verdriet, wanhoop. Wat is er met mijn beste vriend aan de hand? Ook Gustav De Waele, pas 14 lentes jong, levert een sublieme vertolking af als de gevoelige Rémi. De jongen die hobo speelt en hoofdzakelijk de vrouwelijke energie draagt. Rémi is porselein. Hij is introvert, trekt zich terug bij afwijzing. Rémi is ‘yin’, waar Léo meer ‘yang’ is. Léo is naar buiten gericht, levelt makkelijk met anderen. Is verbaal sterker dan Rémi en doet aan voetbal en ijshockey.

De mannelijke energie die het verlies onder ogen moet zien, daar gaat de tweede helft van Close over. Op een dag komt Rémi namelijk niet opdagen voor een schoolreisje. Het meeslepende drama dat Close dan al is, wordt hierna nog beter met de entree van Émilie Dequenne als Sophie, de lieve moeder van Rémi. Léo zit met vragen en zoekt daarom steeds vaker Sophie op. Dequenne, ook zij is indrukwekkend, toont zich in Close vervolgens een vrouw wier compassie prevaleert boven haar eigen pijn. Het stelt Léo in staat om af te rekenen met gevoelens van schuld.

Zijn catharsis krijgt haar beslag in het bos, in een scène waarbij de emoties Sophie, Léo én mij door de keel gieren. Léo in de armen van Sophie, beiden snikkend. De mannelijke helft van de twee-eenheid Léo-Rémi geeft zich over en vindt zo troost en vergeving via nota bene de moeder van zijn vrouwelijke ‘wederhelft’. De fysieke laag in Close is prachtig verbeeld, maar het is de niet-fysieke dimensie eronder, de dynamiek tussen het mannelijke en het vrouwelijke, die Dhonts Close tot veel méér dan een invoelbaar tienerdrama maakt.

Regie: Mia Hansen-Løve | Duur: 112 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: AL

Camera

Wat zie ik niet dat mijn collega’s wél zien? Dat vraag ik me af als Un Beau Matin een slordige drie kwartier onderweg is. Ik heb op dat punt namelijk het idee dat de film nog moet beginnen, maar eigenlijk weet ik dan al beter. Dus troost ik me met het vreugdevolle gegeven dat van de honderdtwaalf minuten pitloze realitysoap ruim een derde voorbij is. Helaas breekt ook voormalig Bond-girl Léa Seydoux geen potten in de nieuwe, deels autobiografische film van de Parijse filmmaakster Mia Hansen-Løve (Bergman Island, 2021).

Seydoux speelt in Un Beau Matin Sandra Kienzler. Sandra is alleenstaande moeder van een dochtertje (Linn) en werkt daarnaast als freelance tolk en vertaalster. Haar vader Georg (Pascal Greggory) lijdt aan een neurodegeneratieve ziekte, waardoor hij steeds minder zelfredzaam is. Op een dag loopt Sandra in Clément (Melvil Poupaud) een oude vriend tegen het lijf.

Synopsis en narratief zijn vrijwel synoniem aan elkaar in Un Beau Matin. Met andere woorden: veel meer dan wat in de tweede alinea staat, heeft dit ‘romantisch drama’ helaas niet in petto. De film is een soort schakelprogramma met een hoog déjà-vu-gehalte. We zien Sandra voortdurend ‘pendelen’. Pendelen tussen alle ballen die ze hoog moet houden. Haar vader bezoeken, voor Linn zorgen, werken, rollebollen met Clément (ja, die worden verliefd, zag ik écht niet aankomen). O ja, ze moet verder nog voor Linn zorgen, haar vader bezoeken, werken en lekker rollebollen met Clément. Een centrifuge aan banaliteiten waar ik een beetje van doordraai.

Naarmate de film vordert komt er een fractie deining in het platte plot; het zijn echter maar onschuldige golfjes. Variaties op hetzelfde narratief. Sandra’s vader Georg takelt verder af en raakt verzeild in een verpleeghuis-carrousel. En Clément komt maar niet los van zijn vrouw Valérie, waardoor hij alleen parttime bij Sandra kan zijn. Uiteraard frustreert dat Sandra, waarna die arme Clément hun ‘relatie’ dan maar beëindigt. Wat een tranendal, zeg. Maar binnen de kortste keren is de breuk weer gelijmd. Un Beau Matin is een bouquetreeksromannetje. Ware romantiek? Diepe gevoelens? Wezenlijke uitwisseling? Echt drama? Pas du tout.

Naar verluidt speelt de film zich af in Parijs. De lichtstad. Stad van de liefde. Waar je zo ongeveer struikelt over het cultureel erfgoed. Wat jammer dan dat het in potentie uitnodigende decor nauwelijks tot geen rol speelt binnen het verhaal. Vertel je mij na een uur dat Un Beau Matin zich in Reykjavik afspeelt, dan geloof ik dat meteen. Met de nota bene in Parijs geboren protagoniste Léa Seydoux (1985) had er toch veel meer in gezeten? Sowieso ben ik niet wild van Seydoux. Kille façade, een zogenaamd pittig kapsel en een troosteloze outfit – is er ook in Parijs een Wibra? Ironisch genoeg past haar presentatie perfect bij de film, en vice versa.

Welgeteld twee aardige momentjes kent Un Beau Matin, een verder slaapverwekkende film. Een van die momentjes betreft de filosofische beschouwing van Sandra omtrent de boeken van Georg; zowaar veer ik even op uit mijn stoel. Dat andere momentje zal ik niet verklappen, dan heeft u nog iets om naar uit te kijken. Hoe dan ook, een zwaar thema als de vergankelijkheid in beeld brengen vraagt veel meer fantasie en bezieling dan ik in Un Beau Matin zie. Dat de kritieken op de film dan ook zo positief zijn, is op zijn zachtst gezegd curieus.

Regie: David Lynch | Duur: 112 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Het doel heiligt de middelen in The Straight Story van meestercineast David Lynch, de meest hartverwarmende roadmovie die ik ooit heb gezien. Slechts een bescheiden film binnen het oeuvre van de man die aan de basis stond van de razendpopulaire, surrealistische televisieserie Twin Peaks, en daarnaast successen vierde met films als The Elephant Man (1980), Blue Velvet (1986), Wild at Heart (1990) en Mulholland Drive (2001). The Straight Story is gebaseerd op waargebeurde feiten. Het intieme drama betekende het laatste kunststukje van de Amerikaanse acteur en voormalig stuntman Richard Farnsworth.

Alvin Straight (Farnsworth) is de 73-jarige protagonist in The Straight Story. Hij is al jaren gebrouilleerd met zijn broer Lyle, maar wanneer Alvin op een dag verneemt dat die een beroerte heeft gehad, besluit hij hem op te zoeken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, daar ook Alvin niet meer de fitste is. Daarnaast woont hij honderden kilometers van Lyle af, beschikt hij niet over een rijbewijs en wijst meneer bovendien alle hulp af.

Hij loopt met stokken vanwege kapotte heupen, is slechtziend en heeft longemfyseem door het roken: het aardse bestaan van Alvin hangt aan een zijden draadje. Wat zijn toestand betreft is de analogie met Richard Farnsworth opmerkelijk te noemen, omdat ten tijde van de opnames ook de acteur de dood in de ogen keek. Farnsworth kampte met hevige pijnen als gevolg van terminale botkanker; via een pistoolschot maakte hij een einde aan zijn lijden. Hij werd 80 jaar.

Iets meer dan 250 mijl (ruim 400 km) scheiden de broers Alvin en Lyle van elkaar. Een aanzienlijke afstand door een heuvelachtig stukje Amerika. Dan is het meest voor de hand liggende transportmiddel een grasmaaier, nietwaar? Iedereen verklaart Alvin voor gek, zelfs zijn aan hem toegewijde dochter Rose (Sissy Spacek). Wat denkt-ie wel? Maar Alvin is bloedserieus en zet door, zelfs na een valse start. En zo vertrekt hij op een tweedehands John Deere-grasmaaier vanuit Laurens (Iowa) naar Mount Zion in Wisconsin.

Op míjn manier, in míjn tempo. In The Straight Story zien we deels ook de cineast zelf in het zadel zitten, schrijft Adam Nayman in een mooi artikel over Lynch’ film. Nayman: “The Straight Story can be understood as the work of a maturing artist determined to follow his own path after a series of setbacks.” Dat pad voert de kijker door een decor waar Lynch een patent op heeft: Amerikaanse plattelandsstadjes. In The Straight Story liggen die slaperig verzonken in oneindige velden graan en maïs. En terwijl de oogstmachines overuren draaien, tuft tussen het kaf en het koren een oude man richting de verzoening met zijn broer.

Het warme, goudgele herfstlicht is emblematisch voor zijn tocht der loutering. De camera gaat mee in het sukkeldrafje van Alvin, wiens racemobiel ook nog een kar moet trekken en daarom amper tien kilometer per uur haalt: doorgaans langzaam maar gedecideerd strijkt de lens over en langs het natuurschoon van Iowa en Wisconsin. Het sfeertje is dromerig, fabelachtig mooi. Enkel onderbroken wanneer de weergoden uitpakken met knetterend licht- en klankspel en we Alvin veilig onder een afdak zien genieten. Als een kind zo blij.

De loutering komt ook (en met name) tot uiting via de dialogen. Alvin komt onderweg namelijk mensen tegen met wie hij zich verbindt. Het zijn vonkjes waarvan de gloed evenwel ver draagt. Een van zijn ontmoetingen is die met een liftend tienermeisje dat op de vlucht is voor haar familie en vriendje. Subliemer kan cinema niet zijn. Bij een kampvuurtje (het element vuur is een terugkerend motief in The Straight Story, zowel destructief als zuiverend van aard) wisselen de twee vreemden hun zorgen en verdriet uit. Schitterend is Alvins metafoor voor de kracht van (een) familie: “That bundle, that’s family.”

Die scène is om nog een andere reden het hoogtepunt in een film met eigenlijk alleen maar hoogtepunten. Sissy Spacek is die reden. ‘Rosie’ noemt Alvin haar liefkozend. Spacek is weergaloos als zijn licht verstandelijk gehandicapte steun en toeverlaat in het huishouden. Ze is moeder van vier kinderen, maar die zijn haar ontnomen na een tragisch voorval. Eerder in de film maakt Lynch een toespeling op het gemis dat Rose hierdoor ervaart: via de vogelhuisjes die ze maakt en door het shot (in het donker) van een jongetje met een blauwe bal. Opnieuw voert hij in deze scène dat jongetje op, met dezelfde muziek als de eerste keer. Puur poëzie.

“This trip is a hard swallow of my pride”, zo luidt in The Straight Story de biecht van een kreupele grijsaard met fonkelende ogen. Fonkelend als de sterrenhemels waar hij en zijn broer Lyle (glimprol van Harry Dean Stanton) ooit, “so long ago”, eindeloos onder lagen te kletsen met elkaar. Hun weerzien beperkt zich tot een paar woorden, een paar blikken van ontroering; Lynch laat veel over aan de fantasie van de kijker. Alsof hij wil zeggen dat het vooral om de reis zelf gaat. Ga met Alvin mee op die reis en beleef de onvergetelijke zwanenzang van Richard Farnsworth (1920-2000), in a movie straight to the heart.

Regie: Martijn de Jong | Duur: 110 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

“Ik beschouw vrouwen als het sterke geslacht.” Aldus regisseur Martijn de Jong in de Filmkrant, eind december 2014 in het kader van zijn korte film Vrij. “Omdat ik denk dat ze makkelijker bij hun gevoel kunnen komen.” Daar heeft hij een punt. Maar hoe gaat dat hoofdpersoon Merel af in Narcosis, het speelfilmdebuut van De Jong? De Nederlandse inzending voor de Oscars, winnaar van drie Gouden Kalveren op het Nederlands Film Festival, wordt gedragen door actrice Thekla Reuten.

Narcosis gaat over een hecht gezin waarvan vader John (Fedja van Huêt) wegvalt. Bij een duik in een van de diepste onderwatergrotten ter wereld komt hij namelijk niet meer boven. Geen lichaam, geen begrafenis, geen afscheid. Vertwijfeld blijft Merel (Reuten) met haar twee jonge kinderen Boris en Ronja achter. Hoe dit enorme verlies te verwerken? Waar haar kinderen het verlies willen aangaan, vlucht Merel juist in de ontkenning. Hierdoor raakt het gezin nog verder ontwricht.

In 1998 won Karakter (1997), met Fedja van Huêt, bij de uitreiking van de Academy Awards het beeldje voor de Beste Buitenlandse Film. Een paar jaar later, in 2004, was een Nederlandse productie (De Tweeling, 2002) opnieuw in de race voor dezelfde prijs. Een film waarin Thekla Reuten schittert. Je zou zeggen dat met zowel Reuten als Van Huêt in de gelederen het bij voorbaat appeltje-eitje is: de Oscar voor de Beste Buitenlandse Film gaat volgend jaar maart naar Narcosis. Wat betreft het acteerwerk zou dat dan vooral de verdienste van Reuten zijn.

Zet Reuten (1975) de sterke vrouw neer die De Jong vaak in zijn films portretteert? Daar kun je over twisten. Een aanzienlijk deel van Narcosis zien we een Merel die logischerwijs in de war is. Reuten overtuigt als een vrouw bij wie gevoel en emotie verstopt gaan onder een laag vernis. Alsof ze onder narcose is en de realiteit daardoor maar moeilijk doordringt. Tegelijkertijd, stel ik na de zoveelste peinzende blik vast, wekt haar houding ook lichtelijk wrevel op: de stille schreeuw van haar kinderen om samen te rouwen, negeert ze grotendeels.

Dochter Ronja en zoon Boris trekken dan ook steeds harder aan de bel. Is er sinds het verlies nog geen openhartig gesprek geweest tussen Merel en haar kinderen? Had dat niet juist voor de hand gelegen? Een ouder valt plots weg, waarbij de fysieke sporen van de tragedie ook nog ontbreken. Ik vraag me af wat er is gebeurd in de periode van een jaar, tussen de mysterieuze verdwijning van John en het moment dat het verhaal verdergaat. Scenaristen Martijn de Jong en zijn vriendin Laura van Dijk laten dat in het midden.

Een Oscar zal de achtjarige Lola van Zoggel (Ronja) niet winnen, maar de piepjonge dame is hartstikke goed als een meisje dat via een ouderwetse draadtelefoon contact zoekt met haar overleden pap. Een telefoonkabel als een verbinding tussen de fysieke en niet-fysieke werkelijkheid is leuk bedacht. Maar de introductie van de telefooncel zelf komt uit de lucht vallen. Waar komt mijn vent nu mee aanzetten?, vraagt Merel zich verbaasd af. Ik ook. Meer houvast (context) was prettig geweest. Was John éérst geschetst als iemand met een neusje voor antieke zaken, dan had het filmmotief meer tot de verbeelding gesproken.  

Een belangrijke rol is weggelegd voor Boris, knap vertolkt door Sepp Ritsema. Vader en zoon zijn dol op elkaar, dat spat van het doek. Boris stikt dan ook van het verdriet en vindt het moeilijk het onvermijdelijke te accepteren. De knul troost zichzelf door John meermaals onder water (in vijvers, maar ook in bad) ‘op te zoeken’. Op die manier leeft vader voort in de zoon. Daarnaast schuwt hij de confrontatie met zijn moeder niet. Boris is verdrietig én boos. Afkeurende blikken in haar richting. Nukkig. Papa’s dood roept vragen op, maar waar blijven de antwoorden toch?

Die antwoorden liggen voor het grijpen, ware het niet dat Narcosis op het moment suprême niet doet wat volgens mij een inkoppertje was geweest, en wat tevens een boeiende wending aan het verhaal had kunnen geven. Merel is namelijk medium en kan in die hoedanigheid contact leggen met overledenen. Maar op Boris’ vragen gericht aan zijn vader moet ze helaas passen. “Ik durf het niet.” De mogelijkheid om het rouwproces samen aan te gaan en daarmee de groeiende kloof tussen moeder en zoon te dichten, wordt niet aangegrepen.

Toch komt die emotionele ontlading. De weg ernaartoe is niet de meest sierlijke (via opnieuw een ongeluk), maar in de slotminuten geschiedt eindelijk wat ik graag eerder had gezien: moeder, zoon en dochter omarmen gedrieën hun verdriet. Als een hecht gezin. Merel is dan op z’n sterkst; het zijn Reutens beste acteerminuten in Narcosis. Prachtig is het nummer Look At You, van de Canadese singer-songwriter Patrick Watson onder de slotbeelden, met Merel aan de piano. Het zijn subtiele toonladders, die lieflijk ‘meanderen’ door de hele film heen.

Meanderen, tussen het heden en verleden, doet ook het verhaal. De scène waarin Johns duikmakker Sjoerd (Vincent van der Valk) verstoppertje speelt met Ronja en Boris, is vervlochten met het stuk waarin het John zelf is die verstoppertje met hen speelt. Knappe editing. Minder goed is dan weer de scène waarin een schade-expert Merel bevraagt; jammer dat het roerei aan beelden ook nog eens eindigt met een pisnijdige Merel. Het meest opmerkelijk aan dat stuk is wel de muziek: mij valt de analogie op tussen The Undeniable Truth en het onvergetelijk mooie main theme van Interstellar (2014).

De soundtrack als geheel is een beauty en klopt volledig met de thematiek, maar viel niet in de prijzen. Erg spijtig. Gelukkig was er wel een Gouden Kalf voor de veelzijdige cameravoering van Martijn van Broekhuizen. En eentje voor Thekla Reuten. Dat is verdiend, hoewel ik de stellige indruk heb dat ze in Narcosis niet eens op de toppen van haar kunnen acteert. Omdat ze lange tijd nou juist niet de sterke vrouw neerzet die Martijn de Jong ooit treffend omschreef in de Filmkrant.

Regie: Wayne Wang | Duur: 112 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Het is 1990. De Twin Towers van het World Trade Center tooien de skyline van New York. Het internet staat in de kleinste kinderschoenen en zelfs in openbare ruimtes wordt volop gepaft. Het filmdrama Smoke speelt zich af in die tijd. Een era waarvan je de kiekjes ooit (binnenkort?) in de geschiedenisboeken aantreft. Of in de plakboeken van Auggie Wren. Zijn tabakswinkeltje in de wijk Brooklyn is een ontmoetingsplek voor ‘pelgrims’ van allerlei pluimage. Blank en zwart, jong en oud, arm en rijk. Een smeltkroes van het eeuwige nu.

Auggie wordt gespeeld door de inmiddels hoogbejaarde Harvey Keitel (83). Geboren en getogen in Brooklyn. Smoke is dus een soort thuiswedstrijd voor hem. Bovendien heeft hij een rol die hem ligt: het straatjochie spelen. Een tikkeltje ruig, ondeugend, met het hart op de tong. Aan de hand van Keitel slaagt Wayne Wang (ik had nooit van de regisseur uit Hong Kong gehoord) erin om een film te maken waarin het draait om de personages. Een verademing in vergelijking met de bombast in veel van de huidige producties.

Een van die pelgrims is schrijver Paul Benjamin (William Hurt, onlangs overleden), wiens zwangere vrouw bij een bankoverval werd doodgeschoten. Bijna had ook de verstrooide Paul het leven gelaten, maar de 17-jarige Rashid grijpt net op tijd in. Samen gaan ze op zoek naar de vader van de door mysteries omgeven knul, die onder andere geen vaste verblijfplaats heeft. En in zijn winkeltje krijgt Auggie op een dag onverwachts bezoek van zijn ex Ruby. Zij beweert dat ze samen een dochter hebben die dringend hulp nodig heeft.

Dialogen vormen het hart van de actie in Smoke, een volwaardig plot is er niet. De film is een kettingreactie van oorzaak en gevolg. De ontmoetingen zijn alledaags, maar zeer invoelbaar. De mens is in essentie goed, geeft Wang de kijker mee. Zo redt Rashid Paul en biedt Paul Rashid hierop tijdelijk onderdak. Auggie leert zijn vriend Paul dan weer de kunst van het kijken. Elke ochtend, al jaren lang, legt Auggie zijn tabakszaak vast op de gevoelige plaat. Elke ochtend precies één foto om klokslag acht uur. Plakboeken vol foto’s krijgt Paul voor de kiezen. En opeens ziet hij de vrouw die hem zo verschrikkelijk ontbreekt.

Zo rauw als de neten is dan weer de kennismaking tussen Auggie en Felicity. Wat een venijn legt Ashley Judd in haar spel, onwijs goed. Hoog lopen ook de emoties op tussen de gevatte Rashid (Harold Perrineau) en de lijvige garagehouder Cyrus (Forest Whitaker), wiens linkerarm eindigt in een stalen haak. Een ‘cadeautje’ van God. Die heftige scène loopt vloeiend over in het meest poëtische shot van de film: de traag door New York slingerende metro. De muziek onder de beelden is ingehouden, subtiel. Lichtvoetige melancholie.

Tabak, smeerolie van het gesprek – dat waren nog ‘ns tijden. Het sfeerportret Smoke is cinema uit de oude doos. De film besluit met een beeldig kerstverhaal: de ‘geboorte’ van Auggie’s fotoproject. De slotscène leert nog maar eens dat, met een beetje goede wil, het muurtje tussen een vreemde en uw naaste een dunne is. Dik dertig jaar na Smoke lijken we een beetje verleerd te zijn hoe dat muurtje te slechten. Misschien die hypnotiserende zakschermpjes vaker terzijde leggen.

Regie: James Cameron | Duur: 140 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Bij het schrijven over The Abyss moest ik denken aan een ander citaat dan waar de film mee begint, namelijk aan de woorden van de jonge Cole Sear in de geheimzinnige thriller The Sixth Sense (1999): “De profundis clamo ad te, Domine.” Cole’s smeekbede komt uit Psalm 130 en verwijst, met enige fantasie, naar de plek waar The Abyss zich afspeelt. De film van regisseur James Cameron kreeg vier Oscarnominaties. De filmpers was echter niet overdreven enthousiast: de metascore van slechts 6,2 is mijns inziens een regelrechte belediging aan het adres van de crew.

De bemanning van een booreiland wordt gevraagd te assisteren bij de berging van een Amerikaanse nucleaire onderzeeër die onder mysterieuze omstandigheden is gezonken. Terwijl men boven water vreest voor een escalatie van het incident tussen Amerika en Rusland, daalt een groep boorlieden onder leiding van hun voorman Bud Brigman (Ed Harris) af naar de diepste spelonken van de oceaan. Daar merken ze tot hun schrik dat ze niet alleen zijn.

Wat was, geopolitiek gezien, de wereld vroeger toch een relatief overzichtelijk oord, nietwaar? Een schaakbord met daarop twee grootmachten die elkaar decennialang in een houtgreep hielden, wat een era van gespannen rust opleverde. The Abyss speelt zich af tijdens de laatste stuiptrekkingen van de Koude Oorlog. Aan het einde van de film krijgt de kijker evenwel een ongemakkelijk lesje historisch besef: we maken er een zooitje van, wat meer vredelievendheid zou dus fijn zijn. Maar kennelijk moeten we diep zakken eer dat besef indaalt.

En diep zakken doen ze, Bud en zijn collega’s. Waarbij de problemen zich opstapelen. Orkaan Fred gaat vreselijk tekeer en bovendien telt het schip meerdere kapiteins. SEAL-luitenant Coffey (Michael Biehn) voert het bevel over de reddingsoperatie, maar de rigide engerd heeft geen kaas gegeten van goed communiceren. Daarnaast komt tot Buds afschuw zijn ex-vrouw Lindsey (Mary Elizabeth Mastrantonio) langs om een en ander in goede banen te leiden, en net als Coffey duldt ze weinig tegenspraak. De spanningen lopen nog verder op als een van de boorlieden op een levensvorm stuit die hem de stuipen op het lijf jaagt.

Dijk van een cast, ijzersterk acteerwerk. Behalve Harris, Mastrantonio en Biehn zijn er heerlijke bijrollen van Leo Burmester (als de robuuste ‘Catfish’) en Todd Graff (als ‘Rat boy’, de grapjas van het stel). The Abyss is een beetje de onderwatervariant van Twister (1996), waarin een kleurrijke verzameling weerpiraten als jonge honden de woeste weergoden trotseren. Ze beginnen als goede collega’s en eindigen als dikke vrienden, dankzij een ‘close encounter’ in de ijskoude diepzee. Met de vijand? Coffey denkt van wel. “You have to look with better eyes than that”, raakt Lindsey aan de essentie van de film.

Visueel is The Abyss een knap staaltje vakmanschap, ik kom daar later op terug. Nu eerst een paar woorden over het liefdesdrama dat de film ook is. Bud en Lindsey zijn niet voor elkaar bestemd, dat is na een half uur hartstochtelijk gekibbel wel duidelijk. Bud koestert gevoelens (meneer draagt nog altijd zijn trouwring), maar kan haar tegelijkertijd wel schieten. Lindsey is op haar beurt zeer kil naar Bud. Alsof hij in haar hoofd en hart al lang voltooid verleden tijd is. Not. Onder hoge druk wordt immers alles vloeibaar, dus ook vastgeroeste haatgevoelens tussen twee kemphanen, ooit tortelduifjes.

De liefde en de dood. Wat als die twee universele ‘grootmachten’ oog in oog staan? In een reeks van bloedstollende gebeurtenissen waaruit de film bestaat, is er één segment die het verdient om in een filmencyclopedie opgenomen te worden. In het voorwoord ervan. Een scène die Harris en Mastrantonio een Oscar had moeten opleveren. Waarin Bud tot het uiterste moet gaan om zijn Lindsey, waar hij even daarvoor afscheid van heeft moeten nemen, weer terug te halen. Bekijk hier wat Martin Koolhoven zegt (fraaie analyse) over een scène waarin Mastrantonio rake klappen krijgt te verduren.

Tien miljoen gallon, wat neerkomt op zo’n 38 miljoen liter. Dat was de hoeveelheid water die nodig was om de twee tanks te vullen die dienst deden als filmset. De tanks waren onderdeel van een kerncentrale in de buurt van Gaffney (South Carolina), een energieproject dat begin jaren 80 om budgettaire redenen strandde. Ene Earl Owensby kocht vervolgens in januari 1986 de vervallen tanks op en toverde ze om tot een filmstudio. Behalve in de reuzentobbes van Gaffney filmde men ook in Missouri, waar zich ‘s werelds grootste onderwatermeer bevindt, een met regen- en bronwater volgelopen ex-loodmijn.

Help, ik word in een bierblikje gepropt! The Abyss doet mij het überclaustrofobische Das Boot (1981) herbeleven. Dat is vooral te danken aan de vaste hand van de Deense cinematograaf Mikael Salomon, terecht onderscheiden met een Oscarnominatie. Het meer technisch getinte, visuele ‘geweld’ komt op naam van een kwartet heren: Dennis Skotak, John Bruno, Hoyt Yeatman en Dennis Muren. Gezamenlijk ontvingen ze de Oscar voor de Beste Visuele Effecten. Onthoud vooral Dennis Muren, een pionier op dit gebied en verzamelaar van Oscars (hij won er 6). Het digitale hoogtepunt van The Abyss is zonder twijfel het watertentakel waarvan het uiteinde het gezicht van Lindsey en Bud aanneemt.

Werkweken van 70 uur, zes maanden aan een stuk. “Dit nóóit meer”, zei Cameron na de voltooiing van zijn sciencefictiondrama The Abyss, een kletsnat spektakelstuk dat je de adem beneemt. Het moet een van de zwaarste filmklussen ooit zijn geweest. Filmen óp water is al afzien geblazen, laat staan eronder. “When you look into an abyss, the abyss also looks into you,” leren we van Friedrich Nietzsche aan het begin van de film. The Abyss is een in de vergetelheid geraakt meesterwerk dat ten diepste draait om de manier van kijken – hoe je kijkt bepaalt immers wat je ziet – en waarin uiteindelijk de liefde komt bovendrijven.

Regie: Eskil Vogt | Duur: 117 minuten | Taal: Noors | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Wat een kutkind zeg, Ida. En de jonge dame is niet de enige die een pak rammel verdient in The Innocents, een film die je een unheimisch gevoel bezorgt. De weg daarnaartoe wordt listig geplaveid door om te beginnen de Noorse scenarist-regisseur Eskil Vogt, vorig jaar nog onderscheiden met een Oscarnominatie voor het script van The Worst Person in the World (2021). Ontzettend goed zijn de optredens van alle vier de kinderen in The Innocents. Verder is het camerawerk een lust voor het oog, en het sound design een lust voor het oor.

De negenjarige Ida (Rakel Lenora Fløttum) verhuist met haar ouders en autistische zus Anna (Alva Brynsmo Ramstad) naar een buitenwijk van Oslo. In de directe omgeving ervan maakt ze kennis met twee andere kinderen: Ben (Sam Ashraf) en de zachtaardige Aisha (Mina Yasmin Bremseth Asheim). Beiden blijken over speciale gaven te beschikken. Steeds vaker gaan Ida en Anna naar buiten om met hen te spelen, maar hun aanvankelijk onschuldige pret krijgt meer en meer een duister karakter.

Het hallucinante Midsommar (2019) en het unieke vampierdrama Let the Right One In (2008): van beide werken (een must voor een beetje cultfanaat) zit een mespuntje in The Innocents. Telkens valt op hoe betrekkelijk weinig Scandinavische filmmakers nodig hebben voor prikkelende cinema. Dat geldt ook voor The Innocents, waarin de kijker op vileine wijze het kinderbrein wordt ingeleid. En wat blijkt? Het onschuldige kind is een mythe. De openingsscène, met hypnotische, Midsommar-achtige muziek, licht reeds een tipje van die sluier op.

Als jong kind je draai zien te vinden in een onbekende leefomgeving is natuurlijk niet gemakkelijk. Daar komt bij dat Ida’s nieuwe habitat niet erg sprankelend is – ziehier een parallel met Let the Right One In. Het kleurloze appartementencomplex heeft men getracht wat op te leuken met de aanleg van een ondiepe plas water en een speeltuin, maar ook bij hoogzomer (wat het in de film is) nodigt het geheel niet uit tot de meest dolle avonturen. Een kinderhand is echter snel gevuld: Ida ontmoet in de oudere Ben een, zo lijkt het althans, vriendelijke jongen die haar een beetje wegwijs maakt.

Het (samen)spel van het kwartet kids is verbluffend. Het koude zweet breekt je bij momenten uit. Dat komt vooral door Sam Ashraf, die de minst benijdenswaardige rol heeft. Het joch acteert eng goed. Bens telekinetische krachten doen in eerste instantie vrij onschuldig aan, maar aan alles voel je dat hij niet pluis is. Een psychopaat in een jong jasje. Die de grens steeds verlegt. Zijn mentale kracht is namelijk zo sterk dat hij in staat is om andere mensen dingen te laten doen. En daarbij is de onschuld ver te zoeken. Ida, naïef en nieuwsgierig in het begin, komt in het vervolg echter serieus in opstand tegen Ben.

Een boosaardig vriendje, en dan ook nog een grote zus die veel aandacht vraagt. Ida moet haar continu in de gaten houden. Anna’s handicap is dat ze zich niet begrijpelijk kan uiten. Uit haar openstaande mond ontsnapt louter gemummel. Twee glazige ogen in een scheef koppie kijken daarbij vooral weg van de wereld. Om te janken zijn de kleren waarin ze is gehesen. Heeft mama die zelf gemaakt? Van lappen stof gekocht op een Bulgaarse rommelmarkt? Arm kind. Ook haar kapsel is zo dood als een pier. Alva Brynsmo Ramstad speelt voortreffelijk, maar ze hebben er wel álles aan gedaan om de sprietige meid suffer dan suf neer te zetten.

Ben is het gezicht van het kwaad in The Innocents, Aisha is de ‘Goede Fee’. Een soort mini-gebedsgenezeres. Mina Yasmin Bremseth Asheim speelt een sleutelrol in de film. Aisha is helderhorend en –voelend en gaat de strijd aan met ‘Boze Ben’. Daarbij werkt ze samen met, jawel, Anna. De spriet bungelt er lange tijd maar wat bij; ze dwingt vooral medeleven af en lijkt geen rol van betekenis te spelen. Niets is minder waar. Achter haar autistische pantser gebeurt verrassend veel. Met hulp van Aisha (communicatief gezien vormen zij en Anna een ‘twee-onder-een-kap’) brengt Anna haar moeder van blijdschap tot tranen. Maar lukt het de tandem ook om Ben op de knieën te krijgen?

Typische horrortaferelen biedt The Innocents niet. Pessi Levanto, de Finse componist van de mystieke soundtrack (digitaal bewerkte muziek van akoestische instrumenten, bijzonder knap gedaan) noemt Vogts werk een ‘Scandinavische arthousethriller’. Kan ik me prima in vinden. Het is fijnzinnige cinema, ingetogen. Wat met name blijkt uit de positie van de camera: die is steeds precies goed. Geen bruuske bewegingen, maar doordacht in- en uitzoomen. Kloppende close-ups. Met de lens dringt Sturla Brandth Grøvlen zo door tot in het binnenste van de vier kinderen, hun belevingswereld. Geen kinderspel hoor, die wereld.

Regie: Jeff Nichols | Duur: 130 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Zwoel en zinderend. Zwoel is de sfeer, zinderend het spel in het met een avontuurlijk sausje overgoten drama Mud van Jeff Nichols. Steracteur Matthew McConaughey is uiteraard ‘the one to watch’, maar het is opvallend genoeg de jonge Tye Sheridan die de show steelt. Het is de derde speelfilm van Nichols (1978), die bekend werd met de apocalyptische nagelbijter Take Shelter (2011). Mud speelt zich, niet zonder reden, af in Nichols geboortestaat Arkansas. Mede dankzij diens uitstekende script was de film in de race voor de Gouden Palm.

De 14-jarige Ellis (Sheridan) en Neckbone (Jacob Lofland) zijn dikke maatjes. Tijdens hun omzwervingen in het stroomgebied van de Mississippi doen ze op een dag een merkwaardige ontdekking: op een eilandje treffen ze in een boom een boot aan. Het hangende gevaarte biedt onderdak aan de sympathieke Mud (McConaughey). Stukje bij beetje doet hij de jongens een opzienbarend verhaal uit de doeken, maar is hij wel te vertrouwen?

Mud streelt het hart van iedere man in wie de jongen nog leeft, mijn hart voorop. De film neemt je mee door de psyche van de man. In het bijzonder waar het zijn kijk op (liefdes)relaties betreft. Het verhaal ontbrandt als Mud zegt: “I like you two boys. You remind me of … me.” Waarmee hij bij de eerste ontmoeting direct al een bruggetje slaat tussen hem en de twee vrienden. Even later komt de aap pas echt uit de mouw. Mud zit in de penarie en kan goed wat hulp gebruiken. Neckbone (Neck) is direct op z’n hoede, Ellis daarentegen valt als een blok voor de gebruinde rivierrat.

Ik spoel een paar minuten terug. Ellis en Neck zijn in een motorbootje onderweg naar het eilandje. Er volgt een shot van de bomen waar, als vloeibare honing, het goudgele licht doorheen sijpelt. De schitterende belichting (zon, zon en nog eens zon) is het meest bezienswaardige element. Bovendien profiteert Nichols optimaal van de diversiteit van de rivierdelta. Frisgroen loof, het lieflijk kabbelende water van de Mississippi, het sompige zand. Kers op de taart is de fontein aan kleuren. Lila-paarse luchten, kaars- en kampvuurlicht en de vele aardse tinten variërend van terracotta tot okergeel: Mud is een weldadig bad voor de ogen.

In zulk een ambiance voelt zuivere ziel Ellis zich als een vis in het water. Tye Sheridan kun je met recht een revelatie noemen – de Artios Award voor de algehele casting van Francine Maisler en Diana Guthrie is perfect in orde. In ‘verstekeling’ Mud herkent Ellis zichzelf; direct is er een connectie. De knul (schrander koppie) heeft een enorme focus; een genot om Ellis te zien kijken, te zien observeren. Uiteraard kijkt hij in het begin iets tegen Mud op, maar hun vriendschap wint al snel aan gelijkwaardigheid. Ondanks het aanzienlijke verschil in leeftijd hebben ze elkaar kennelijk iets te leren – de ziel trekt zich immers geen fluit aan van de klok.

Mud gaat over de complexiteit van menselijke relaties. Over groeipijnen. Zo rommelt het tussen de vader en moeder van Ellis, kent Neck zijn eigen ouders niet eens en wordt hij opgevoed door zijn oom Galen (Michael Shannon). Ook Mud ontbeert een veilige basis. Hij fantaseert praktisch zijn hele leven al over zijn grote liefde Juniper (Reese Witherspoon), een knappe maar ietwat slonzige blondine die vooral vlucht in aandacht en kortstondig vertier. En dan is daar Ellis, de meest evenwichtige van alle ‘ontspoorden’. De onbetwiste held van de film voorziet een hongerige Mud van groene boontjes in blik, incasseert als gezant van de liefde meermaals rake klappen en brandt zijn eigen vingers aan de oudere May Pearl.

Mud huist in Ellis, Ellis in Mud. Wat Juniper voor Mud is, is May Pearl voor Ellis; die allereerste liefde vergeet je nooit meer. Meest ontroerende moment is de woordeloze uitwisseling tussen Mud en Juniper. Muds waterige kijkers spreken duidelijke taal. Ik laat je los, mijn liefste. Ik moet wel. En wat betreft Ellis: ook zijn fantasie sneuvelt. Maar gelukkig eindigt Mud, waarin Nichols put uit herinneringen aan zijn eigen jeugd, met een hoopvolle knipoog naar de toekomst. Middels – hoe kan het ook anders – zonovergoten shots van twee soulmates die elk hun eigen weg gaan: de een het ruime sop kiezend, de ander voorzichtig glimlachend als een knap meisje een beetje stout naar hem zwaait.

Regie: Sofia Coppola | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

De in het bos gevonden schat blijkt thuis lastig te verdelen. Het gaat dan ook niet om een kist vol gouden munten, maar om een schat met gehavende kleren en een beginnende baard. The Beguiled is een psychologisch drama van Oscarwinnares Sofia Coppola waarin de rollen tussen de seksen voor de verandering zijn omgedraaid: niet de vrouw maar de man is het object van begeerte. Coppola’s film is een remake van Don Siegels The Beguiled uit 1971. Beide films zijn gebaseerd op de roman A Painted Devil van Thomas P. Cullinan uit 1966.

Het verhaal speelt zich af in 1864, het derde jaar van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het meisjesinternaat Farnsworth in Virginia is door de oorlog uitgedund; alle slaven zijn er vertrokken, de meeste meisjes en docenten ook. Miss Martha (Nicole Kidman), Miss Edwina Morrow (Kirsten Dunst) en vijf meisjes zijn de enig overgeblevenen. Op een dag stuit de jonge Miss Amy in het bos op de gewonde korporaal John McBurney (Colin Farrell). Zijn entree op Farnsworth zet de verhoudingen tussen de dames flink op scherp.

Er is een wezenlijk verschil tussen Siegels The Beguiled en Coppola’s The Beguiled. Siegel laat ons door de ogen van McBurney (Clint Eastwood) kijken, Coppola biedt een waaier aan perspectieven door de gebeurtenissen vanuit de vrouw te vertellen. Interessant is verder dat de ontwikkelingen in The Beguiled het gelijk van de Franse antropoloog René Girard (1923-2015) bewijzen. Zijn kernbegrip is de mimesis, wat imitatie betekent. Samengevat stelt Girard dat het menselijk verlangen meer is dan een rechte lijn tussen subject en object; we verlangen vooral wat anderen verlangen. Concurrentie ligt dan op de loer.

De omstandigheden in The Beguiled spelen concurrentie in de kaart. Het bestaan op Farnsworth is sober, voorspelbaar. Met de oorlog op de drempel van hun bestaan (in de verte zijn doffe dreunen te horen), houden de vrouwen zich zo veel mogelijk schuil en koest. Taken zijn er daarbij te over. De jonge dames helpen in de keuken of werken in de tuin. En zo niet, dan krijgen ze les van Miss Morrow of moeten ze (leren) naaien en borduren. Daarnaast moet er op vaste tijdstippen gebeden worden. Bijna voelt het internaat aan als een gevangenis; dat het kolossale ‘huis van bewaring’ is omgeven door dicht loofhout, versterkt dit gegeven.

Maar zie, als donderslag bij heldere hemel is daar het object. En niet zo’n verkeerd object ook. Een aantrekkelijke man, die bovendien ernstig verlegen zit om medische zorg vanwege een diepe vleeswond. McBurney vormt dus geen direct gevaar, maar als soldaat van de Unie (verbond van noordelijke staten) bevindt de Yankee zich in het zuidelijker gelegen Virginia wel op vijandelijk terrein. Was hij er in mannenhanden beland, dan had hem zonder twijfel de strop gewacht. Farnsworth is wat dat betreft een warm (vrouwen)bad, toch?

Nou, zo warm is het daar niet. De vrouw des huizes (Miss Martha) maakt McBurney direct duidelijk dat zijn aanwezigheid niet gewenst is. Kidman is voortreffelijk, as cold as ice. Miss Martha heeft de regie in Farnsworth stevig in handen, de overige dames voegen zich tamelijk gedwee naar haar wil. Niet te missen zijn haar priemende ogen, geaccentueerd door dik aangezette wenkbrauwen: ze is als een moederarend die niets ontgaat, die haar nest streng bewaakt. Met een groeiend wantrouwen stelt ze dan ook vast welk effect John heeft op haar ‘jongen’. Zorgelijker: welk effect John heeft op háár.

Want ze zegt weliswaar tegen de korporaal dat hij niet welkom is, maar tot twee keer toe (wanneer de eigen soldaten Farnsworth aandoen) spaart ze hem. Miss Martha is dus niet van steen; ook zij begeert hem. Heel stiekem. Veel minder diplomatiek gaat de rebelse Miss Alicia (Elle Fanning, geknipt voor deze rol) te werk. De oudste van de vijf meiden, die zich stierlijk verveelt, toont zich een ware verleidster. Ook speelt ze een centrale rol in dé gebeurtenis van de film, die tragisch genoeg het einde betekent aan de oprechte droom van de derde partij in het spel om de gunst van McBurney: Miss Edwina Morrow.

We verlangen vooral wat anderen verlangen, aldus René Girard. Zeker als het object van verlangen niet in ruime mate voorhanden is. Schaarste werkt als een rode lap op een stier. In The Beguiled is dat het geval. Alle dames willen bij John in de smaak vallen en zetten daartoe hun beste beentje voor. Eén object, meerdere subjecten. Dus hevige concurrentie; de lap in The Beguiled kleurt donkerrood. De dames houden elkaar in de gaten, proberen elkaar de loef af te steken. Exemplarisch zijn de reacties op Johns compliment voor de lekkere appeltaart: elk van de vrouwen wil een aandeel hebben in dat succes.

De niet nader te noemen gebeurtenis in The Beguiled zet Farnsworth nog meer op zijn kop. Erna laat John de charmeur (met al die vrouwen waant hij zich logischerwijs in het walhalla) zich van een lelijke kant zien. Dat hij helaas valt voor de verleiding en in de persoon van Miss Edwina Morrow niet kiest voor de echte liefde, is nog tot daar aan toe. Maar het beetje sympathie dat ik nog voor hem had, verdwijnt in het laatste halfuur als sneeuw voor de zon. Overtuigend acteerwerk van Farrell, dat wel, als een man wiens ego wel een prothese kan gebruiken.

De veelzijdigheid van de vrouw, dat is wat The Beguiled laat zien. Haar (ver)zorgende natuur enerzijds, het jaloerse loeder anderzijds. En de sadistische bitch, want als het hun tegen het einde van de film duidelijk is geworden dat het tot voor kort begeerde object een gevaar blijkt, sluiten de dames onder leiding van Miss Martha pijlsnel de gelederen. Dat gebeurt wel buiten de in stilte hunkerende Edwina om; zij is feitelijk het enige personage dat compassie verdient. Dat de liefde aldus aan het kortste eind trekt, maakt dat The Beguiled mij een wat zure nasmaak bezorgt.

 

Regie: Tyler Nilson & Michael Schwartz | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Op IMDb staat een lijst van 42 acteurs en actrices die niet kregen waar ze volgens sommige filmkenners wel recht op hadden: een nominatie voor een Oscar. Op die lijst staan er twee die in The Peanut Butter Falcon tot de beste matties uitgroeien. Het zijn de in Los Angeles geboren Shia LaBeouf (1986) en de mij tot voor kort onbekende Zack Gottsagen. De casting van Gottsagen (1985) is bijzonder te noemen: hij lijdt namelijk aan het syndroom van Down.

In The Peanut Butter Falcon maken we kennis met de 22-jarige Zak (Gottsagen). De jongeman wil in zijn leven niets liever dan professioneel worstelaar worden, maar in plaats daarvan kwijnt hij weg in een verpleeghuis. Op een dag weet hij echter te ontsnappen en ontmoet hij in Tyler (LaBeouf) een aan lager wal geraakte visser die ook op de vlucht is. Tyler zit niet echt te wachten op gezelschap, maar Zak wil coûte que coûte zijn idool Salt Water Redneck ontmoeten.

Zack Gottsagen is waarom een film als The Peanut Butter Falcon voor altijd in de bios zou moeten draaien. Je wordt er ontzettend blij van omdat Gottsagen doet wat veel mensen een beetje verleerd lijken. Dakota Johnson: “Zack is puur en hij leeft vanuit een compleet open hart. Hij oordeelt niet.” Aldus de actrice over de man die als dreumes al de vurige wens had om acteur te worden. Zijn eerste rolletje? Een kikker, toen hij amper drie jaar oud was. Nu dertig jaar later speelt hij de hoofdrol in een film waarvan het script speciaal voor hem is geschreven.

Zak de hartendief. Hij is de ultieme verbinder in de film. Had het Oscarcomité hem dat beeldje niet gewoon moeten toekennen? Natuurlijk. Puur vanwege het feit dat Zak anderen transformeert, door zijn ‘ongefilterde’ (niet door het ego vertroebelde) kijk op het leven, door zijn ontwapenende manier van doen. Tyler is de eerste die dat mag ervaren. Hij moet aanvankelijk niets van zijn schaars geklede reisgezel hebben, keert hem dan ook de rug toe, maar krijgt rap spijt van die actie. Gelukkig maar, want als hij niet veel later oog in oog staat met Zaks beeldschone protegee Eleanor (Johnson), komt het verhaal in een stroomversnelling.

Shia LaBeouf staat bekend als een lastige jongen, zowel op de filmset als daarbuiten. De kersverse vader (hij en actrice Mia Goth onderhouden al 10 jaar een relatie vol ups en downs, met nu een baby als resultaat) stond ooit te boek als een acteertalent, maar sinds 2010 rijgt hij de incidenten aaneen. Meerdere keren werd de licht ontvlambare gearresteerd voor dronkenschap en geweldsdelicten. De Tyler in het eerste halfuur van de film lijkt veel op de Shia in het echte leven: hij is een pain in the ass, en zeker niet de pluche badass die Zack zo prachtig neerzet.

Maar Eleanor en Zak schudden Tyler wakker; van een brombeer verandert hij zowaar in een mentor. Lukt het Tyler om zijn oersterke partner in crime klaar te stomen voor wellicht een serieus potje worstelen? Het middenstuk is veruit het leukste gedeelte van de film, waarvan de opnames trouwens plaatsvonden in de delta van de Savannah River. Het licht is mooi (soms wat heiig, ietwat sprookjesachtig) en het getokkel op de snaren past er perfect bij. Qua sfeer doet The Peanut Butter Falcon erg denken aan Mud (2012).

Behalve Gottsagen stelen ook twee andere acteurs je hart. Ten eerste Wayne Dehart als Jasper, een stekeblinde kluizenaar op leeftijd die wel erg fanatiek het woord van Christus verkondigt. En let later vooral op Thomas Haden Church als Salt Water Redneck. De acteur (bekend van Sideways, 2004) speelt een uitgerangeerde held die net als Zak zijn dagen slijt op een anonieme plek. Maar is het heilige vuur in hem dan definitief gedoofd? Nee hoor. Zijn grootste fan, Lord of the worstelring Zak, pookt dat vuurtje weer op.

Niet je leven dromen, maar je dromen leven: Za(c)k komt een heel eind in een van de leukste films van de afgelopen jaren. Door gewoon zijn hart te volgen. In dat opzicht is zijn verstandelijke beperking eerder een zegen dan een vloek; eronder lijden doet hij sowieso niet. Sterker, Zack is en blijft zijn zalige zelf. Altijd. The Peanut Butter Falcon is een zoet juweeltje waarin het kikkertje van toen laat zien een professionele reuzesprong gemaakt te hebben. Zelfs Salt Water Rednecks imposante ‘atoomworp’ verbleekt bij die prestatie.