Regie: Debra Granik | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Mijn pen stokt tijdens Leave No Trace. Na de film blijf ik prettig verdoofd achter en staart nagenoeg wit papier mij aan. Terug op aarde reflecteer ik hardop: ze gaan door voor hulpbehoevend omdat ze dakloos zijn, maar voelen zich er juist thuis. Ze zíjn er thuis. Hoe anders is die andere realiteit? Het functionele hart van onze beschaving genoemd. Een biotoop opgetrokken uit staal, asfalt en beton. Bevolkt door krioelende eilandjes die anticiperen op een serieuze nekhernia omdat ze getrouwd zijn met hun smartphone.

In Leave No Trace maken we kennis met Will (Ben Foster) en de 13-jarige Tom (Thomasin McKenzie). Vader en dochter. Ze wonen in de periferie van de Brave New World: het Forest Park van Portland (Oregon), een uitgestrekt natuurreservaat in het noordwesten van de VS. Op een dag worden ze ontdekt door een jogger, waarna de autoriteiten voor hen op zoek gaan naar andere huisvesting.

Leave No Trace is een film met een voorgeschiedenis. In 2004 las schrijver Peter Rock namelijk in de krant over een vader (Frank) en diens dochter (Ruth) die hun jarenlange verblijf in het bewuste park abrupt beëindigd zagen worden. Vijf jaar later publiceerde Rock zijn roman My Abandonment. Het verhaal greep de Amerikaanse regisseur Debra Granik (1963) bij de keel, geïntrigeerd als ze is door mensen die ‘off the grid’ leven.

Ook oorlogsveteraan Will treft dat lot. Granik is begaan met de militairen die ooit, in oorlogstijd, als nationale helden door het leven gingen om erna een bestaan in de marge te leiden. Arm, afgedankt en niet zelden zwaar aan de medicatie. Kijk naar haar documentaire Stray Dog uit 2014. Wat doet het beeld of geluid van een helikopter met je als je in Vietnam, Irak of Afghanistan hebt gediend en terugkeert met een posttraumatische stressstoornis?

Het verklaart Wills vluchtgedrag, zijn non-conformisme. Is Moeder Natuur dan niet de meest helende omgeving die je je kunt wensen? Ja, fluistert Granik ons op fluwelen wijze in. Het openingsshot is meteen al een plaatje; de eerste slok uit een volle kelk groen, de overheersende kleur in Leave No Trace. Kleur van het hart. Van het in harmonie leven met elkaar en de omgeving, zoals vader en dochter dat doen. Zelf vuur maken, eten zoeken of water opvangen. Een boek lezen. Een potje schaken. De sterretjes in Toms ogen als ze naast het bospad een fonkelend halskettinkje ziet liggen. Geluk halen uit de meest simpele dingen.

Valt er, behalve jongeren die selfies maken – wat een debiel gedoe, deelt Granik haar verwondering met ons –, dan niets positiefs te melden over die andere realiteit? Gelukkig wel. Neem de twee maatschappelijk werkers die Will en Tom begeleiden richting een nieuwe start. Ze doen dat uiterst liefdevol. Neem pastoor Spencer die eerst zijn toehoorders in de zaal aanspoort om elkaar te begroeten, en vervolgens met trots de ‘For His Glory Dance Troop’ aankondigt. Wat volgt is vertederend. En ook een beetje hilarisch. Wat zijn mensen toch schattige wezens.

“We can still think our own thoughts”, relativeert Will de totaal nieuwe situatie waarin het onafscheidelijke duo na de verhuizing is beland. Maar die situatie fungeert als splijtzwam. Vooral sociaal gezien gaat er voor Tom namelijk een wereld open, terwijl Will doodongelukkig is. Behalve dat Leave No Trace existentialistische thema’s aankaart, krijgt de film vanaf dan ook steeds nadrukkelijker een coming-of-age-element. Gaat Tom haar eigen weg en laat Will haar gaan? Dat proces der ‘ontkoppeling’ vangt Granik in een scène waarbij je even moet slikken. Een tien voor het acteerwerk en zonder twijfel het hoogtepunt van een sereen filmdrama dat zijn sporen nalaat.

Ter nagedachtenis aan
Philip Engelen 
1938 – 2010

Regie: Farhad Savinia | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Taal is onderwerp van onderzoek in The Professor and the Madman, een biografisch drama naar het boek The Surgeon of Crowthorne uit 1998 van Simon Winchester. Op IMDb scoort de film onder critici gemiddeld 2.5. Er valt zeker het nodige aan te merken op wat Farhad Savinia ons voorschotelt, maar het lage rapportcijfer (op basis van slechts vier reviews) is mij te streng.

Engeland, 1872. De Schot James Murray (Mel Gibson) solliciteert naar de job om de eerste editie van de Oxford English Dictionary samen te stellen. Een op voorhand ondoenlijk karwei, want hoe verzamel en documenteer je álle woorden die de rijke Engelse taal herbergt? Gelukkig steekt een gepensioneerd legerarts, de Amerikaan William Chester Minor (Sean Penn), de helpende hand toe.

Waar komt de bagger die kenners over The Professor and the Madman uitstorten vandaan? Ik bekijk de film drie keer en stel vast dat Mel Gibson en Sean Penn, toch geen kleintjes binnen het acteergilde (beiden tweevoudig Oscarwinnaar), inderdaad niet de sterren van de hemel spelen.

Gibson speelt een uit het arbeidersmilieu opgeklommen autodidact die in het oer-Engelse, decadente universiteitswereldje van Oxford vriend en vijand verbaast met – overdrijven is ook een vak – zijn wel héél uitgebreide talenkennis. Probleem bij Gibson is dat hij vaak struikelt over de complexere emoties; veel kleuren telt zijn expressie-spectrum niet. Wanneer hij bijvoorbeeld door een tierende William dringend verzocht wordt om op te krassen, op het eind van de film, schiet hij in de tranen. Maar o jee wat doet hij daarbij met zijn mond? In de emotie hapt hij als een vis op het droge naar lucht. Een koddig gezicht.

Gibsons spel kan ermee door, dat van Penn niet. Laatstgenoemde wil veel te graag; een andere verklaring kan ik niet vinden voor zijn theatrale optreden. Hij speelt een 48-jarige ex-militair die claimt achtervolgd te worden door de deserteur die hij tijdens de oorlog heeft laten brandmerken. Zijn paranoia leidt tot de vergismoord waarmee de film begint, en zijn gedwongen opsluiting in het psychiatrisch ziekenhuis van Broadmoor. William wisselt momenten van innerlijke rust en luciditeit af met angstaanvallen en razernij, maar de schizofrene aard plakt Penn als een soort sticker op zijn personage.

Toch is er reden voor jolijt: Jennifer Ehle (als Ada, de vrouw van James), Natalie Dormer als de weduwe Eliza Merrett en Eddie Marsan als Mr. Muncie (bewaker in Broadmoor, een prachtig rolletje) geven de film kleur. Het zegt anderzijds veel over Gibson en Penn dat het vuurwerk moet komen van een drietal acteurs die alleen maar kunnen dromen van een Oscar(nominatie).

De echte pijn betreft het plot. Na vijftig minuten is er nog weinig aan de hand. Maar als William zich als een geschenk uit de hemel presenteert en het monnikenwerk van een wanhopige James vlot trekt, schakelen we plots twee versnellingen hoger. Een halve scheet later zijn James en William dikke vrinden, is het woordenboek af en raakt Eliza meer en meer gecharmeerd van de man die haar tot een armlastige weduwe bombardeerde. Pardon?

The Professor and the Madman is best amusant, maar heeft last van ruis: het plot is een propvol kladblok. Jammer dat Savinia niet inzoomt op de totstandkoming van het encyclopedische werk, op de “evolutie der betekenis” zoals professor Murray treffend stelt. Goede bijrollen en een paar fraaie tournures werken verzachtend, maar graag had ik een film gezien die de taal daadwerkelijk in de spotlights zet in plaats van deze te verbannen naar de kantlijn.

Regie: Matt Palmer | Duur: 101 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Marcus en Vaughn zijn aangeschoten wild in Calibre. En ze eindigen als ratten in de val. Een ijskoude-rillingen-scène is de ontknoping van deze spannende Netflix-thriller waarin met name Jack Lowden (Vaughn), winnaar van de BAFTA Scotland Award voor Beste Acteur, uitstekend voor de dag komt.

Ooit zaten Marcus (Martin McCann) en Vaughn op dezelfde kostschool. Om hun banden aan te halen nodigt Marcus Vaughn uit om een paar dagen te gaan jagen in de Schotse hooglanden. Het tripje loopt uit op een tragedie wanneer Vaughn, die geen enkele jachtervaring heeft, een hert ziet en als eerste de trekker overhaalt. Raak, maar géén schot in de roos.

Eden Lake, uit 2008. Toevallig ooit gezien? Tijdens die film over een stelletje dat een kampeeruitje in een nachtmerrie ziet eindigen, overkwam me iets zeer ongewoons: ik moest bij momenten de ogen echt dichtknijpen omdat de beelden me te indringend werden. Calibre is de lightversie van Eden Lake en speelt zich ook af in een landelijke omgeving. Belangrijker is nog dat de lokale bevolking de stadse ‘indringers’ van meet af aan vijandig tegemoet treedt, net als in Eden Lake.

Want warm verwelkomd worden Marcus en Vaughn niet door de ‘locals’, die wonen in de door de economische misère uitgeholde dorpjes waar, op die ene kroeg na dan, verder geen ruk te beleven valt. De eerste avond van hun verblijf gaan de twee schoolvrienden indrinken in zo’n rokerig drankhok en binnen de kortste keren hebben ze mot. De zaken worden dan nog gesust door ‘Grote Smurf’ Logan (Tony Curran, altijd fijn om naar te kijken), maar de toon is gezet.

Nog niet bekomen van de overvloedige alcohol gaan de heren de volgende dag op pad. Na het fatale voorval – what are the odds? – gaat zo ongeveer alles fout wat fout kan gaan. Marcus pakt namelijk direct de regie, maar begaat ook blunders. Marcus leidt, waar Vaughn voornamelijk lijdt. Lowden is zeer goed als een lieve, hevig in de war zijnde knul die zich laat meeslepen door de arrogante Marcus. Uitgerekend Vaughn is het die als eerste wordt ingerekend en alles opbiecht. Die sterke scène wordt gevolgd door een evenzo indringend slotakkoord. “Right is a long way gone”, praat Logan in op Vaughn die zich voor een afschuwelijk dilemma ziet gesteld.

Scenario en acteerwerk vormen het geraamte van een film. In Calibre zijn die twee uitstekend verzorgd. Kijk je daarnaast kritisch naar zaken als camerawerk, belichting en montage, dan past maar één conclusie: het ensemble maakt Calibre tot een voltreffer. Alle lof voor regisseur en scenarist Matt Palmer die je in zijn eerste speelfilm (!) meeneemt in een emotionele achtbaan.

 

Regie: Çağla Zencirci  & Guillaume Giovanetti | Duur: 95 minuten | Taal: Turks | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

De 25-jarige Sibel woont met haar alleenstaande vader en jongere zusje in een klein bergdorpje in het noordoosten van Turkije. Ze is een buitenbeentje, een paria zelfs. Ze kan namelijk niet praten; om zich uit te drukken maakt ze gebruik van een eeuwenoude fluittaal. Maar ze wordt vooral buitengesloten omdat de vrouwen in het dorp menen dat ze ongeluk brengt.

Interessant is dat Sibel meerdere gezichten heeft. Uiterlijk een knappe jonge dame met groene ogen die vuur spuwen. Innerlijk een onzeker meisje dat er alles aan doet om gezien en geaccepteerd te worden. Ze is uiterst loyaal aan haar vader (Emin) en zet, op de theeplantages bijvoorbeeld, voortdurend haar beste beentje voor. Zonder mopperen neemt ze bovendien het hele huishouden voor haar rekening. Anderzijds is ze ook behoorlijk jongensachtig, rebels. Zo gaat ze zonder hoofddoek over straat. Zonder hoofddoek, maar mét een geweer, vastbesloten als ze is om die gevaarlijke wolf in de bossen een kopje kleiner te maken.

Het is aannemelijk dat Sibels handicap haar een ‘normaal’ leven (trouwen, kinderen krijgen) in de weg staat. Het is niet zozeer haar beperking die maakt dat de vrouwen in het dorp haar verstoten, het heeft er vooral mee te maken dat ze een vrijgevochten, trotse spirit is. Bijzonder pijnlijk is het contrast met Sibels zusje Fatma, die een gemakkelijke prooi vormt voor een koppelaarster in het dorp. Wanneer Fatma echter op het punt staat om uitgehuwelijkt te worden, strooien aanzwellende roddels over Sibel zand in de motor.

Die roddels hebben te maken met een gewonde man die Sibel in het bos aantreft. Een jonge vent die weigert om in militaire dienst te gaan; een wezenlijke invalshoek van de film is dat ook de man het patriarchale systeem zwaar valt. Behalve de deserteur worstelt ook Sibels vader ermee, zij het niet openlijk. Immers, de druk van buitenaf weerstaan is niet gemakkelijk. Niet in de laatste plaats omdat Emin de burgemeester van de besloten gemeenschap is.

Het patriarchaat mag dan de man centraal stellen, het zijn bizar genoeg de vrouwen die het in stand houden. En dan vooral de oudere vrouwen, die de jongere vrouwen voor hun karretje spannen. Zelfs meneer de burgemeester krijgt met hun listige streken te maken. Een krachtiger slot had de film daarom ook niet kunnen hebben. Hierin schuift Sibel haar eigen pijn terzijde en bekommert ze zich liefdevol om haar ontroostbare zusje. Wat ze vervolgens doet is een heus statement. Respect in de vorm van een zeer voorzichtige glimlach van het meisje dat Sibel in het begin van de film nog vervloekte (prachtig shot), zet haar ‘zegetocht’ kracht bij.

Het drama Sibel is een metafoor voor de revolte van een dame tegen het patriarchaat. Het patriarchaat dat vele gezichten kent. De meeste schijnwerpers zijn gericht op Damla Sönmez (Sibel). Op de voet gevolgd door Eric Devin (pakkend camerawerk) maakt Sönmez’ scherpe expressie in combinatie met het gefluit het gesproken woord overbodig. Een knappe (acteer)prestatie.

 Regie: Robert Eggers | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Robert Eggers’ The Lighthouse is een freakshow die de kijker terugwerpt in de tijd. Willem Dafoe en Robert Pattinson schitteren in een film die ook technisch gezien ontzettend knap in elkaar steekt. Het beeldformaat springt het meest in het oog. The Lighthouse heeft namelijk een aspect ratio (beeldverhouding, de verhouding tussen de breedte en lengte) van 1,19:1. Een bijna vierkant beeld dus. Tel daarbij op dat de 35 mm-film in zwart-wit is geschoten, en je begrijpt waardoor The Lighthouse je doet ervaren hoe cinema er ruim een eeuw geleden uit zag.

Het verhaal speelt zich dan ook in die tijd af, zo rond 1890. Twee mannen, de ervaren vuurtorenwachter Thomas Wake (Dafoe) en voormalig houthakker Ephraim Winslow (Pattinson), zitten vier weken lang met elkaar opgescheept in een oord waar je echt niet wilt zijn: op een kaal, in permanent grijs gehuld eilandje voor de kust van New Engeland, in het uiterste noordoosten van de VS.

Waar houdt de fantasie op en begint de gekte? Na The Witch (2015) nodigt Eggers je in zijn tweede film opnieuw uit die vraag te beantwoorden. Zoek het lekker zelf uit, luidt zijn boodschap. Hij verschaft slechts het kader, door je op te sluiten in een soort visuele gevangenis. De scherpe begrenzing van het vierkante beeld voelt alsof je in een blokkendoos wordt gestopt. De zwartwitte schakeringen symboliseren daarbij de psychische gesteldheid van de twee mannen. De leegte vreet aan hen, stompt hen af. De afwezigheid van kleur prikkelt de fantasie van de kijker. En diens zintuigen. Het onvoorstelbaar ranzige voer, pannen vol urine waar drollen in drijven, zweet- en alcohollucht en een Thomas die aldoor scheten laat. Gadverdamme, wat is alles verschrikkelijk vies in The Lighthouse!

Het uniforme ‘blokkendoosbeeld’ werkt verdrukkend, en dus ga je op zoek naar een escape. Die is er niet, ervaren ook de twee tot elkaar veroordeelden, die elkaar slechts pruimen na overmatig drankgebruik. Schitterend hoe Ephraim en Thomas met elkaar op de vuist gaan. Eerst voornamelijk verbaal, later ook fysiek. De waanzinnige Thomas (een magistrale Dafoe) produceert de ene woordenwaterval na de andere en zadelt de kwetsbare Ephraim op met alle rotklusjes in en rondom de vuurtoren. En o wee als die zich durft te bemoeien met het licht; dat summum is louter en alleen gereserveerd voor Thomas.

Maar de introverte, seksueel hunkerende Ephraim – het is via hem dat Eggers zijn fantasie carte blanche geeft – laat zich dat niet zomaar ontzeggen. Significant in dat opzicht is de scène waarin hij zijn opgekropte woede koelt op een zeemeeuw; na dat kantelpunt zoekt hij steeds nadrukkelijker de confrontatie met de bazige Thomas. Aldus baant hij zich een weg naar het verlossende licht, naar dat gelukzalige ‘orgasme’ waarmee de film eindigt. Fantasie en gekte zijn dan definitief één.

Psychologische horror in een van drank doordrenkte zwijnenstal. Waarbij het geschal van de misthoorn, niet weg te denken in de film, fungeert als het refrein der waanzin. Misschien laat de fijnbesnaarde filmliefhebber The Lighthouse, een nachtmerrie voor een claustrofoob, beter aan zich voorbij gaan. Maar voor hen met een beetje eelt op de filmziel: zorg dat je deze fascinerende prent hebt gezien.

 

 Regie: Todd Haynes | Duur: 126 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

The Lawyer Who Became DuPonts Worst Nightmare‘. Onder die titel verscheen begin januari 2016 een artikel van Nathaniel Rich in The New York Times. Het is het uitgangspunt voor Dark Waters, een historisch drama dat de schellen van je ogen doet vallen. De film is een degelijk staaltje vakmanschap van regisseur Todd Haynes (Carol, 2015) waarin de hoofdrolspeler, drievoudig Oscargenomineerde Mark Ruffalo, echter meer had moeten brengen.

In Dark Waters speelt Ruffalo Robert Bilott, een door de wol geverfde bedrijfsjurist die net (het is 1998) partner is geworden bij het prestigieuze advocatenkantoor Taft, Stettinius & Hollister. Op een dag staat er een boer uit Parkersburg (West Virginia) voor zijn neus die beweert dat zijn vee massaal sterft omdat er in de buurt van zijn boerderij giftig afval wordt geloosd. Aarzelend gaat Bilott op onderzoek uit, wat uiteindelijk resulteert in een aanklacht tegen de voor de vervuiling verantwoordelijke chemiereus DuPont.

Geschrokken druip ik af na Dark Waters. Dus het is aannemelijk dat die troep ook in míjn lichaam rondzwerft? Want ik heb ook zo’n ding in mijn keukenla staan. Heb er nooit bij stilgestaan dat de letter T op de bodem ervan verband houdt met het goedje dat zoveel dood en verderf zaait in Dark Waters. Ik heb het over de chemische verbinding PFOA (ook wel C8 genoemd): perfluoroctaanzuur. DuPont gebruikte het decennialang bij de productie van teflon. Het zuur heeft de nare eigenschap dat het vrijwel niet wordt afgebroken door het lichaam.

Ook brave familieman Bilott beseft dat op zeker moment. Waarop hij midden in de nacht driftig alle keukenkastjes binnenstebuiten keert. Hoeveel ‘blije pannen’ telt ons huishouden eigenlijk? Ruffalo voelt zich kiplekker in de rol van bezeten speurneus. In Spotlight (2015) speelde hij een geobsedeerde onderzoeksjournalist, en ook in Dark Waters gaat hij tot het gaatje om de smerige praktijken van DuPont te openbaren. Ruffalo speelt oké, maar over het geheel genomen is zijn optreden toch enigszins teleurstellend. Ik mis net iets te vaak het heilige acteervuur; het is alsof dat bij hem schuilgaat onder een (soort van) antiaanbaklaag.

Meer pit zie ik bij Tim Robbins, die als Bilotts baas Tom Terp vurig pleit om Dupont keihard aan te pakken (prima scène). En bij Anne Hathaway die Roberts vrouw Sarah speelt. Het is vooral Hathaway die het pakkende maar tegelijkertijd ook wat stugge drama – ik proef aldoor Spotlight in Dark Waters – van iets meer lenigheid voorziet. Sarah steunt haar man door dik en dun, maar dat hun gezinsleven hevig lijdt onder Roberts missie om DuPont te knakken, knaagt aan haar. Wanneer ze hem daar op een dag mee confronteert, volgt een zouteloze repliek. Een gemiste kans.

Meest interessante invalshoek van Dark Waters is dat DuPont de grootste werkgever van Parkersburg is, een stadje met zo’n 30 duizend inwoners. Vrijwel onmogelijk om zo’n gigant, schatrijk en dus invloedrijk, de nek om te draaien. Hoe overweldigend het bewijs ook is. Het drinkwater is vergiftigd en de stad zelf is verstrengeld met de op het pluche zittende bron van vergiftiging. In dubbel opzicht een zeer ongezonde situatie.

 Regie: Tamara Kotevska & Ljubomir Stefanov | Duur: 86 minuten | Taal: Turks, Macedonisch, Servo-Kroatisch | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Al zingend brengt Hatidze een rituele groet aan het bezige volkje waar het in Honeyland om draait. Ze heeft een huid van leer, draagt een bruinachtige jurk en een geel hemd. Waarmee ze praktisch dezelfde kleuren heeft als de gevleugelde beestjes die haar zo lief zijn. En die liefde is wederzijds. Honeyland, van Tamara Kotevska en Ljubomir Stefanov, was afgelopen jaar de absolute smaakmaker op filmfestivals over de hele wereld en sleepte liefst 30 prijzen in de wacht.

Het openingsshot is prachtig, in zekere zin illustratief voor het pad der afzondering dat Hatidze bewandelt in Honeyland. Met haar zieke moeder Nazife woont ze in een stenen huisje in het bergachtige Noord-Macedonië. Ze leeft van (en voor) de wilde bijen die ze met veel zorg en op traditionele wijze teelt. Hun honing verkoopt ze op marktjes op een paar uur loopafstand. Het is Hatidze’s enige bron van inkomsten, en die komt in het gedrang wanneer op zekere dag de luidruchtige familie Sam arriveert: vader, moeder en zeven kinderen. Plus een kudde koeien.

Honeyland is het verbluffende product van drie jaar lang filmen in de woestenij van Noord-Macedonië. Tamara Kotevska en Ljubomir Stefanov keerden terug met ruim 400 uur aan beeldmateriaal. Subliem camerawerk en de (meestentijds) natuurlijke belichting waarbij werd gefilmd, vormen het refrein van een stuk poëzie waarbij je je vingers aflikt. De twee heren verantwoordelijk voor de beeldenpracht in Honeyland zijn Fejmi Daut en Samir Ljuma, op het Sundance filmfestival onderscheiden met de ‘Cinemtography Award’.

Nectar voor de ziel, doch met een ietwat bittere afdronk. De makers van Honeyland mengen namelijk een waarschuwing door hun visuele godendrank. Ze doen dat bij monde van Hatidze zelf, die de essentie van de film verwoordt: “De ene helft voor mij, de andere helft voor jullie.” Een erecode die Hatidze consequent naleeft, uit respect voor haar bijen. Tevens uit dankbaarheid voor Moeder Natuur. De Sams daarentegen gedragen zich als een olifant in de porseleinkast, en lappen Hatidze’s regel van eerlijk zullen we alles delen opzichtig aan hun laars.

Je één voelen met wie je liefhebt. Dat is bijenvrouw Hatidze Muratova aan te zien. Ze is even zuiver als de honing die ze oogst. Ze leeft niet alleen ín de natuur, ze leeft mét de natuur. Honeyland is de schitterende verbeelding van een stokoud ambacht. En bovendien schudt de documentaire je wakker. Omdat hij herinnert aan een waarde die in onze oververhitte consumptiemaatschappij regelmatig wordt vergeten: samsam doen en tevreden zijn met genoeg.

 Regie: Joe Penna | Duur: 98 minuten | Taal: Engels, Deens | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

In de Los Angeles Times betitelt de Deense acteur Mads Mikkelsen (1965) ze als “the most difficult” uit zijn loopbaan: de opnames voor Arctic. Het overlevingsdrama uit 2018 is het regiedebuut van de Braziliaanse muzikant en YouTuber Joe Penna. En Penna mag met recht trots zijn op zichzelf: Artic gaat je beslist niet in de koude kleren zitten.

Mikkelsen speelt Overgård, een man die met zijn vliegtuigje is neergestort op de Noordpool. Meer smaken dan overleven en wachten op redding heeft hij niet. Op een dag wordt hij tot zijn vreugde door een helikopter opgemerkt, maar bij slecht weer boort ook die zich in de sneeuw. Zonder aarzelen bekommert hij zich vervolgens om de gewond geraakte copilote (Maria Thelma Smáradóttir).

Onder de begintitels wordt de gierende wind hoorbaar, die overgaat in een hakkend geluid. Op enige afstand zien we Mikkelsen bezig. Ploeterend. Dat eerste shot (vast camerastandpunt) duurt een seconde of veertig. Perfect. Even later (mooi shot) blijkt de omvang van het karwei waar hij mee bezig is. Hij moet daar dus al een tijdje zijn. Meer informatie krijg je niet.

Het ontbreken van referentiepunten maakt Arctic tot een uiterst boeiende expeditie, meesterlijk geleid door Mads ‘in de rats’ Mikkelsen. Overgårds dagelijkse bezigheden op de ijzige poolvlakte (IJsland vormt het decor) hangt van routineklusjes aan elkaar. Met de crash van de helikopter lijkt zijn lot bezegeld te zijn. Niets is minder waar. Mikkelsen: “There is a difference between surviving and being alive, and there was no life left in him until then.”

De gewonde dame, nauwelijks aanspreekbaar, is ironisch genoeg zijn reddingsboei. Als vanzelf schakelt Overgård een versnelling hoger. Het feit dat hij plots de zorg over iemand anders heeft, doet hem besluiten aan een levensgevaarlijke tocht dwars door de diepvries te beginnen. Tjonge, wat is Mikkelsen in bloedvorm. Je hoeft Arctic niet te kijken vanwege het plot (veel gebeurt er niet), wél als je van doorleefd spel houdt. Gortdroge noedels die smaken naar kaviaar? Mikkelsen doet het je geloven.

Op het filmfestival van Cannes ontving Arctic een staande ovatie van tien minuten. Uiteraard veel lof voor Mikkelsen (Oscarwaardige performance) en voor Joe Penna, maar vergeet ook niet de topprestatie van de overige crewleden. Een productie onder de meest barre omstandigheden. Daarom ook brandt mij de vraag op de lippen: wat moet Penna in vredesnaam meegemaakt hebben om tot zo’n film te (kunnen) komen? Welk intens gevecht ligt ten grondslag aan deze adembenemende galavoorstelling op ijs?

 

 Regie: Ken Loach | Duur: 101 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Abbie heeft ‘s nachts een terugkerende droom in Sorry We Missed You: ze zit vast in drijfzand en zakt steeds verder weg. Overdag wordt haar nachtmerrie harde realiteit. Kijkende naar het drama van gevierd regisseur Ken Loach, tweevoudig winnaar van de Gouden Palm in Cannes, is het niet te hopen dat het Verenigd Koninkrijk de EU daadwerkelijk de rug toekeert. Nu al kreunen miljoenen van zijn onderdanen onder de sociaal-economische neergang, en de verwachting is dat de Brexit geen soelaas zal bieden, integendeel.

Neem de familie Turner uit Newcastle, in het noordoosten van Engeland. Vader Ricky en moeder Abbie hebben al schulden en moeten alle zeilen bijzetten om niet nog verder af te glijden. Ricky is pakketbezorger bij PDF (Parcels Delivered Fast) en crosst in zijn bestelwagen heel de stad door. En Abbie, werkzaam als thuishulp met een nulurencontract, gaat van deur tot deur om hulpbehoevenden van een bord eten of een schone luier te voorzien. Quality time doorbrengen met elkaar? Iets leuks doen met hun kids Sebastian en Lisa Jane? Abbie en Ricky hebben er simpelweg niet de tijd voor, noch de middelen.

Ken Loach, van 17 juni 1936 en daarmee een van de ‘oldtimers’ binnen het filmgilde, levert met Sorry We Missed You een indringende film af die herinnert aan I, Daniel Blake (2016): het individu in de verdrukking als gevolg van een economisch bestel dat alleen nog maar om productiviteit draait. Halverwege de film scheert plots FedEx-functionaris Chuck Noland uit Cast Away (2000) door mijn hoofd. Daags voor zijn vliegtuigcrash spoort hij, bijna schuimbekkend van driftigheid, collega Nickolai aan om toch vooral voort te maken: “Tick-tock. Tick-tock. Tick-tock.” Tijd is geld en de klant is koning.

Je voelt het aankomen en het gebeurt: ook Ricky ‘crasht’. Pal na een plaspauze waar uiteraard geen tijd voor is (dan maar in een flesje zeiken), wordt hij verrot geschopt door drie vandalen die er vervolgens met een deel van de pakketvracht vandoor gaan. Wat dan volgt is de waanzin voorbij. Voor de goede orde: u kijkt met Sorry We Missed You niet naar de op hol geslagen fantasie van scriptschrijver Paul Laverty. De film is het product van gedegen research, van talloze vertrouwelijke gesprekken met mensen zoals Ricky en Abbie.

“Master of your own destiny”, luidt het grenzeloze cynisme van Ricky’s bullebak van een baas Maloney (Ross Brewster). O ja, vriendelijk verzoek om de investering in zijn ‘destiny’ zelf even op te hoesten. Dus verkopen Ricky en Abbie hun auto, want anders kan Ricky de bestelbus nooit betalen. En eenmaal in dienst blijkt dat hij geen rechten heeft, alleen plichten. Dagje vrij nemen? Zelf een vervanger regelen en honderd pond neertellen. Kapot scanapparaat? Ook die kosten zijn voor eigen rekening. Wil je weten waar de voedingsbodem voor de gele hesjes-beweging vandaan komt, kijk dan naar Sorry We Missed You.

Sorry We Missed You is een pakketje ellende. Maar laat ik positief besluiten: wel een fraai pakketje. Ruwe schil, zachte binnenkant. De film wordt namelijk glorieus gedragen door Debbie Honeywood als Abbie (fluwelen expressie), Kris Hitchen als Ricky (bijzonder goed), Rhys Stone als hun recalcitrante zoon Sebastian (een artiest in spe) en Katie Proctor als de lieve Lisa Jane. Dwars tegen de moordende stroom van het bestaan in lukt het hun toch enigszins om het gezin-als-hoeksteen-van-de-samenleving-gevoel te creëren. Samen is zo slecht nog niet. En alleen collectief zetten we een rem op een compleet doorgedraaid systeem. Dus blijf toch in vredesnaam bij de EU, lieve Britten.

 Regie: Céline Sciamma | Duur: 119 minuten | Taal: Frans & Italiaans | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Onvermijdelijk vloeien de tranen, even later geblust door een lach. Héloïse bezwijkt tijdens de laatste tellen van Portrait de la jeune fille en feu. Vivaldi en de herinnering aan Marianne slokken haar emotioneel op. De catharsis, als slotakkoord van een film die dubbele cijfers verdient.

Er zijn jaren verstreken wanneer Marianne Héloïse voor de allerlaatste keer ziet. De slotbeelden van Portrait de la jeune fille en feu verraden dat Héloïse dan niet meer die onbevlekte ziel is. Ze is niet meer het meisje dat, staande op de drempel van een gedwongen huwelijk, plots kennismaakt met de liefde. Met dat zachte briesje dat haar de geur van kamperfoelie brengt.

De film eindigt met een huilende Héloïse, hij begint met een Marianne die de tranen moet bedwingen wanneer ze, poserend voor haar leerlingen, het schilderij Portrait de la jeune fille en feu tegen de muur ziet staan. Merk de voortreffelijke mise-en-scène op. De stilte, de belichting, de camera die als penseel fungeert. Wat een eenvoud. Er is geen hinderlijke verstrooiing, waardoor je meteen opgaat in het verhaal. Verrukkelijk.

Portrait de la jeune fille en feu was in Cannes nadrukkelijk in de race voor de Gouden Palm, maar won uiteindelijk de Scenarioprijs. Een bekroning voor het inderdaad intelligente script van Céline Sciamma. Maar waarom zie ik op IMDb tussen ‘all 9 wins en 8 nominations’ niet de namen Noémie Merlant (Marianne) of Adèle Haenel (Héloïse) staan? Hun spel is van grote schoonheid. De actrices leggen een enorme beheersing in hun expressie en motoriek, ongelooflijk. Deinend fluweel.

Portrait de la jeune fille en feu speelt zich eind 18e eeuw af op een eilandje bij Bretagne. De afzondering, met daarbij een moeder die haar op de neus zit, verklaart waarom Héloïse zich voelt als een soort gevangene die knorrig berust in haar lot. De gevolgen van dat gebrek aan ‘zelfbestuur’ kaart Sciamma aan via de mysterieuze dood van Héloïse’s zusje. Rennend richting de klifrand maar pal ervoor halt houdend, perst Héloïse eruit: “Dit wilde ik al jaren doen.” Marianne: “Sterven?”

Er is een uiterst minieme rol voor de man weggelegd. Een paar regels tekst, c’est tout. De film toont de liefde door de ogen van de vrouw, hun gevoel voor en verlangen naar saamhorigheid. Zo wordt het tere dienstmeisje Sophie, werkelijk schitterend gespeeld door Luàna Bajrami, door beide dames omarmd. Gedrieën eten en drinken, gedrieën gieren en brullen tijdens een spelletje kaarten, gedrieën in het donker de hort op. Hoezo patriarchale wereld?

De film verbeeldt de kunst van het kijken. Strikter gesteld: hoe je kijkt bepaalt wat je ziet. Het huwelijksportret staat symbool voor die kunst. De eerste versie ervan komt zonder medeweten van Héloïse tot stand, omdat ze het aanstaande huwelijk niet ziet zitten en dus niet wenst mee te werken. “Ben ik dat?”, bitst de aanstaande bruid de schilder toe. Het daarop volgende segment is allesbepalend: eindelijk geeft Héloïse zich over aan Marianne en durven beiden te benoemen wat ze in de ander zien. Het betekent de definitieve ontbranding van hun passie, die zich vanaf dat moment ook steeds fysieker manifesteert.

Een liefdesgeschiedenis korter dan de levensduur van een vlinder, maar ze drukt haar stempel. “De echo van een romance”, typeert Sciamma haar weergaloze werk, daarbij in de film refererend aan Orpheus en Eurydice. Sciamma hijst die fameuze mythe in een modern jasje, maar kiest tegelijkertijd ook voor klassieke (stijl)elementen. Na de slotscène blijf ik als betoverd achter in de bioscoopzaal. Zó moet het dus; dit is cinema zoals cinema bedoeld is.