Regie: Sofia Coppola | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

De in het bos gevonden schat blijkt thuis lastig te verdelen. Het gaat dan ook niet om een kist vol gouden munten, maar om een schat met gehavende kleren en een beginnende baard. The Beguiled is een psychologisch drama van Oscarwinnares Sofia Coppola waarin de rollen tussen de seksen voor de verandering zijn omgedraaid: niet de vrouw maar de man is het object van begeerte. Coppola’s film is een remake van Don Siegels The Beguiled uit 1971. Beide films zijn gebaseerd op de roman A Painted Devil van Thomas P. Cullinan uit 1966.

Het verhaal speelt zich af in 1864, het derde jaar van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het meisjesinternaat Farnsworth in Virginia is door de oorlog uitgedund; alle slaven zijn er vertrokken, de meeste meisjes en docenten ook. Miss Martha (Nicole Kidman), Miss Edwina Morrow (Kirsten Dunst) en vijf meisjes zijn de enig overgeblevenen. Op een dag stuit de jonge Miss Amy in het bos op de gewonde korporaal John McBurney (Colin Farrell). Zijn entree op Farnsworth zet de verhoudingen tussen de dames flink op scherp.

Er is een wezenlijk verschil tussen Siegels The Beguiled en Coppola’s The Beguiled. Siegel laat ons door de ogen van McBurney (Clint Eastwood) kijken, Coppola biedt een waaier aan perspectieven door de gebeurtenissen vanuit de vrouw te vertellen. Interessant is verder dat de ontwikkelingen in The Beguiled het gelijk van de Franse antropoloog René Girard (1923-2015) bewijzen. Zijn kernbegrip is de mimesis, wat imitatie betekent. Samengevat stelt Girard dat het menselijk verlangen meer is dan een rechte lijn tussen subject en object; we verlangen vooral wat anderen verlangen. Concurrentie ligt dan op de loer.

De omstandigheden in The Beguiled spelen concurrentie in de kaart. Het bestaan op Farnsworth is sober, voorspelbaar. Met de oorlog op de drempel van hun bestaan (in de verte zijn doffe dreunen te horen), houden de vrouwen zich zo veel mogelijk schuil en koest. Taken zijn er daarbij te over. De jonge dames helpen in de keuken of werken in de tuin. En zo niet, dan krijgen ze les van Miss Morrow of moeten ze (leren) naaien en borduren. Daarnaast moet er op vaste tijdstippen gebeden worden. Bijna voelt het internaat aan als een gevangenis; dat het kolossale ‘huis van bewaring’ is omgeven door dicht loofhout, versterkt dit gegeven.

Maar zie, als donderslag bij heldere hemel is daar het object. En niet zo’n verkeerd object ook. Een aantrekkelijke man, die bovendien ernstig verlegen zit om medische zorg vanwege een diepe vleeswond. McBurney vormt dus geen direct gevaar, maar als soldaat van de Unie (verbond van noordelijke staten) bevindt de Yankee zich in het zuidelijker gelegen Virginia wel op vijandelijk terrein. Was hij er in mannenhanden beland, dan had hem zonder twijfel de strop gewacht. Farnsworth is wat dat betreft een warm (vrouwen)bad, toch?

Nou, zo warm is het daar niet. De vrouw des huizes (Miss Martha) maakt McBurney direct duidelijk dat zijn aanwezigheid niet gewenst is. Kidman is voortreffelijk, as cold as ice. Miss Martha heeft de regie in Farnsworth stevig in handen, de overige dames voegen zich tamelijk gedwee naar haar wil. Niet te missen zijn haar priemende ogen, geaccentueerd door dik aangezette wenkbrauwen: ze is als een moederarend die niets ontgaat, die haar nest streng bewaakt. Met een groeiend wantrouwen stelt ze dan ook vast welk effect John heeft op haar ‘jongen’. Zorgelijker: welk effect John heeft op háár.

Want ze zegt weliswaar tegen de korporaal dat hij niet welkom is, maar tot twee keer toe (wanneer de eigen soldaten Farnsworth aandoen) spaart ze hem. Miss Martha is dus niet van steen; ook zij begeert hem. Heel stiekem. Veel minder diplomatiek gaat de rebelse Miss Alicia (Elle Fanning, geknipt voor deze rol) te werk. De oudste van de vijf meiden, die zich stierlijk verveelt, toont zich een ware verleidster. Ook speelt ze een centrale rol in dé gebeurtenis van de film, die tragisch genoeg het einde betekent aan de oprechte droom van de derde partij in het spel om de gunst van McBurney: Miss Edwina Morrow.

We verlangen vooral wat anderen verlangen, aldus René Girard. Zeker als het object van verlangen niet in ruime mate voorhanden is. Schaarste werkt als een rode lap op een stier. In The Beguiled is dat het geval. Alle dames willen bij John in de smaak vallen en zetten daartoe hun beste beentje voor. Eén object, meerdere subjecten. Dus hevige concurrentie; de lap in The Beguiled kleurt donkerrood. De dames houden elkaar in de gaten, proberen elkaar de loef af te steken. Exemplarisch zijn de reacties op Johns compliment voor de lekkere appeltaart: elk van de vrouwen wil een aandeel hebben in dat succes.

De niet nader te noemen gebeurtenis in The Beguiled zet Farnsworth nog meer op zijn kop. Erna laat John de charmeur (met al die vrouwen waant hij zich logischerwijs in het walhalla) zich van een lelijke kant zien. Dat hij helaas valt voor de verleiding en in de persoon van Miss Edwina Morrow niet kiest voor de echte liefde, is nog tot daar aan toe. Maar het beetje sympathie dat ik nog voor hem had, verdwijnt in het laatste halfuur als sneeuw voor de zon. Overtuigend acteerwerk van Farrell, dat wel, als een man wiens ego wel een prothese kan gebruiken.

De veelzijdigheid van de vrouw, dat is wat The Beguiled laat zien. Haar (ver)zorgende natuur enerzijds, het jaloerse loeder anderzijds. En de sadistische bitch, want als het hun tegen het einde van de film duidelijk is geworden dat het tot voor kort begeerde object een gevaar blijkt, sluiten de dames onder leiding van Miss Martha pijlsnel de gelederen. Dat gebeurt wel buiten de in stilte hunkerende Edwina om; zij is feitelijk het enige personage dat compassie verdient. Dat de liefde aldus aan het kortste eind trekt, maakt dat The Beguiled mij een wat zure nasmaak bezorgt.

 

Regie: Kathryn Bigelow | Duur: 131 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Daar liggen de twee mannen, zij aan zij in het zand. In de waanzin beland voor volk en vaderland. De een bedient een scherpschuttersgeweer, de ander tuurt door een verrekijker. Ze liggen onder vuur, dus bij de les blijven is van levensbelang, hoe zwaar de condities ook zijn. Ondertussen heeft Owen andere zorgen. Hij moet kogels van bloedspetters ontdoen, anders laadt het geweer niet door en valt er weinig terug te schieten. Maar het lukt hem niet. Teamleider William spreekt hierop bemoedigend op Owen in, die zijn emoties maar nauwelijks de baas is. Het surrealisme in deze scène uit The Hurt Locker, veruit de beste van de film, krijgt plots een poëtisch tintje: door de fijnzinnige muziek, een stuiterende kogelhuls in slow motion en het shot van een stofhoosje.

Oorlogsfilms zijn niet echt mijn cup of tea, maar The Hurt Locker blies me compleet weg. Het indringende drama is gebaseerd op de observaties van de Amerikaanse journalist Mark Boal gedurende de Irakoorlog. Boal schreef tevens het met een Oscar onderscheiden script voor de film. Het is een van de in totaal 125 (!) prijzen die de film van Kathryn Bigelow in de wacht sleepte. Bigelow, over The Hurt Locker: “War’s dirty little secret is that some men love it.” Wellicht, maar die medaille heeft een gitzwarte keerzijde.

Bagdad, 2004. Sergeant William James (Jeremy Renner) staat aan het hoofd van een groepje Amerikaanse elitesoldaten die de ondankbare taak hebben om explosieven onschadelijk te maken. William (Will) gaat hierbij naar eigen inzicht te werk en wekt de indruk dat de dood hem koud laat. Bovendien communiceert hij gebrekkig. Hierdoor brengt hij zijn twee directe collega’s, sergeant JT Sandborn (Anthony Mackie) en soldaat Owen Eldrigde (Brian Geraghty), regelmatig in verlegenheid. En in gevaar.

De eerste minuten van The Hurt Locker zijn al direct meeslepend. Bigelow kwakt je namelijk zonder pardon neer in het strijdperk (het decor is een straat in Bagdad). De beelden vechten als het ware om voorrang: een robotautootje is op weg naar een tussen het zwerfafval verstopte bom, legervoertuigen snellen toe, militairen zetten in allerijl straten af, inwoners maken zich uit de voeten. Opgewonden stemmen, geschreeuw. Het luchtalarm klinkt. Sirenes gaan af. Toeterende auto’s. Een straaljager scheurt de hemel aan stukken.

Kijk je door een puur technische bril naar The Hurt Locker, dan kun je niet om de handheld cameravoering en de (geluids)montage heen. Vanaf het eerste moment zorgen die twee voor een soort audiovisuele wurggreep. Talrijke cuts en de waaier aan shots (de focus wisselt voortdurend) genereren een drukkende spanning; de actie zelf is bijna van ondergeschikt belang. De gebeurtenissen doen levensecht aan; The Hurt Locker is een tikkende tijdbom in documentairestijl. Dat is voor het grootste deel te danken aan het scherpe oog van cameraman Barry Ackroyd en de excellente montage van Bob Murawski en Chris Innis.

Een knettergoed filmkader dus, en daarbij is het spel uitstekend. Jeremy Renner weet de meeste ogen op zich gericht. Het lijkt niet tot voorman Will door te dringen dat hij ieder moment het loodje kan leggen. Heeft hij het angstgen niet? Of is-ie gewoon een dwaas? Achteloos trekt de durfal het ontmijningspak aan en keer op keer haalt hij de ‘angel’ uit allerlei bommen en granaten. Op zeker moment gaat hij nog een stap verder door zonder bompak in een auto met een kofferbak vol springstof te stappen. “Als ik toch sterf, dan comfortabel.”

Maar Sanborn, tijdens hun eerste missie al niet gediend van Wills optreden, laat hem pal na die stunt duidelijk voelen dat wat hem betreft de grens is bereikt. Meermaals betwist Sanborn het (tactische) inzicht van Will. Vrienden zijn de heren dan ook niet, maar ze tekenen wel voor de meest intieme dialoog uit de film. “Weet jij waarom ik ben zoals ik ben?” vraagt Will aan Sanborn wanneer ze terugkeren van de zoveelste kloteklus. Ze zien er niet uit. Vies, bezweet, onder het bloed. Geknakt.“I fucking hate this place,” zegt Sanborn, die vervolgens toevoegt dat hij klaar is om te sterven. Daar zitten ze dan, de twee mannen die zij aan zij lagen in het zand.

Sanborn is min of meer gelijkwaardig aan Will. Hij durft op te staan tegen zijn baas. Owen daarentegen, de laagste in rank, lijkt zogezegd per ongeluk in een militair uniform terecht te zijn gekomen. De knul is volgzaam, ook omdat hij wat onzeker is. “Moet ik vuren?” Hij is compleet overstuur nadat kolonel John Cambridge (“doc”) op een bermbom is gestapt. En dat terwijl die zich had aangemeld om eens van dichtbij een dag ‘in de zandbak’ mee te maken; dat bureauwerk komt je op den duur ook de keel uit. Was het niet uitgerekend Owen die doc had verweten geen flauw benul te hebben hoe het een soldaat aan het front vergaat?

Oorlog is een cynische roulette, The Hurt Locker is daar het overweldigende bewijs voor. Sanborn zit mentaal stuk en Owen neemt kermend van de pijn afscheid van een oord waar stervelingen niets te zoeken hebben. En Will? Die voelt zich juist verloren als hij weer thuis is. In de supermarkt (voorlaatste scène) duwt hij verveeld een winkelwagentje voor zich uit. Met een blik alsof zijn speeltje is afgepakt. “The rush of battle is often een potent and lethal addiction, for war is a drug.” Dat is Will aan te zien, want hij lijkt in zijn sas wanneer hij de roulette vervolgt in dienst van de Delta Compagnie. Ik vind het een ietwat triomfantelijk slot aan een film over een militaire interventie waar Amerika zich kapot voor moet schamen.

 Regie: Christopher Nolan | Duur: 106 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Het begon met een telefoontje van producer Jake Meyers (The Revenant, 2015) naar zijn Nederlandse collega Erwin Godschalk. Hij belde namens regisseur Christopher Nolan die op zoek was naar een geschikte locatie voor zijn oorlogsdrama Dunkirk. Het aan het IJsselmeer gelegen Urk viel bij Nolan in de smaak, waarna een Hollywood-tsunami het vissersdorp overspoelde. Dat er in de kerkgemeente niet in het weekend, laat staan op zondag gedraaid mocht worden, was geen probleem. Goddank.

Dunkirk vertelt de gebeurtenissen die zich eind mei 1940 afspelen in de Noord-Franse havenstad Dunkerque. Honderdduizenden Britse en Franse soldaten worden op dat moment door de van alle kanten oprukkende Duitsers richting zee gedreven. Er zit niets anders op dan de troepen te evacueren; een mega-operatie die de geschiedenis zou ingaan als het ‘Wonder van Duinkerke’.

Spektakel, daar lust Christopher Nolan wel pap van. Denk aan Inception (2010) en Interstellar (2014). En Dunkirk dan? Welnu, fasten your seatbelts! De film is gedraaid op IMAX, met camera’s zo massief als een blokkendoos. De uitdaging om daarmee ook handheld te kunnen filmen bleek een kolfje naar de hand van cinematograaf Hoyte van Hoytema, die sensationeel beeldmateriaal heeft geschoten. Talrijke close-ups katapulteren de kijker tot op de huid van de personages. De beleving wordt nog heftiger door de geraffineerd bewerkte soundtrack en geluidseffecten van gigant Hans Zimmer, die zijn voorkeur voor ‘crescendo’ (geleidelijke toonversterking) nog maar eens onderstreept. Een slordigheidje is dat zijn muziek soms verzuipt in het overvloedige achtergrondgeluid.

Drie verhaallijnen (de strijd op de grond, in de lucht en op het water), omlijst door audiovisueel machtsvertoon. Adembenemend, maar een echt plot is er niet en bovendien mist de film een protagonist. Had de focus niet wat meer op de personages moeten liggen? Van het trio topacteurs Tom Hardy, Cillian Murphy en Mark Rylance krijgt alleen de laatste de kans zich te onderscheiden. Geflankeerd door zijn zoons Peter en George dirigeert de kapitein zonder veel woorden te bezigen. Een rol die de charismatische Rylance fantastisch invult.

Intens, intenser, Dunkirk: aan zweethanden of hartkloppingen valt nauwelijks te ontkomen tijdens Nolans docu-achtige blockbuster die alom met veel enthousiasme is onthaald. En die het vredige Urk op de filmkaart heeft gezet. Is het volgende Urker sprookje de bouw van een heuse bioscoop in het dorp?

 Regie: Jonathan Teplitzky | Duur: 116 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

The Railway Man vertelt het verhaal van de Schotse verbindingsofficier Eric Lomax (Colin Firth). In 1942 nemen de Japanners hem gevangen en moet hij werken aan de beruchte Birma-spoorlijn. Hij tekent een gedetailleerde kaart van deze spoorlijn en bouwt met zijn kompanen een geïmproviseerde radio. Beide items worden gevonden, waarop de Japanse militaire politie hem ondervraagt en hevig foltert. Hij overleeft de wreedheden en keert na de oorlog terug naar het Verenigd Koninkrijk. In 1980 ontmoet hij in de trein zijn toekomstige vrouw Patti (Nicole Kidman). Zijn ervaringen voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog tekende Lomax op in zijn autobiografie The Railway Man (1995).

Eric wordt nog altijd gekweld door zijn herinneringen aan de verschrikkingen. Maar erover praten doet hij niet, ook niet met Patti. Radeloos wendt ze zich tot Finlay (Stellan Skarsgård), een bevriende lotgenoot van Eric. Die toont haar een document waaruit blijkt dat Nagase, de tolk die Eric ooit afbeulde, nog in leven is. Het is de aanzet tot het beste gedeelte van de film waarin verbittering en berouw elkaar recht in het gelaat staren.

Colin Firth is weer ouderwets goed. Ook Nicole Kidman levert degelijk werk af, alhoewel het even wennen is haar in een bijrol te zien. Uitstekend zijn de acteerprestaties van de Hiroyuki Sanada (de oude Nagase) en Jeremy Irvine (de jonge Lomax).

Dagelijks berichten de media over talloze brandhaarden. Op het gevaar af immuun te worden voor menselijk leed. Sommige dingen zijn immers zo erg, zo vernederend en zo beschamend dat ze niet in taal uitgedrukt kunnen worden. De kunst om haat te transformeren tot vergeving is de essentie in The Railway Man. Een aangrijpend relaas over de waanzin van oorlog, steevast gevoed door leugens en indoctrinatie. Ga goed zitten voor deze indrukwekkende film waarin beul en slachtoffer na lange tijd vrede sluiten.

The Railway Man

 Regie: Erik Poppe | Duur: 117 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Anders dan de titel wellicht doet vermoeden is A Thousand Times Good Night geen verhaal over hartstochtelijke liefdestaferelen. Integendeel. De openingsscène biedt de kijker een indringende blik in het beroep van hoofdpersoon Rebecca (Juliette Binoche). Ze is gerenommeerd oorlogsfotografe en legt in de Afghaanse hoofdstad Kaboel een zelfmoordaanslag op een markt vast. Haar vastbeslotenheid om hierin tot het uiterste te gaan kost haar bijna het leven.

Terug in Ierland stelt haar man Marcus (Nikolaj Coster-Waldau) haar voor de keuze: gezinsleven of werk. Rebecca kiest aanvankelijk voor het eerste, maar bedenkt zich wanneer ze haar oudste dochter voorstelt samen af te reizen naar Kenia om foto’s te maken in een vluchtelingenkamp. Merkwaardig genoeg stemt Marcus in. In Kenia riskeert Rebecca wederom lijf en leden ten faveure van de heilige kiekjes.

Een geëngageerd fotografe, gedreven door haar woede om ’s werelds verschrikkingen, komt in conflict met haar moederlijke verantwoordelijkheden. Het scenario draait uitsluitend om dit spanningsveld. Rebecca’s dilemma gutst voortdurend van haar gezicht af. Ze slaagt er maar niet in haar dierbaren te overtuigen van haar diep verankerde missie. De toegewijde Marcus – een soort neanderthaler gereïncarneerd als teddybeer – weet op zijn beurt Rebecca niet te bewegen het gezin als prioriteit te stellen. Vrijwel iedere dialoog draait om deze netelige kwestie. Elk preekt echter voor eigen parochie, waardoor enige evolutie niet valt op te tekenen en de film smaakt naar lauwe stamppot zonder spekjes.

Het drama A Thousand Times Good Night komt vrijwel niet uit de verf. Hoe visueel geslaagd Poppes film ook is, de diepgang ontbreekt. Het plot is zo plat als een dubbeltje, de karakters zijn eendimensionaal en de ethische kanten van de oorlogsfotografie blijven onderbelicht. Het is duidelijk dat regisseur Erik Poppe, zelf voormalig oorlogsfotograaf, nogal blikvernauwend te werk is gegaan. Het resultaat is een semi-autobiografisch melodrama met een voorspelbaar einde.

A Thousand Times Good Night