Regie: Ol Parker | Duur: 104 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Meer dan 20 jaar waren ze niet te zien in een romantische komedie: Oscarwinnaars George Clooney (1961) en Julia Roberts (1967), die voor het eerst samenwerkten op de set van Ocean’s Eleven (2001). In die misdaadthriller speelden ze ex-lovers die ooit zelfs getrouwd waren. Het uitgangspunt in Ticket to Paradise is vergelijkbaar: de twee vertrouwde Hollywoodgezichten spelen opnieuw een gescheiden echtpaar. Wat denkt u, zijn de brokstukken ook dit keer te lijmen?

In Ticket to Paradise krijgen ex-echtgenoten David (Clooney) en Georgia (Roberts) opmerkelijk nieuws: hun dochter Lily (Kaitlyn Dever) heeft serieuze trouwplannen met haar kersverse geliefde Gede (Maxime Bouttier). Niet zo’n strak plan, vinden pap en mam. Daarom slaan ze tandenknarsend de handen ineen en reizen ze af naar het exotische Bali, waar Lily met vakantie is.

Als ons enige kind maar niet de fout maakt die wij ooit maakten. Met die gedachte stappen David en Georgia in een vliegtuig naar Indonesië. Ze komen gezellig naast elkaar te zitten, net als bij de afstudeerceremonie van Lily – hoe onwaarschijnlijk. En wederom vliegen de kleuters elkaar opzichtig in de haren. Nog onwaarschijnlijker is dat Georgia in piloot Paul (Lucas Bravo) een nieuwe liefde heeft. Vanaf dat moment, de film is net uit de startblokken, is Ticket to Paradise qua plot eigenlijk al niet meer serieus te nemen.

Hoe is dan het spel? Mwah. Dat Ticket to Paradise een luchtig hapje is, is voor 90% te danken aan de kunstjes van Clooney en Roberts. David is een succesvolle strak-in-het-pak-man, Georgia zijn vrouwelijke equivalent. Vooral in elkaars aanwezigheid geven ze blijk van een scherpe tong; als ze elkaar maar fijn in de zeik kunnen zetten, het liefst en plein public natuurlijk. Het levert een handvol gniffelmomenten op, maar het feit dat hun strijd permanent is en er daardoor duimendik bovenop ligt, draait de geloofwaardigheid de nek om.

Of ligt het aan de decadente bubbel Los Angeles dat David en Georgia elkaar de maat nemen? Breekt Bali de ban? Ticket to Paradise is net een soort vakantiecommercial. Zon, zee, strand, cocktails. Kom naar goddelijk Bali! Een oord waar niets moet en alles mag. Maar helaas, relaxmodus of niet: ook onder prachtig azuurblauwe luchten bekvechten de twee pubers er lustig op los. Wat dat betreft niets nieuws onder de zon. Ja, toch wel. Bali vormt het decor, maar de opnames vonden toch echt plaats in de ‘Sunshine State’ Queensland, Australië.

Ander nieuwtje is dat de in Frankrijk geboren, Indonesische acteur Maxime Bouttier een verdienstelijk debuut in een Hollywoodfilm maakt. Hij speelt een zeewierboer die razendsnel het fletse stadspoppetje Lily weet te bekoren; bij hun eerste oogcontact is het direct raak. Oké, dat kan natuurlijk. Maar een maandje later elkaar reeds het ja-woord geven? Snelkookrijst is er niets bij.

Lucas Bravo vertolkt wel het meest bizarre, meest irritante, maar vreemd genoeg ook het grappigste figuur van allemaal. Zo’n man waarbij je direct denkt: weet je nou zelf echt niet dat je hartstikke gay bent? Meneer de piloot, dol op verrassingen trouwens, is verrassenderwijs niet één keer te zien op de plek waar je hem verwacht, namelijk in de cockpit van zijn kist. Niet voorin in zijn kist, en nog niet uit de kast. De stakker. En op het moment dat hij voor Georgia door de knieën gaat, is het net klungelsmurf waar je naar kijkt.

Ticket to Paradise is een flutverhaaltje in een gelikt lijstje. Onderbroekenlol met een tropisch sausje. Een film waarvan de afloop nog voorspelbaarder is dan, bijvoorbeeld, het weer van eergisteren. Vandaar de volgende spoiler: de dolgelukkige Lily en Gede fungeren als keiharde spiegel voor de twee verzuurde huwelijkstorpedo’s David en Georgia. En natuurlijk schuilen in pap en mam nog altijd een Lily en Gede. Dus ja, die brokstukken zijn prima te lijmen.

Regie: Wayne Wang | Duur: 112 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Het is 1990. De Twin Towers van het World Trade Center tooien de skyline van New York. Het internet staat in de kleinste kinderschoenen en zelfs in openbare ruimtes wordt volop gepaft. Het filmdrama Smoke speelt zich af in die tijd. Een era waarvan je de kiekjes ooit (binnenkort?) in de geschiedenisboeken aantreft. Of in de plakboeken van Auggie Wren. Zijn tabakswinkeltje in de wijk Brooklyn is een ontmoetingsplek voor ‘pelgrims’ van allerlei pluimage. Blank en zwart, jong en oud, arm en rijk. Een smeltkroes van het eeuwige nu.

Auggie wordt gespeeld door de inmiddels hoogbejaarde Harvey Keitel (83). Geboren en getogen in Brooklyn. Smoke is dus een soort thuiswedstrijd voor hem. Bovendien heeft hij een rol die hem ligt: het straatjochie spelen. Een tikkeltje ruig, ondeugend, met het hart op de tong. Aan de hand van Keitel slaagt Wayne Wang (ik had nooit van de regisseur uit Hong Kong gehoord) erin om een film te maken waarin het draait om de personages. Een verademing in vergelijking met de bombast in veel van de huidige producties.

Een van die pelgrims is schrijver Paul Benjamin (William Hurt, onlangs overleden), wiens zwangere vrouw bij een bankoverval werd doodgeschoten. Bijna had ook de verstrooide Paul het leven gelaten, maar de 17-jarige Rashid grijpt net op tijd in. Samen gaan ze op zoek naar de vader van de door mysteries omgeven knul, die onder andere geen vaste verblijfplaats heeft. En in zijn winkeltje krijgt Auggie op een dag onverwachts bezoek van zijn ex Ruby. Zij beweert dat ze samen een dochter hebben die dringend hulp nodig heeft.

Dialogen vormen het hart van de actie in Smoke, een volwaardig plot is er niet. De film is een kettingreactie van oorzaak en gevolg. De ontmoetingen zijn alledaags, maar zeer invoelbaar. De mens is in essentie goed, geeft Wang de kijker mee. Zo redt Rashid Paul en biedt Paul Rashid hierop tijdelijk onderdak. Auggie leert zijn vriend Paul dan weer de kunst van het kijken. Elke ochtend, al jaren lang, legt Auggie zijn tabakszaak vast op de gevoelige plaat. Elke ochtend precies één foto om klokslag acht uur. Plakboeken vol foto’s krijgt Paul voor de kiezen. En opeens ziet hij de vrouw die hem zo verschrikkelijk ontbreekt.

Zo rauw als de neten is dan weer de kennismaking tussen Auggie en Felicity. Wat een venijn legt Ashley Judd in haar spel, onwijs goed. Hoog lopen ook de emoties op tussen de gevatte Rashid (Harold Perrineau) en de lijvige garagehouder Cyrus (Forest Whitaker), wiens linkerarm eindigt in een stalen haak. Een ‘cadeautje’ van God. Die heftige scène loopt vloeiend over in het meest poëtische shot van de film: de traag door New York slingerende metro. De muziek onder de beelden is ingehouden, subtiel. Lichtvoetige melancholie.

Tabak, smeerolie van het gesprek – dat waren nog ‘ns tijden. Het sfeerportret Smoke is cinema uit de oude doos. De film besluit met een beeldig kerstverhaal: de ‘geboorte’ van Auggie’s fotoproject. De slotscène leert nog maar eens dat, met een beetje goede wil, het muurtje tussen een vreemde en uw naaste een dunne is. Dik dertig jaar na Smoke lijken we een beetje verleerd te zijn hoe dat muurtje te slechten. Misschien die hypnotiserende zakschermpjes vaker terzijde leggen.

Regie: Tyler Nilson & Michael Schwartz | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Op IMDb staat een lijst van 42 acteurs en actrices die niet kregen waar ze volgens sommige filmkenners wel recht op hadden: een nominatie voor een Oscar. Op die lijst staan er twee die in The Peanut Butter Falcon tot de beste matties uitgroeien. Het zijn de in Los Angeles geboren Shia LaBeouf (1986) en de mij tot voor kort onbekende Zack Gottsagen. De casting van Gottsagen (1985) is bijzonder te noemen: hij lijdt namelijk aan het syndroom van Down.

In The Peanut Butter Falcon maken we kennis met de 22-jarige Zak (Gottsagen). De jongeman wil in zijn leven niets liever dan professioneel worstelaar worden, maar in plaats daarvan kwijnt hij weg in een verpleeghuis. Op een dag weet hij echter te ontsnappen en ontmoet hij in Tyler (LaBeouf) een aan lager wal geraakte visser die ook op de vlucht is. Tyler zit niet echt te wachten op gezelschap, maar Zak wil coûte que coûte zijn idool Salt Water Redneck ontmoeten.

Zack Gottsagen is waarom een film als The Peanut Butter Falcon voor altijd in de bios zou moeten draaien. Je wordt er ontzettend blij van omdat Gottsagen doet wat veel mensen een beetje verleerd lijken. Dakota Johnson: “Zack is puur en hij leeft vanuit een compleet open hart. Hij oordeelt niet.” Aldus de actrice over de man die als dreumes al de vurige wens had om acteur te worden. Zijn eerste rolletje? Een kikker, toen hij amper drie jaar oud was. Nu dertig jaar later speelt hij de hoofdrol in een film waarvan het script speciaal voor hem is geschreven.

Zak de hartendief. Hij is de ultieme verbinder in de film. Had het Oscarcomité hem dat beeldje niet gewoon moeten toekennen? Natuurlijk. Puur vanwege het feit dat Zak anderen transformeert, door zijn ‘ongefilterde’ (niet door het ego vertroebelde) kijk op het leven, door zijn ontwapenende manier van doen. Tyler is de eerste die dat mag ervaren. Hij moet aanvankelijk niets van zijn schaars geklede reisgezel hebben, keert hem dan ook de rug toe, maar krijgt rap spijt van die actie. Gelukkig maar, want als hij niet veel later oog in oog staat met Zaks beeldschone protegee Eleanor (Johnson), komt het verhaal in een stroomversnelling.

Shia LaBeouf staat bekend als een lastige jongen, zowel op de filmset als daarbuiten. De kersverse vader (hij en actrice Mia Goth onderhouden al 10 jaar een relatie vol ups en downs, met nu een baby als resultaat) stond ooit te boek als een acteertalent, maar sinds 2010 rijgt hij de incidenten aaneen. Meerdere keren werd de licht ontvlambare gearresteerd voor dronkenschap en geweldsdelicten. De Tyler in het eerste halfuur van de film lijkt veel op de Shia in het echte leven: hij is een pain in the ass, en zeker niet de pluche badass die Zack zo prachtig neerzet.

Maar Eleanor en Zak schudden Tyler wakker; van een brombeer verandert hij zowaar in een mentor. Lukt het Tyler om zijn oersterke partner in crime klaar te stomen voor wellicht een serieus potje worstelen? Het middenstuk is veruit het leukste gedeelte van de film, waarvan de opnames trouwens plaatsvonden in de delta van de Savannah River. Het licht is mooi (soms wat heiig, ietwat sprookjesachtig) en het getokkel op de snaren past er perfect bij. Qua sfeer doet The Peanut Butter Falcon erg denken aan Mud (2012).

Behalve Gottsagen stelen ook twee andere acteurs je hart. Ten eerste Wayne Dehart als Jasper, een stekeblinde kluizenaar op leeftijd die wel erg fanatiek het woord van Christus verkondigt. En let later vooral op Thomas Haden Church als Salt Water Redneck. De acteur (bekend van Sideways, 2004) speelt een uitgerangeerde held die net als Zak zijn dagen slijt op een anonieme plek. Maar is het heilige vuur in hem dan definitief gedoofd? Nee hoor. Zijn grootste fan, Lord of the worstelring Zak, pookt dat vuurtje weer op.

Niet je leven dromen, maar je dromen leven: Za(c)k komt een heel eind in een van de leukste films van de afgelopen jaren. Door gewoon zijn hart te volgen. In dat opzicht is zijn verstandelijke beperking eerder een zegen dan een vloek; eronder lijden doet hij sowieso niet. Sterker, Zack is en blijft zijn zalige zelf. Altijd. The Peanut Butter Falcon is een zoet juweeltje waarin het kikkertje van toen laat zien een professionele reuzesprong gemaakt te hebben. Zelfs Salt Water Rednecks imposante ‘atoomworp’ verbleekt bij die prestatie.

Regie: Mark Herman | Duur: 108 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL

Camera

‘Feeling brassed off’ is informeel Engels voor ‘niet lekker in je vel zitten, je ongelukkig voelen’. Bovendien is ‘brass’ een helder gele metaalsoort, een legering van koper en zink. Beide betekenissen komen samen in het bijzonder charmante Brassed Off van Mark Herman. Een ode aan de blaasmuziek, en in 1998 winnaar van de César (Franse Oscar) voor de Beste Buitenlandse Film. Blikvanger in deze Britse parel is zonder enige twijfel de reeds overleden Pete Postlethwaite (1946-2011), een van de meest bezienswaardige acteurs die het witte doek ooit rijk was.

Brassed Off speelt zich af in Yorkshire, zo’n tien jaar na de grote mijnstaking (1984-1985). Inwoners van het stadje Grimley hangt de definitieve sluiting van de kolenmijn boven het hoofd, maar Gloria (Tara Fitzgerald) krijgt van Britisch Coal de belangrijke opdracht om het rendement van de mijn, een sociaal-economische levensader, in kaart te brengen. Aangezien de dame tevens prima overweg kan met de bugel (een soort trompet), verovert ze een vaste plek binnen de lokale fanfare. En daar loopt ze in Andy (Ewan McGregor) een oude vlam tegen het lijf.

Het is smullen geblazen in Brassed Off, een sociaal drama dat bij vrijwel iedereen in de smaak zal vallen. Eerste moment van extase is Gloria’s visitekaartje op haar bugel. Aangevuurd door dirigent Danny (Postlethwaite) brengen de mijnwerkers van de Grimley Colliery Band (in werkelijkheid is het Grimethorpe Colliery Band) Rodrigo’s Concierto de Aranjuez ten gehore. Een weergaloos mooi stuk muziek. De uitvoering is volmaakt en deze wordt ook knap in beeld gebracht; de cameravoering en montage zijn vlekkeloos. Zie hoe de aanwezigen, louter mannen, stuk voor stuk van verrukking en verbazing bijna van hun stoel vallen.

Brassed Off is een heerlijk Brits product, een ruwe cinema-diamant. Een verhaal over collectivisme en de logische frictie met de ‘vijand’. Wij tegen zij. Danny propageert alleen het ‘wij’, middels de band natuurlijk. Het is een feest om naar Postlethwaite te kijken. Zijn expressie is rauw, tegelijk melancholisch. “It’s all in the cheekbones (jukbeenderen), this career of mine”, zei hij ooit. In Brassed Off heeft meneer heel wat noten op zijn zang. Of de kolenmijn van Grimley nu wel of niet met sluiting bedreigd wordt, voor Danny maakt dat eigenlijk niks uit. De kopman is niet bezig met de op handen zijnde sluiting, zelfs het kolengruis in zijn longen kan hem niet stoppen. “It’s music that matters.”

Echter, zijn commitment wordt niet gedeeld door de andere bandleden. En daarnaast raakt zijn zoon Phil (Stephen Tompkinson, prachtige rol) van de regen in de drup. Diep in de schulden ziet die zich genoodzaakt om Mr Chuckles uit de kast te trekken. In een clownspak kindertjes entertainen, van ouders die tot de ‘upper class’ behoren. Dat steekt natuurlijk, en op een dag wordt het hem te veel. Ten overstaande van een stel piepjonge koppies vervloekt Phil de Tory Party en haar toenmalig leider Margaret Thatcher. Regisseur Mark Herman bekent daarmee politiek kleur. Brassed Off gaat eigenlijk niet eens zozeer om het wel en wee van mijnwerkers, de film is meer een sympathieke schets van de arbeider die het hoe dan ook aflegt tegen het (politiek) kapitaal.

Maar zomaar opgeven is er niet bij, we zijn immers in het land van ‘hope and bloody glory’. En die glorie komt. Voor Gloria en Andy (leuk om McGregor het verliefde kalf te zien spelen) en ook voor de Grimley Colliery Band. De ultieme glorie zelfs, want in een knus Londens ‘zaaltje’ knalt het blaasensemble er voor de laatste keer een vette deun uit. Waarna Danny Ormondroyd de microfoon pakt en, nog maar eens, in zuiver steenkolenengels het publiek deelgenoot maakt van wat hij onlangs bijgeleerd heeft: “Truth is, I thought it mattered. I thought that music mattered. But does it bollocks?”

Regie: Adam McKay | Duur: 130 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

“Truth is like poetry. And most people fucking hate poetry.” De quote had de tagline van The Big Short kunnen zijn. Omdat de film een fraude uit de doeken doet die je je moeilijk kunt voorstellen. Vooral de grootschaligheid ervan. Zoiets kan toch niet waar zijn? Daar komt bij dat materie behoorlijk complex is. De term ‘vastgoedzeepbel’ an sich begrijp ik, maar bij ‘kredietverzuimswaps’ haak ik af. De film mijdt dit soort jargon zeker niet. Gesneden koek wellicht voor een beetje cijfernerd, maar voor mij (een taaldier) is het in eerste instantie abracadabra.

Dus bekijk ik The Big Short een tweede keer. Een derde, vierde en vijfde keer. En uiteindelijk valt het kwartje. Misschien had ik beter het boek van Michael Lewis kunnen lezen, het gelijknamige boek waarop de film is gebaseerd. Anderzijds is het scenario van Charles Randolph en regisseur Adam McKay een formidabele bewerking van dat boek. Durf ik te zeggen zonder het gelezen te hebben. Subliem is bovendien het werk van Hank Corwin, de editor. Hij heeft een aanzienlijk aandeel in het gegeven dat je soepeltjes door het bank- en investeringswereldje beweegt. Niet meteen de meest warmbloedige bedrijfstak. Uniform. Kantoorflats waar elke vorm van romantiek ontbreekt. Bevolkt door mannen in pakken. Mannen die pakken wat ze pakken kunnen. Haantjesgedrag op dertien hoog.

The Big Short begint in 2005. De Amerikaanse huizenmarkt is op dat moment een kaartenhuis dat op instorten staat. Tientallen jaren lang zijn er namelijk hypotheken verstrekt waarvan de financiering rammelt. Voor de oorsprong van deze malversaties (de film begint ermee) moeten we terug naar eind jaren 70. Lewis Ranieri, de ‘Grote Smurf’ van de New Yorkse investeringsbank de Salomon Brothers, kreeg destijds het lumineuze idee om hypotheekleningen te verpakken tot obligaties die doorverkocht kunnen worden. Het markeerde het begin van een nieuw tijdperk in het Amerikaanse geldwezen. Financials harkten aan de lopende band en met speels gemak honderden miljoenen dollars binnen; the sky was the limit.

Maar Wall Street zou in de jaren erna uitgroeien tot een luchtkasteel. Een verraderlijk bouwwerk met, blijkt in 2007, een plafond van graniet. En daartegen je hoofd stoten doet zeer. Vier vreemde vogels anticiperen in 2005 op een dergelijk scenario, op een financiële meltdown. Ze ontdekken dat vele Amerikaanse huizenbezitters (beter: huizenbewoners) hun betalingsverplichtingen aan de bank niet nakomen. Een crash van de vastgoedmarkt, en daarmee de ontwrichting van de wereldeconomie, hing in de lucht. Wat de film echter voornamelijk laat zien, is hoe de vier de crash uitbuitten en er schatrijk door werden. Dat deden ze middels een techniek die short gaan heet: winst behalen door in te spelen op een daling van de aandelen- of obligatiekoers.

Hoe short gaan precies werkt? Kijk voor de details naar The Big Short. Wat een prent. Steengoed. Een suf onderwerp zo wervelend verpakken is grote klasse. Ik noemde al Corwins Oscarwaardige ‘knip- en plakwerk’, en ook het spel en het camerawerk zijn geweldig. Het op waargebeurde feiten berustende verhaal is geconstrueerd rondom een drietal personages: Michael Burry (Christian Bale), Mark Baum (Steve Carell) en Jared Vennett (Ryan Gosling). De drie acteurs vlammen in dit biografische drama, dat de nodige elementen van een zwarte komedie herbergt.

De mensenschuwe cijferfreak Michael Burry is de meest excentrieke van de drie. Een autist met een glazen oog. Zonder pardon lapt hij de mannen-in-pakken-cultuur aan zijn laars: meneer draagt consequent een zomeroutfit. Ja, ook op kantoor. Daar zeker. T-shirtje, korte broek, sandalen. Hij zit met blote voeten achter zijn bureau. Hij is dol op heavy metal en ook buitengewoon kundig met een paar drumsticks. Als hoofd van het hedge fund Scion Capital koopt Burry voor 1,3 miljard dollar aan ‘credit default swaps’, wat hem op een storm aan kritiek komt te staan.

Dan manager Mark Baum (in werkelijkheid Steve Eisman). Een arrogante bulldozer met een moreel kompas van staal. Gaat recht op zijn doel af en windt nergens doekjes om (dat is nog licht uitgedrukt). Hij beheert een relatief bescheiden investeringsfonds en stuurt een klein team van handelaren aan. Baum gaat door het lint als hij doorziet welke frauduleuze hypotheekconstructies de banken schaamteloos aan de man brengen, hoezeer kredietbeoordelaars de ogen daarvoor sluiten en welke atoombom dat potentieel legt onder de economie. Carell dreunt echt van het doek; dat zijn hart het niet begeeft!

Ryan Gosling tot slot. Zijn aandeel in de film is drieledig. Hij is uitstekend als de zeer gelikte verkoper Jared Vennett (Deutsche Bank). Bovendien neemt hij de kijker bij de hand door de schimmige wereld van het grote geld. Dat doet hij via de voice-over en door de vierde wand te doorbreken, dus door zich rechtstreeks tot de kijker te wenden. Andere acteurs doen dat trouwens ook, maar Gosling het vaakst. Het is een slimme zet van McKay; de mini-intermezzo’s verschaffen de kijker wat meer structuur én ademruimte. Dat laatste is broodnodig, want The Big Short is net een circustent. Wel eentje die staat als een huis.

Ongelimiteerd graaien enerzijds, een grenzeloze kortzichtigheid anderzijds: hebzucht en stupiditeit vormden tientallen jaren lang de opmaat naar een explosieve cocktail. Een cocktail die de boeken inging als de ‘kredietcrisis’. Hebben de wantoestanden van toen tot bezinning geleid? Is het bankwezen een radicaal andere weg ingeslagen? The Big Short eindigt met een schokkende conclusie: nee, het grote wegkijken is gewoon met een paar jaar verlengd. Het is business as usual. Geen wezen zo hardleers als de mens. Betekent de volgende crisis dan wél de definitieve ondergang van onze schuldeneconomie?

 

Regie: Thomas Vinterberg | Duur: 117 minuten | Taal: Deens | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

De opnames voor Druk waren een dag of vier onderweg toen Ida, de 19-jarige dochter van regisseur Thomas Vinterberg (Festen en Jagten), in België om het leven kwam bij een auto-ongeluk. Besloten werd om het script van de film aan te passen. Vinterberg zei naderhand: “It should not just be about drinking. It was about being awakened to life.”

Druk draait om vier docenten op een middelbare school: docent geschiedenis Martin (Mads Mikkelsen) en zijn collega’s Tommy (Thomas Bo Larsen), Nikolaj (Magnus Millang) en Peter (Lars Ranthe). Behalve collega’s zijn het ook lotgenoten, omdat elk van hen kampt met een midlifecrisis. Die crisis doet zich gelden tot in het klaslokaal: hun lessen zijn als lauw bier en de leerlingen zijn niet vooruit te branden. Maar een gewaagd experiment moet daar verandering in brengen.

Dat experiment houdt verband met de Noorse filosoof en psychiater Finn Skårderud – nee, ik kende hem ook niet. Skårderud stelde ooit dat het bloed van de mens bij zijn geboorte een te laag alcoholpromillage heeft. Een tekort van ongeveer 0,5 promille. Een productiefoutje, maar voor de vier boefjes is het een welkom excuus om uit een ander vaatje te gaan tappen.

Kun je je het voorstellen? Alleen onder werktijd drinken en het weekend gebruiken om te detoxen. Het Deense Druk is de wereld op z’n kop. Om te brullen van het lachen, dat geef ik u op een briefje. Maar het is ook ontroerende cinema. Vertederend. Het hoogste rapportcijfer in dit komische drama, winnaar van de Oscar voor Beste Buitenlandse Film, is voor het acteerwerk.

Natuurlijk is Mikkelsen, vaandeldrager van de Deense cinema, de ultieme blikvanger. Prachtige kop heeft hij toch. Martin maakt een uitgebluste indruk. Geen connectie met zichzelf, een vreemde in de ogen van zijn eigen kinderen. En het huwelijk met zijn vrouw Anika (Maria Bonnevie) bevindt zich in de blessuretijd. “Je bent niet meer de Martin van vroeger”, luidt haar oordeel. Even later kan hij de tranen dan ook niet bedwingen. Tijdens de geweldige tafelscène verruilt hij namelijk een ‘frisje’ voor het echte werk. Tja, alcohol maakt nu eenmaal dingen los.

Mikkelsen heeft uitstekend gezelschap in Druk; heel de cast is voortreffelijk. Thomas Bo Larsen (onvergetelijke rol in Festen) wil ik graag noemen. Tommy is de senior van het kwartet. Een gevoelige goedzak. En ook van de docent lichamelijke opvoeding is het beste wel af. Oplossing: je waterflesje eens vullen met iets anders dan water. De alcohol schudt het fanatieke kind in Tommy helemaal wakker. Leukste plotlijntje in de film is de interactie tussen hem en ‘brillemans’.

De permanente alcoholroes heeft gevolgen. Positief, want de leerlingen (van vooral Martin) kunnen hun ogen niet geloven; docent en geschiedenis komen plots tot leven! En daar het experiment vloeiend verloopt, besluiten de heren het te verlengen. Te intensiveren zelfs. ‘Differentiatie’ heet dat in het onderwijsveld. Voor de goede orde: er werd geen druppel geschonken op de set. Maar dat zou je wel denken, want hun dronkenschap spat werkelijk van het scherm. Ooit ladderzat boodschappen gedaan? Of lekker gaan vissen? Aan de knappe motoriek van de drankorgels moeten vele uren huiswerk zijn voorafgegaan.

Het drama in Druk betreft uiteraard de negatieve gevolgen van al dat gezuip. Martin is meer en meer getrouwd met de fles, wordt knock-out en onder het bloed gevonden door zijn zoon en heeft thuis dus heel wat uit te leggen. Tommy echter zorgt voor de grootste shock in Druk. De film lijkt daardoor met een anticlimax te eindigen, maar niets is minder waar: middels de swingende slotscène (wist u dat Mikkelsen vroeger op jazzballet zat?) spoort Vinterberg ons aan om het leven vooral te leven. Want het vervliegt sneller dan alcohol.

Regie: James L. Brooks | Duur: 139 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Op ieder potje past een dekseltje, maar in As Good as It Gets is het wrikken geblazen. Van alle romances op het witte doek is die tussen Melvin en Carol een van de meest ongewone. Het spettert en bruist, maar niet doordat het allemaal zo romantisch is. ‘Can’t live with or without you’, dat werk dus. Zowel Jack Nicholson als Helen Hunt ontvingen een Oscar voor hun spel in deze feelgoodklassieker die doping is voor de lachspieren.

In As Good as It Gets maken we kennis met Melvin Udall (Nicholson). Melvin is een succesvol schrijver, maar ook een misantroop in hart en nieren. Bovendien lijdt hij aan diverse dwangneuroses, waaronder smetvrees. Lichtpuntje in zijn leven (behalve de pen dan) is Carol Connelly (Hunt). Ze werkt als serveerster in het restaurant waar Melvin een abonnement op heeft.

Eh, niet zo romantisch allemaal? Noem een compliment als “You make me want to be a better man” maar niks! De auteur ervan is Melvin, de ontvanger Carol. Terwijl zijn verbale liefkozing haar doet smelten, voegt het prikkelende heerschap nog even toe dat hij wellicht wat overdrijft. As Good as It Gets zit vol met dit soort humor. Grillig, onconventioneel. Melvin grossiert in sarcastische opmerkingen. Sommige zijn op het randje, de meeste (de leukste!) zijn over het randje. Zo vraagt een receptioniste (een barbiepop met het IQ van een wasknijper – zo wordt de blondine althans neergezet): “How do you write women so well?” Melvin: “I think of a man, and I take away reason and accountability.” Au.

Tact komt dus niet voor in het lexicon van Melvin, de gepantserde man met een tong als een rasp. Alles wat leeft mijdt hem dan ook als de pest. De homofiele kunstenaar Simon (Greg Kinnear) doet dat ook, maar stuit daarbij op een praktisch probleem: hij en Melvin zijn buren. Op een dag wordt Simon zwaar afgetuigd door inbrekers en belandt hij in het ziekenhuis. Maar wie bekommert zich dan om zijn hondje Verdell? Melvin Udall dus. Als dat maar goed gaat.

Ja, wonder boven wonder pakt dat goed uit. Wat heet: Melvins oog voor Verdell slaat zelfs scheurtjes in zijn pantser. Zou hij dan toch menselijke trekjes hebben? Of bloody course! Ook “Carol the waitress” bespeurt die voorzichtige verandering. Het leven van de alleenstaande moeder loopt niet over van de ‘confettimomenten’. Werken werken werken en thuis heeft ze de zorg voor haar zwaar astmatische zoontje Spencer. Maar rara, wie schiet haar te hulp? Inderdaad, de vuile smiecht ontpopt zich meer en meer tot een soort messias.

Verdell ontdooit Melvin, Melvin redt Carol. Maar wie schiet “Simon the fag” eigenlijk te hulp? Regisseur en scriptschrijver James L. Brooks, die As Good as It Gets situeert in zijn geboortestad New York, stuurt het drietal hiertoe naar het zuidelijker gelegen Baltimore. Een bescheiden roadtripje tijdens welke Simon, óók een drenkeling van de stroom des levens, plots het licht weer ziet. Meewerkend voorwerp in dit geval? Carol. Waarmee de cirkel rond is. Of nee, toch nog niet helemaal. Want wie geeft Melvin het beslissende zetje in de richting van Carol?

Beter dan As Good as It Gets wordt het niet. Fijn plot en héérlijk acteerwerk. Tuurlijk, de film barst van de stereotyperingen. In het huidige tijdperk, dat zwanger ziet van de deugterreur, is het bijna ondenkbaar om daar nog om te mogen lachen, maar daarom is deze filmische blik over de schouder juist zo leuk. Heel erg leuk. Behalve om Hunt en Nicholson (formidabele optredens) lach je je ook suf om Kinnear en Cuba Gooding Jr. Die laatste speelt Frank Sachs, Simons zaakwaarnemer die verbaal de strijd aanbindt met de ongeëvenaarde Krijger van het Woord: Melvin Udall.

 

Regie: John Hughes | Duur: 103 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Lang vervlogen tijden herleven bij het zien van een tekst als ‘binnenkort verkrijgbaar op videocassette’. Het staat gedrukt op oude posters van Ferris Bueller’s Day Off, uit 1986. Een zalige prent van de man die als geen ander in het tienerbrein kruipt: wijlen regisseur John Hughes (1950-2009), die in 1985 ook al scoorde met The Breakfast Club. De parallel tussen die film en Ferris Bueller’s Day Off, een enorme bioscoophit, is dat het gezag flink in het ootje wordt genomen.

Ferris Bueller (Matthew Broderick) heeft vandaag geen zin in school. Hij leidt zijn goedgelovige ouders om de tuin en knijpt er vervolgens lekker tussenuit met zijn liefje Sloane (Mia Sara) en zijn beste vriend Cameron (Alan Ruck). Terwijl het drietal in Chicago de bloemetjes buitenzet, gaat schooldecaan Edward Rooney (Jeffrey Jones) op onderzoek uit. Kan Ferris misschien rekenen op het begrip van zijn oudere zus Jeanie (Jennifer Grey)?

Laat ik beginnen met de schlemiel in Ferris Bueller’s Day Off: Edward Rooney, voor altijd vereeuwigd dankzij de slotact. Daarin zien we hem strompelen door een keurige woonwijk. Zijn broek is even gehavend als zijn humeur. Een schoolbus komt voorbij en de chauffeuse merkt fijntjes op dat Rooney eruitziet alsof hij gevochten heeft. “Wil je een lift?” Het lijdend voorwerp stapt tandenknarsend in en neemt plaats naast een nerdy meisje met belachelijk grote brillenglazen – de enige stoel die nog niet bezet was, duh. Tegelijkertijd hoort u het legendarische Oh Yeah van Yello; een tune die elke filmfan zal heugen.

Niemand die Ferris níét te slim af is. Om te beginnen dus Rooney, die onraad ruikt en zich meer en meer ontpopt tot een soort bloedhond. Hij is uit op de ontmaskering (zeg maar gerust de totale destructie) van het ettertje Ferris, die al voor de negende keer spijbelt en echt aan alles heeft gedacht om niet door de mand te vallen. Dat beseft Rooney ook en aangezien hij vanuit zijn kantoor niet veel verder komt, besluit hij de zieke Ferris thuis op te zoeken. Met verstrekkende consequenties – over bloedhond gesproken.

Ferris’ maatje Cameron dan. Alan Ruck was al 29 toen hij in Ferris Bueller’s Day Off een aan ziektevrees lijdende knul speelde. Ruck speelt de sterren van de hemel. Waar de andere personages nogal ‘plat’ zijn, ondergaat grauwe bonenstaak Cameron een ware transformatie. Zijn depressiviteit hangt, zo leren we gaandeweg, samen met zijn vader die hem klein en doodsbang houdt. Weliswaar komt pap niet één keer in beeld, maar via Cameron komt hij toch ‘tot leven’. Uiteindelijk rekent hij (weergaloze scène) af met zijn angsten, en wel via de personificatie van zijn vader: een bloedrode Ferrari 250 GT California uit 1961. Oh yeah.

Om de vraag uit alinea twee te beantwoorden: nee, Ferris kan fluiten naar het begrip van zijn zus. Jennifer ‘Baby’ Grey (Dirty Dancing, 1987) is ook al een genot om naar te kijken. Jeanie kan haar broer wel schieten. Meneer komt met alles weg, terwijl zij overal bot vangt. Extra zout in de wond is dat de hele school intens meeleeft met haar uiterst populaire broer. Een collecte, bloemstukken aan huis en zelfs een luchtballon met de tekst ‘Save Ferris’ erop doen Jeanie groen aanlopen van nijd. Totdat ze op het politiebureau belandt en een onverwachte ontmoeting aldaar de angel uit haar gif wegneemt. Such a twist!

Intelligent script, kostelijke typetjes, uitstekende montage en klassieke oorstrelers als het Twist & Shout van The Beatles: de feelgoodmovie Ferris Bueller’s Day Off is ruim anderhalf uur genieten geblazen. Een film over het stoute kind dat (lekker puh!) victorie kraait. In 2012 deden geruchten de ronde dat er een sequel in de maak zou zijn, maar goddank is het nooit zover gekomen. Sommige films zijn niet te evenaren. John Hughes’ iconische tienerkomedie is zo’n film, daar moet je geen vervolg op wíllen maken. John Hughes. God hebbe zijn stoute kinderziel.

Regie: Christophe Barratier | Duur: 97 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Wordt Clément toch nog vader in Les Choristes! Adoptievader van een dolgelukkige Pépinot. Christophe Barratier breit zo een warm slotakkoord aan deze feelgoodfilm, een bewerking van La cage aux rossignols uit 1945 van Jean Dréville. Les Choristes, goed voor twee Oscarnominaties, speelt zich net na de oorlog af en is een lofzang op de saamhorigheid.

15 januari 1949. De pretentieloze muziekdocent Clément Mathieu (Gérard Jugnot) begint op het heropvoedingsinternaat Fond de l’Étang aan een pittige uitdaging. Als surveillant krijgt hij de verantwoordelijkheid voor een groep jongens met een hoog ‘stuiterbalgehalte’. Daarbij zit directeur Rachin (François Berléand) hem voortdurend op de huid.

De docent in wie de knul springlevend is: beiden dragen de naam Clément Mathieu. In het begin van de film doet hij iets wat zijn klas niet verwacht. Hij spaart in aanwezigheid van Rachin kwajongen Le Guerrec. Verbazing bij Le Guerrec en zijn klasgenoten. Wat doet-ie nou? Ook die andere delinquent (Morhange) pikt Mathieu er direct uit. Mathieu stelt hem aan als zijn tijdelijke vervanger omdat hij op de gang een woordje wil wisselen met Le Guerrec. Maar in plaats van de bengel tot Rachin te veroordelen, verzint Mathieu een betere straf. Terug in de klas steekt hij de draak met Morhange. Voilà, de essentie van vier jaar lerarenopleiding in een paar schitterende filmminuten.

De leerlingen voor je winnen is wezenlijk, ze (zelf)vertrouwen geven een noodzakelijk vervolg. Op een avond betrapt Mathieu knaap Corbin & co met een mondharmonica, ter begeleiding van een poging tot zingen. Weer toont Mathieu zijn vakmanschap. Hij schuift zijn ego opzij (hij slikt de spottende tekst aan zijn adres) en nodigt Corbin uit om zijn ‘zangkunst’ – een schorre lama zingt nog zuiverder – ten gehore te brengen. Zo wordt het jongenskoor van Fond de l’Étang geboren.

Met Mathieu breken er dus betere tijden aan in het geïsoleerde tuchtoord. Het repressieve bewind van driftkikker Rachin, die zweert bij de slogan ‘actie-reactie’, ondervindt in ieder geval wat tegenwind. Humaniteit en educatie brengen verzachting. De trendbreuk doet de kids ontdooien en ook Mathieu’s collega’s Chabert (Kad Merad) en Langlois (sympathieke freak, fijn bijrolletje) werpen de schroom van zich af. En scharen zich meer en meer achter de kale messias. Ja, zelfs de mens Rachin lijkt voorzichtig uit zijn graf op te staan!

Les Choristes is een muzikaal juweeltje dat in Frankrijk hartstochtelijk werd omarmd. Die stevige knuffel is terecht. Ik beperk me tot het noemen van een drietal acteurs. Als eerste François Berléand. Razend knap hoe hij de hufter vertolkt, wat een kloterol. Als tweede Morhange junior (Jean-Baptiste Maunier). Lange tijd zet het met een uitzonderlijk mooie zangstem uitgeruste engelengezichtje zijn stekels op tegen vooral Mathieu. Lukt het Mathieu om hem te temmen? Ten slotte het dropje van de film: de piepjonge Pépinot (Maxence Perrin). De kleinste assistent-koordirigent ter wereld. De man ook die vijftig jaar na Fond de l’Étang Pierre Morhange verrast met het dagboek van zijn surrogaatpapa.

 Regie: John Wells | Duur: 121 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Verhitte familietoestanden in August: Osage County, een komisch drama naar het gelijknamige toneelstuk van Tracy Letts, die er in 2008 de Pulitzerprijs voor kreeg. Zowel Meryl Streep (Oscarnominatie voor Beste Actrice) als Julia Roberts (Beste Vrouwelijke Bijrol) zijn verpletterend goed, maar grepen naast het begeerde beeldje. Goed, dat kan natuurlijk. Maar een schrale 5.8 als metascore op IMDb? Nou ja zeg! Even wat rechtzetten.

Verdrietige omstandigheden dwingen de familie Weston tot een samenkomst in het huis van Violet Weston (Streep), in het snikhete Osage County (Oklahoma). Elk familielid neemt daarbij zijn of haar eigen emotionele bagage mee, waardoor bij het minste of geringste de vlam in de pan slaat. Gebekvecht en pijnlijke onthullingen zijn hierdoor aan de orde van de dag.

August: Osage County begint poëtisch, met fraaie shots van de Amerikaanse prairie en de gevoelige begintonen van Hinnom, TX, van de Amerikaanse indiefolkband Bon Iver. “Het leven is heel lang”, haalt Violets man Beverly schrijver T.S. Eliot aan, ter introductie van zijn misère. Die misère valt te begrijpen wanneer even later Violet het landelijke sfeertje bruusk de nek omdraait.

Streep speelt weergaloos in August: Osage County. Ze staat aan het hoofd van een rariteitenkabinet waarbij uw familie in het niet valt. Met Violet zet ze een kreng neer dat manipuleert, daarbij gewiekst gebruik makend van haar slachtofferrol. Immers, haar mond staat in de fik door de kanker, ze is verslaafd aan de pillen en haar Beverly is met de noorderzon vertrokken. Haar hersenen zijn behoorlijk aangevreten door al die medicatie, maar de kanker heeft haar tong kennelijk gespaard: aan de lopende band deelt ze sneren uit.

Ook Barbara (Roberts) is een enorme bitch. Ze is de enige van Violets drie dochters die haar moeder stevig van repliek dient, durft te dienen. Ze is net zo verzuurd als Violet (de vrouwen lijken op elkaar en botsen dus keihard), onder meer doordat ze in scheiding ligt met Bill (Ewan McGregor). Herinnert u zich haar lieve meisjestrekken in de zwijmelfilm Notting Hill uit 1999? Dat was leuk en aardig, maar wat ze nu laat zien is van absolute wereldklasse.

De rest van de cast doet nauwelijks onder voor Streep en Roberts. Zo is Margo Martindale geweldig als ‘fat-ass’ Mattie Fae (Violets zus). Haar man Charlie (Chris Cooper) is auteur van een schots en scheef, ronduit hilarisch dankwoord tijdens een ‘gezellig’ familiediner; de beste scène in de film. En ten slotte moeten ook Benedict Cumberbatch (als ‘Little Charles’) en Julianne Nicholson (als Ivy) genoemd worden: de twee sneeuwklokjes in het oorlogslandschap.

Bezielend spel, is dat niet meer sexy genoeg tegenwoordig? Staren we ons niet te veel blind op eindeloos geknok, de ene na de andere ontploffing en op ik weet niet hoeveel visuals? August: Osage County is cinema van de oude stempel wellicht, maar biedt spetterend entertainment, twee uur lang. Kan ik van veel superheldenfilms helaas niet zeggen. 5.8? 8.5 komt meer in de buurt.