Regie: James L. Brooks | Duur: 139 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Op ieder potje past een dekseltje, maar in As Good as It Gets is het wrikken geblazen. Van alle romances op het witte doek is die tussen Melvin en Carol een van de meest ongewone. Het spettert en bruist, maar niet doordat het allemaal zo romantisch is. ‘Can’t live with or without you’, dat werk dus. Zowel Jack Nicholson als Helen Hunt ontvingen een Oscar voor hun spel in deze feelgoodklassieker die doping is voor de lachspieren.

In As Good as It Gets maken we kennis met Melvin Udall (Nicholson). Melvin is een succesvol schrijver, maar ook een misantroop in hart en nieren. Bovendien lijdt hij aan diverse dwangneuroses, waaronder smetvrees. Lichtpuntje in zijn leven (behalve de pen dan) is Carol Connelly (Hunt). Ze werkt als serveerster in het restaurant waar Melvin een abonnement op heeft.

Eh, niet zo romantisch allemaal? Noem een compliment als “You make me want to be a better man” maar niks! De auteur ervan is Melvin, de ontvanger Carol. Terwijl zijn verbale liefkozing haar doet smelten, voegt het prikkelende heerschap nog even toe dat hij wellicht wat overdrijft. As Good as It Gets zit vol met dit soort humor. Grillig, onconventioneel. Melvin grossiert in sarcastische opmerkingen. Sommige zijn op het randje, de meeste (de leukste!) zijn over het randje. Zo vraagt een receptioniste (een barbiepop met het IQ van een wasknijper – zo wordt de blondine althans neergezet): “How do you write women so well?” Melvin: “I think of a man, and I take away reason and accountability.” Au.

Tact komt dus niet voor in het lexicon van Melvin, de gepantserde man met een tong als een rasp. Alles wat leeft mijdt hem dan ook als de pest. De homofiele kunstenaar Simon (Greg Kinnear) doet dat ook, maar stuit daarbij op een praktisch probleem: hij en Melvin zijn buren. Op een dag wordt Simon zwaar afgetuigd door inbrekers en belandt hij in het ziekenhuis. Maar wie bekommert zich dan om zijn hondje Verdell? Melvin Udall dus. Als dat maar goed gaat.

Ja, wonder boven wonder pakt dat goed uit. Wat heet: Melvins oog voor Verdell slaat zelfs scheurtjes in zijn pantser. Zou hij dan toch menselijke trekjes hebben? Of bloody course! Ook “Carol the waitress” bespeurt die voorzichtige verandering. Het leven van de alleenstaande moeder loopt niet over van de ‘confettimomenten’. Werken werken werken en thuis heeft ze de zorg voor haar zwaar astmatische zoontje Spencer. Maar rara, wie schiet haar te hulp? Inderdaad, de vuile smiecht ontpopt zich meer en meer tot een soort messias.

Verdell ontdooit Melvin, Melvin redt Carol. Maar wie schiet “Simon the fag” eigenlijk te hulp? Regisseur en scriptschrijver James L. Brooks, die As Good as It Gets situeert in zijn geboortestad New York, stuurt het drietal hiertoe naar het zuidelijker gelegen Baltimore. Een bescheiden roadtripje tijdens welke Simon, óók een drenkeling van de stroom des levens, plots het licht weer ziet. Meewerkend voorwerp in dit geval? Carol. Waarmee de cirkel rond is. Of nee, toch nog niet helemaal. Want wie geeft Melvin het beslissende zetje in de richting van Carol?

Beter dan As Good as It Gets wordt het niet. Fijn plot en héérlijk acteerwerk. Tuurlijk, de film barst van de stereotyperingen. In het huidige tijdperk, dat zwanger ziet van de deugterreur, is het bijna ondenkbaar om daar nog om te mogen lachen, maar daarom is deze filmische blik over de schouder juist zo leuk. Heel erg leuk. Behalve om Hunt en Nicholson (formidabele optredens) lach je je ook suf om Kinnear en Cuba Gooding Jr. Die laatste speelt Frank Sachs, Simons zaakwaarnemer die verbaal de strijd aanbindt met de ongeëvenaarde Krijger van het Woord: Melvin Udall.

 

Regie: John Hughes | Duur: 103 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Lang vervlogen tijden herleven bij het zien van een tekst als ‘binnenkort verkrijgbaar op videocassette’. Het staat gedrukt op oude posters van Ferris Bueller’s Day Off, uit 1986. Een zalige prent van de man die als geen ander in het tienerbrein kruipt: wijlen regisseur John Hughes (1950-2009), die in 1985 ook al scoorde met The Breakfast Club. De parallel tussen die film en Ferris Bueller’s Day Off, een enorme bioscoophit, is dat het gezag flink in het ootje wordt genomen.

Ferris Bueller (Matthew Broderick) heeft vandaag geen zin in school. Hij leidt zijn goedgelovige ouders om de tuin en knijpt er vervolgens lekker tussenuit met zijn liefje Sloane (Mia Sara) en zijn beste vriend Cameron (Alan Ruck). Terwijl het drietal in Chicago de bloemetjes buitenzet, gaat schooldecaan Edward Rooney (Jeffrey Jones) op onderzoek uit. Kan Ferris misschien rekenen op het begrip van zijn oudere zus Jeanie (Jennifer Grey)?

Laat ik beginnen met de schlemiel in Ferris Bueller’s Day Off: Edward Rooney, voor altijd vereeuwigd dankzij de slotact. Daarin zien we hem strompelen door een keurige woonwijk. Zijn broek is even gehavend als zijn humeur. Een schoolbus komt voorbij en de chauffeuse merkt fijntjes op dat Rooney eruitziet alsof hij gevochten heeft. “Wil je een lift?” Het lijdend voorwerp stapt tandenknarsend in en neemt plaats naast een nerdy meisje met belachelijk grote brillenglazen – de enige stoel die nog niet bezet was, duh. Tegelijkertijd hoort u het legendarische Oh Yeah van Yello; een tune die elke filmfan zal heugen.

Niemand die Ferris níét te slim af is. Om te beginnen dus Rooney, die onraad ruikt en zich meer en meer ontpopt tot een soort bloedhond. Hij is uit op de ontmaskering (zeg maar gerust de totale destructie) van het ettertje Ferris, die al voor de negende keer spijbelt en echt aan alles heeft gedacht om niet door de mand te vallen. Dat beseft Rooney ook en aangezien hij vanuit zijn kantoor niet veel verder komt, besluit hij de zieke Ferris thuis op te zoeken. Met verstrekkende consequenties – over bloedhond gesproken.

Ferris’ maatje Cameron dan. Alan Ruck was al 29 toen hij in Ferris Bueller’s Day Off een aan ziektevrees lijdende knul speelde. Ruck speelt de sterren van de hemel. Waar de andere personages nogal ‘plat’ zijn, ondergaat grauwe bonenstaak Cameron een ware transformatie. Zijn depressiviteit hangt, zo leren we gaandeweg, samen met zijn vader die hem klein en doodsbang houdt. Weliswaar komt pap niet één keer in beeld, maar via Cameron komt hij toch ‘tot leven’. Uiteindelijk rekent hij (weergaloze scène) af met zijn angsten, en wel via de personificatie van zijn vader: een bloedrode Ferrari 250 GT California uit 1961. Oh yeah.

Om de vraag uit alinea twee te beantwoorden: nee, Ferris kan fluiten naar het begrip van zijn zus. Jennifer ‘Baby’ Grey (Dirty Dancing, 1987) is ook al een genot om naar te kijken. Jeanie kan haar broer wel schieten. Meneer komt met alles weg, terwijl zij overal bot vangt. Extra zout in de wond is dat de hele school intens meeleeft met haar uiterst populaire broer. Een collecte, bloemstukken aan huis en zelfs een luchtballon met de tekst ‘Save Ferris’ erop doen Jeanie groen aanlopen van nijd. Totdat ze op het politiebureau belandt en een onverwachte ontmoeting aldaar de angel uit haar gif wegneemt. Such a twist!

Intelligent script, kostelijke typetjes, uitstekende montage en klassieke oorstrelers als het Twist & Shout van The Beatles: de feelgoodmovie Ferris Bueller’s Day Off is ruim anderhalf uur genieten geblazen. Een film over het stoute kind dat (lekker puh!) victorie kraait. In 2012 deden geruchten de ronde dat er een sequel in de maak zou zijn, maar goddank is het nooit zover gekomen. Sommige films zijn niet te evenaren. John Hughes’ iconische tienerkomedie is zo’n film, daar moet je geen vervolg op wíllen maken. John Hughes. God hebbe zijn stoute kinderziel.

 Regie: John Wells | Duur: 121 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Verhitte familietoestanden in August: Osage County, een komisch drama naar het gelijknamige toneelstuk van Tracy Letts, die er in 2008 de Pulitzerprijs voor kreeg. Zowel Meryl Streep (Oscarnominatie voor Beste Actrice) als Julia Roberts (Beste Vrouwelijke Bijrol) zijn verpletterend goed, maar grepen naast het begeerde beeldje. Goed, dat kan natuurlijk. Maar een schrale 5.8 als metascore op IMDb? Nou ja zeg! Even wat rechtzetten.

Verdrietige omstandigheden dwingen de familie Weston tot een samenkomst in het huis van Violet Weston (Streep), in het snikhete Osage County (Oklahoma). Elk familielid neemt daarbij zijn of haar eigen emotionele bagage mee, waardoor bij het minste of geringste de vlam in de pan slaat. Gebekvecht en pijnlijke onthullingen zijn hierdoor aan de orde van de dag.

August: Osage County begint poëtisch, met fraaie shots van de Amerikaanse prairie en de gevoelige begintonen van Hinnom, TX, van de Amerikaanse indiefolkband Bon Iver. “Het leven is heel lang”, haalt Violets man Beverly schrijver T.S. Eliot aan, ter introductie van zijn misère. Die misère valt te begrijpen wanneer even later Violet het landelijke sfeertje bruusk de nek omdraait.

Streep speelt weergaloos in August: Osage County. Ze staat aan het hoofd van een rariteitenkabinet waarbij uw familie in het niet valt. Met Violet zet ze een kreng neer dat manipuleert, daarbij gewiekst gebruik makend van haar slachtofferrol. Immers, haar mond staat in de fik door de kanker, ze is verslaafd aan de pillen en haar Beverly is met de noorderzon vertrokken. Haar hersenen zijn behoorlijk aangevreten door al die medicatie, maar de kanker heeft haar tong kennelijk gespaard: aan de lopende band deelt ze sneren uit.

Ook Barbara (Roberts) is een enorme bitch. Ze is de enige van Violets drie dochters die haar moeder stevig van repliek dient, durft te dienen. Ze is net zo verzuurd als Violet (de vrouwen lijken op elkaar en botsen dus keihard), onder meer doordat ze in scheiding ligt met Bill (Ewan McGregor). Herinnert u zich haar lieve meisjestrekken in de zwijmelfilm Notting Hill uit 1999? Dat was leuk en aardig, maar wat ze nu laat zien is van absolute wereldklasse.

De rest van de cast doet nauwelijks onder voor Streep en Roberts. Zo is Margo Martindale geweldig als ‘fat-ass’ Mattie Fae (Violets zus). Haar man Charlie (Chris Cooper) is auteur van een schots en scheef, ronduit hilarisch dankwoord tijdens een ‘gezellig’ familiediner; de beste scène in de film. En ten slotte moeten ook Benedict Cumberbatch (als ‘Little Charles’) en Julianne Nicholson (als Ivy) genoemd worden: de twee sneeuwklokjes in het oorlogslandschap.

Bezielend spel, is dat niet meer sexy genoeg tegenwoordig? Staren we ons niet te veel blind op eindeloos geknok, de ene na de andere ontploffing en op ik weet niet hoeveel visuals? August: Osage County is cinema van de oude stempel wellicht, maar biedt spetterend entertainment, twee uur lang. Kan ik van veel superheldenfilms helaas niet zeggen. 5.8? 8.5 komt meer in de buurt.

 

 

 Regie: David Lowery | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Het maakt niet zoveel uit of hij de goeierik of slechterik speelt. Dat zal ongetwijfeld door zijn charme komen; die prikt immers door elke laag heen. Ik heb het over Robert Redford, met wie ik kennismaakte in Out of Africa (1985), de film die mijn destijds nog grasgroene innerlijk in lichterlaaie zette. Met The Old Man & the Gun sluit de 82-jarige acteur zijn indrukwekkende acteercarrière af. Een gedenkwaardig afscheid is het echter niet.

In The Old Man & the Gun vertolkt Redford Forrest Tucker, een bankovervaller die de pensioengerechtigde leeftijd al lang en breed is gepasseerd, maar de kneepjes van het vak nog niet is verleerd. Als hij in Jewel (Sissy Spacek) de vrouw van zijn dromen ontmoet, lijkt zijn leven compleet. Maar dat is buiten de jonge detective John Hunt (Casey Affleck) gerekend, die een klopjacht begint op Forrest en zijn handlangers.

Het snorrentijdperk, begin jaren 80 van de vorige eeuw. Forrest leidt een driekoppige roversbende. Alhoewel: van roversbende kun je amper spreken. Het kopstuk krijgt assistentie van leeftijdsgenoten Waller (Tom Waits) en Teddy (Danny Glover), maar om nu te zeggen dat de bejaardenbrigade echt tot de verbeelding spreekt, nou nee. Het verhaal is daarbij erg gericht op Forrest. Hij berooft solo (Waller en Teddy zijn feitelijk twee overbodige personages) en doet dat steevast met een vriendelijke glimlach op het gezicht. Het pistool dat hij steeds vluchtig tevoorschijn tovert, heeft vooral een symbolische betekenis.

Heel even dreigt de film leuk te worden, wanneer Redford en Affleck voor het eerst oog in oog staan met elkaar. Er volgt een aardige dialoog tussen de mannen (een van de weinige in de film), maar daar blijft het vervolgens bij. Want Hunt, op wie het leven zwaar drukt, gaat al snel door de knieën voor Forrest – hoe voorspelbaar. En ook Spacek geeft Redford nauwelijks tegengas. Beiden verdrinken van meet af aan in elkaars ogen. Twee oudjes die er lekker op los flirten; dat is nog het leukste aan The Old Man & the Gun.

Dat de kijker het nimmer moge vergeten: Robert Redford is een gentleman in optima forma. Maar The Old Man & the Gun, een misdaadkomedie die overigens op ware feiten is gebaseerd, kun je met de beste wil van de wereld geen eerbetoon aan de acteerlegende noemen. Suf plot, loom acteerwerk, loungemuziekje als soundtrack: de film heeft de amusementswaarde van een potje zomeravondvoetbal.

 

 Regie: David Kerr | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Ooit had ‘rubber face’ Rowan Atkinson (1955) de lachers nadrukkelijk op zijn hand, in de rol van antiheld Mr. Bean. Had hij zich maar tot dat succes beperkt. Het is jammer dat de Britse acteur zich heeft laten strikken voor de bleke parodies Johnny English (2003), Johnny English Reborn (2011) en Johnny English Strikes Again. Voor alle drie geldt dat protagonist Johnny English de mislukte afgeleide is van Mr. Bean, waardoor er niet veel te lachen valt.

In Groot-Brittannië breekt de pleuris uit wanneer na een cyberaanval de personalia van alle geheim agenten op straat komen te liggen. Ex-spion Johnny English wordt hierop ingeschakeld om het brein achter deze snode daad te ontmaskeren.

Waarom zit er acht jaar tussen Johnny English en Johnny English Reborn? En duurt het zeven jaar eer we met Johnny English Strikes Again de beroepskluns opnieuw aan het werk zien? Niet omdat de tijd ertussen aan grondig denkwerk is besteed. Een parapluutje aan de neus getuigt daar in ieder geval niet van. En werkt mij bovendien niet op de lachspieren. Niet meer. Evenmin grappig: een English die op de dansvloer uit zijn dak gaat. Nog flauwer is de actie waarmee hij een peloton Franse wielrenners een halt toeroept. Qua humor richt de film zich duidelijk op kleuters; volwassenen zullen zich al snel vervelen.

Uiteraard weerspiegelt ook Johnny English Strikes Again de wereld anno nu en botsen moderne snufjes met het tijdperk-Desmond Llewelyn (‘Q’ in de James Bond-films). Twee werelden die co-existeren; het is eigenlijk het enige geslaagde plotlijntje in de film. Zo moet English enerzijds geloven aan virtual reality, maar verkiest hij anderzijds een vuurrode Aston Martin boven een hybride auto. Aardig is verder dat hij de met een iPad uitgeruste babyface-schurk zelfs in een middeleeuws harnas te slim af is. Die gekke Britten toch. Traditie voor alles.

Daarmee is de koek wel op. Johnny English Strikes Again is een magere komedie die ook niet leuker wordt door de aanwezigheid van de gelouterde Emma Thompson en de oogverblindende Olga Kurylenko. In Thompson zien we de hysterische variant van ‘Prime Minister’ Theresa May, Kurylenko speelt de femme fatale. Overtuigend is het allemaal niet. Hopelijk zet men een dikke punt achter deze franchise. Zo niet, think again.

 Regie: John Hughes | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Ten tijde van The Breakfast Club zat de jeugd nog niet append op de fiets. Werd men nog niet volledig in beslag genomen door allerlei gadgets. The Breakfast Club is een komisch drama uit de jaren 80, toen de videorecorder de huiskamers veroverde en de Schotse popgroep Simple Minds haar hoogtijdagen vierde. Een ‘prehistorische’ film, maar met een thematiek van alle tijden.

Shermer High School, 24 maart 1984. Vijf leerlingen die elkaar niet kennen moeten voor straf een zaterdag doorbrengen in de bibliotheek van hun school. Van rector Richard Vernon (Paul Gleason) krijgen ze de opdracht zich schriftelijk en in doodse stilte te buigen over de kwestie ‘wie ben ik’. Een taak die het bonte gezelschap op geheel eigen wijze invult.

U voelt ‘m vast aankomen: van dat opstel komt weinig terecht. Toch schrijft het vijftal geschiedenis. Van enige groepscohesie is aanvankelijk geen sprake, maar onder leiding van de rebelse John (Judd Nelson) komen de vijf compleet verschillende persoonlijkheden langzaam tot elkaar. Waarbij ze onbedoeld geholpen worden door de gefrustreerde Vernon, in wie het kind morsdood is en die als gemeenschappelijke vijand voor de pubers fungeert.

Voortreffelijk acteerwerk maakt The Breakfast Club tot een zeer geslaagde tienerfilm. Ik noemde hem al: Judd Nelson als John Bender. Gangster, stoere bink, anarchist. Maar ook gevoelig. En schrander, wat blijkt uit de volzinnen die hij formuleert. Geniaal hoe hij zijn lotgenoten bespeelt, hen uit de tent lokt of tegen elkaar opzet. Ook zoekt hij voortdurend de confrontatie met Vernon. Daarmee oogst hij de stille bewondering van het keurige rijkeluismeisje Claire, erg goed gespeeld door Molly Ringwald. De interactie tussen de twee uitersten is om te zoenen.

Ook de drie andere antihelden kunnen er wat van: Emilio Estevez als het worsteltalent Andrew (‘Sporto’), Anthony Michael Hall als brave borst Brian en Ally Sheedy als de uit een gothicstrip weggelopen Allison. Wat een figuur, die Allison. Lange tijd zondert ze zich volledig af van de rest, maakt ze alleen maar piepgeluidjes of trekt ze rare bekken. Praten doet ze niet. Bijzonder grappig is de manier waarop mevrouw haar lunch prepareert.

Een saaie strafopdracht die uitloopt op een onvergetelijke ervaring: vijf jeugdige dissidenten onderwijzen zichzelf én elkaar in het met een vleugje romantiek overgoten The Breakfast Club, een pareltje waarvoor regisseur John Hughes in slechts twee dagen het script schreef, en dat met een formidabel kringgesprek eindigt. Vrienden voor het leven, zou ik zeggen. En ga jij lekker wieberen, Vernon!

 Regie: Wes Anderson | Duur: 101 minuten | Taal: Engels & Japans | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Wes Anderson is de naam. Schilder onder de cineasten. Zijn films zijn feeëriek, ongrijpbaar, vaak ook een tikkeltje rauw. En vooral wonderbaarlijk fraai gestileerd. Denk aan Fantastic Mr. Fox (2009), Moonrise Kingdom (2012) of het knotsgekke The Grand Budapest Hotel (2014). Met zijn nieuwste creatie overtreft hij zichzelf nog maar eens: de stopmotionanimatiefilm Isle of Dogs doet je beslist als een ‘WAF’ (Wes Anderson-Fan) huiswaarts keren.

Isle of Dogs speelt zich af in het dystopische Megasaki, een stad in Japan. Na het uitroepen van de noodtoestand verbant de corrupte burgemeester Kobayashi alle honden in de stad naar een vuilnisstort, Trash Island genaamd. Ook Spots, de waakhond van Kobayashi’s 12-jarige pleegkind Atari, ontkomt niet aan het decreet. Maar Atari laat zich niet kennen en reist in een propellervliegtuigje af naar de troosteloze dumpplek. Geholpen door vijf honden begint hij vervolgens aan de zoektocht naar zijn trouwe viervoeter.

Anderson, tijdens de persconferentie op de Berlinale: “Ik wilde iets met hondjes op een vuilnisbelt en iets met Japan, vooral vanwege mijn liefde voor de films van Akira Kurosawa en de animatiefilms van Hayao Miyazaki.” Isle of Dogs is deels een hommage aan de twee meesters van de Japanse cinema. Het verhaal is simpel, maar van pure schoonheid; je ogen kunnen de beeldenpracht nauwelijks bijbenen. De stijl is Wes Anderson ten voeten uit. Eigenzinnige personages die op de bres springen voor rechtvaardigheid, veel gevoel voor symmetrie (frontale shots met het doelobject keurig in het midden van het beeld), houterige dialogen en een uitermate scherp oog voor detail. Wat dat laatste betreft: zelfs het ongedierte in de haren van de uitgemergelde honden is te zien, als je goed kijkt tenminste. Niets laat controlfreak Anderson aan het toeval over.

Bovendien heeft Isle of Dogs een sterstemmencast. U hoort onder anderen Edward Norton, Jeff Goldblum en Greta Gerwig. En Bill Murray natuurlijk, die in acht van Andersons negen films speelde. “We voelden ons echt jachthonden”, zegt Murray. “Het werd al gauw heel komisch. We keken elkaar aan met een blik van: hoe speel jij eigenlijk een hond? We probeerden elkaar voortdurend af te troeven in het niveau van hond.” Hoe uitstekend ze daarin zijn geslaagd, moet u echt gaan zien en horen in het beeldschone hondenleven dat Isle of Dogs is geworden.

 Regie: Greta Gerwig | Duur: 94 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Sinds Frances Ha (2012) kan Greta Gerwig mijns inziens niet meer stuk. De actrice (1983) is hierin geweldig als aspirant-danseres Frances die in New York vrolijk struikelt over het leven. In zekere zin kun je Gerwigs regiedebuut Lady Bird de prequel van Frances Ha noemen. In Lady Bird ambieert hoofdpersoon Christine namelijk dolgraag een bestaan à la Frances: groots, en bij voorkeur in een bruisende stad.

‘Lady Bird’, zo noemt de 17-jarige Christine McPherson (Saoirse Ronan) zichzelf. Het verhaal speelt zich af in 2002 in Sacramento (Californië), waar Gerwig geboren en getogen is. Dat is niet de enige parallel tussen de film en het leven van Gerwig. Zo is de moeder van Christine verpleegster, het beroep dat Gerwigs moeder (die trouwens Christine heet) ook lange tijd uitoefende. En net als Lady Bird zat Gerwig op een katholieke meisjesschool en droomde ze hardop van New York. Is Sacramento dan echt zo soul-killing als Christine stelt? Gerwig: “I wanted to make a love letter to Sacramento as seen through the eyes of someone who can’t appreciate how beautiful it is until she’s going away to someplace else.”

Christine McPherson, puber met groeipijnen – een verkapt pleonasme? In tegenstelling tot Gerwig (“I was not like Lady Bird”) is Christine excentriek. Ze verft haar haren en is een flapuit. Het meest tegen haar moeder Marion (Laurie Metcalf). In economisch barre tijden (vader McPherson wordt ontslagen) moet ze keihard werken om de eindjes aan elkaar te knopen. En dan ook nog een rebelse tiener aan je zijde! Heerlijk gebekvecht enerzijds, kwetsbare uitwisselingen anderzijds. Het kenmerkt de omgang tussen moeder en dochter die – prima casting – verdraaid veel op elkaar lijken. Maar hoe luid hun woordelijke strijd ook klinkt, voortdurend hoor je de liefde neuriën. Het is de balans tussen die twee waardoor Lady Bird zo charmeert.

Heb je Frances Ha gezien, dan zal Lady Bird aandoen als een prettig soort déjà-vu: Gerwigs regiestijl is vergelijkbaar met haar spel in Frances Ha. Dartel, oprecht. Uniek is de voor vijf Oscars genomineerde film echter niet; het acteerwerk is uitstekend, maar het plot ligt erg voor de hand. Een geslaagd, semi-autobiografisch portret van een bont beestje dat, eenmaal uitgevlogen, beseft dat thuis niet eens zo’n slecht nest was.

 Regie: Craig Gillespie | Duur: 120 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Voormalig kunstschaatsster Tonya Harding schreef geschiedenis toen ze in 1991 als eerste Amerikaanse vrouw een drievoudige axel uitvoerde. En ze straalde, geliefd als ze zich plotseling voelde. Maar drie jaar later hing de vlag er heel anders bij: na de Olympische Winterspelen in Lillehammer werd ze voor het leven geschorst. Het hoe en waarom van haar tragische val tekent regisseur Craig Gillespie op in het wervelende I, Tonya.

Tonya (Margot Robbie) is een natuurtalent en niets lijkt haar een glanscarrière in de weg te staan. Maar het meisje uit Oregon is bepaald niet van goede komaf; haar vulgaire outfits en gedrag zijn de keurige schaatswereld een doorn in het oog. Omringd door idioten, met goede en slechte bedoelingen, wordt ze meegezogen in een complot om haar grote rivale (de engelachtige Nancy Kerrigan) de voet dwars te zetten.

“Suck my dick!” bijt Tonya de jury toe in de film. “Had ik dat maar echt gezegd”, was volgens Robbie de reactie van Harding, die zeer onder de indruk was van I, Tonya. Als de voortekenen niet bedriegen, gaat de film met minstens één Oscar naar huis. Grote kans dat Robbie die wint, want de Australische actrice speelt grandioos. De kansarme Tonya dwingt een enorme compassie af. Ze is deels dader, maar vooral het slachtoffer van een verziekte jeugd. En later van haar entourage, een stel zeldzame klunzen bij elkaar. Continu moet ze zich hiertegen wapenen. Gescheld en fysiek geweld knallen dan ook van het doek.

Gaat de Oscar niet naar Robbie, dan toch zeker wel naar Allison Janney. Als Tonya’s moeder LaVona blaast de actrice je keihard omver. Mijn god, wat speelt zij monsterlijk goed! Alsof er puur vergif door haar aderen stroomt. Eens te meer besef je dat de appel niet ver van de boom valt. “You cursed me” is Tonya’s verwijt aan haar adres. Een helse erfenis, klevend als pek.

De klasse van I, Tonya beperkt zich niet tot het acteerwerk alleen. Het spitse script wisselt hartverscheurend drama af met dolkomische momenten. Meermaals richten de personages zich ook rechtstreeks tot de kijker (het doorbreken van de vierde wand), of beschouwen ze de gebeurtenissen in gereconstrueerde interviewfragmenten. Alle credits voor Tatiana S. Riegel, wier fantastische montage de lijm is tussen de diverse invalshoeken en vertelvormen.

Harding: “There’s no such thing as truth. That’s bullshit.” Daarom nagelt Gillespie ook niemand aan het kruis in de foutloze kür die zijn biopic is. De film is geworden zoals hij bedoeld is: niet een waarheidsgetrouw, maar een werkelijkheidsgetrouw portret van een rafelige fee op twee ijzers.

 Regie: Jelle de Jonge | Duur: 98 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: AL 

Camera

Ruim een maand geleden ging Weg van Jou in première en nog steeds trekt de romantische komedie volle zalen. “Meer bezoekers dan Harry Potter en James Bond”, zegt Sander Verdonk van bioscoop CineCity in Terneuzen. Ook in de rest van Nederland doet de film het uitstekend. Succes dat voor het leeuwendeel is te danken aan hoofdrolspeelster Katja Herbers.

Herbers speelt de ambitieuze Evi die helemaal klaar is voor een droombaan in het Braziliaanse Rio de Janeiro. Maar de sambagirl in spe eindigt als mosselmeid: niet het spetterende Rio maar het rustieke Terneuzen is haar nieuwe honk. Ze moet er de aanleg van een zeesluis in goede banen leiden, maar makkelijk gaat dat niet. Want voordat ze de strijd met het water kan aangaan, moet ze eerst de lokale bevolking overtuigen van het nut van de sluis. Bovendien komt ze zichzelf behoorlijk tegen in het Zeeuwse “rampengat”.

Weg van Jou is een beetje de Hollandse variant van Bienvenue chez les Ch’tis (2008), de Franse hitkomedie waarin Philippe, woon- en werkachtig in de Provence, wordt overgeplaatst naar het kille Lille. Herinnert u zich de scène waarin hij de regio Nord-Pas-de-Calais binnenrijdt? Direct na zijn entree komt het met bakken uit de lucht. Hetzelfde gebeurt Evi kort nadat ze het bord Terneuzen is gepasseerd. Toeval of toespeling?

En net als Philippe loopt Evi tegen een taalbarrière aan. Ze mummelen maar wat, die stugge Zeeuwen. Gek wordt ze ervan. Minstens zo hinderlijk is dat ze ook háár niet begrijpen. “Is er een dresscode?” vraagt ze. “Huh?” antwoordt Marloes (Margôt Ros), die best familie van Jomanda zou kunnen zijn. Schipper Stijn (Maarten Heijmans) is wel te verstaan, maar als woordvoerder van het actiecomité tegen de sluis is hij vooral een dwarsligger.

Bolussen, mosselen, boeren, schapen, klei: Weg van Jou stapelt de clichés over Zeeuws-Vlaanderen op, maar steekt er tegelijkertijd lekker de draak mee. Geregeld lig je dan ook dubbel, waarbij de fris acterende Herbers de grootste duit in het zakje doet. Haar prachtig bruine kijkers staan aan het roer van een puntgave expressie; vooral Evi’s verdwaasde blikken zijn bijzonder grappig. Fijn dat kalme zeebonk Stijn de hippe carrièretijger wegwijs maakt. Hoe dat afloopt? Grenzeloze liefde vind je niet zelden om de hoek.