Regie: Marc di Domenico & Charles Aznavour | Duur: 83 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: AL

Camera

Place du Tertre, in het 18e arrondissement van Parijs. In een knus brasserietje zit ik te genieten van een pain au chocolat (nergens zo lekker als in het beloofde land zelf) en un grand café noir. De radio staat aan, het geluid uit de plafondspeakers kraakt een beetje. Alsof je vers stokbrood breekt. Plots brengen ze een mannenstem ten gehore. Zuiver timbre, bekoorlijke melodie. Mes emmerdes heet het chanson. En zo maak ik in juni 1997 kennis met chansonnier Chahnour Varinag Aznavourian, beter bekend als Charles Aznavour (1924-2018).

Het fameuze kunstenaarsplein is ook de plek waar Aznavour met zijn eerste vrouw woonde: zangeres Micheline Rugel. Piepjong waren ze, maar het was ‘le coup de foudre’ (liefde op het eerste gezicht). In 1946 zouden ze elkaar het jawoord geven. In La Bohème bezingt Aznavour die tijd. Het is nostalgie van de bovenste plank: de melodie, de tekst, de korrelige beelden van het naoorlogse Montmartre. Alles ademt onschuld in Aznavour, le regard de Charles. Een tedere blik over de schouder.

Uniek aan de documentaire is dat het een zelfportret betreft; Aznavour is aan het woord. Dat wil zeggen: we horen zijn observaties en overpeinzingen. De voice-over is van acteur Romain Duris en hij doet dat op voortreffelijke wijze. Zijn warme, heldere stem lijkt namelijk erg op die van Aznavour. Toch klinkt Aznavours signatuur het meest door in de beelden, om de simpele reden dat hij die zelf heeft geschoten. Want van wie kreeg hij in 1948 een filmcamera? Van niemand minder dan Édith Piaf. De dame die hem ontdekte.

“Je suis un homme de la rue, de l’extérieur.” Aznavour het straatjochie. Nooit ging hij zonder Piafs camera op pad. Hij filmde om dichter bij de mensen te komen, om het leven te ‘vangen’. We zien beelden uit Centraal Afrika, van de sloppenwijken in La Paz (Bolivia). Hij vertelt de kijker dat hij zich verloren voelt wanneer hij Macao bezoekt, een mierenhoop in Azië. Maar in Tokio, op tournee met zijn derde vrouw (de ruim twintig jaar jongere Zweedse Ulla Thorsell), is hij juist als een vis in het water.

“Je pense donc je suis” zei René Descartes. Aznavour knipoogt naar Descartes door te stellen: “Je me filme donc j’existe.” Het vlot gemonteerde Aznavour, le regard de Charles belicht niet zozeer zijn grote successen, hoewel hij die uiteraard wel kende. Zo ging hij met Piaf op tournee door Frankrijk en Amerika, met een bomvol Carnegie Hall (New York) in 1966 als hoogtepunt. In Québec was het vervolgens een waar gekkenhuis: in veertig weken tijd verzorgde hij in diverse clubs honderden optredens. Erna zong de naam van ‘Monsieur le Prince’ alom rond.

Veertig uur aan historisch filmmateriaal, gecomprimeerd tot 80 minuten: Aznavour, le regard de Charles is een ontroerend filmdocument over een kind van Armeense immigranten. Talentvol en in de wieg gelegd voor het avontuur. En die al 40 jaar is wanneer hij voor het eerst voet zet op vaderlandse bodem. Hij ontmoet er zijn oma en deelt handtekeningen uit aan fans. Beelden die nog maar eens aantonen dat Aznavour altijd dat jochie met een open blik zou blijven. Hij wilde niet zozeer gezien worden, hij wilde vooral zelf zien: “ U zag mij, maar u weet wellicht niet dat ik u ook zag.”

Regie: Belgin Inal | Duur: 99 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: AL

Camera

Tijdens COVID-19 The System moet ik denken aan wat Mark Twain ooit zei: “How easy it is to make people believe a lie and how hard it is to undo that work again!” “Hoezo, denk jij dat het virus een leugen is?” vroeg iemand mij laatst in dit verband. Nee, ik ben geen virusontkenner. COVID-19 bestaat en sommige mensen worden er inderdaad erg ziek van. En ja, het kan dodelijk zijn. Maar het overgrote deel van de bevolking wordt gelukkig niet tot nauwelijks getroffen. Hamvraag is dus of de maatregelen om het virus “uit te roeien” wel proportioneel zijn. En gaat het de autoriteiten om louter de volksgezondheid of zijn er andere belangen in het spel?

Over die kwesties gaat de documentaire COVID-19 The System van Belgin Inal en Nico Sloot. Journaliste en filmmaakster Inal verdiende tussen 1992 en 2018 haar sporen bij de VPRO en is de creative director van het nieuwe documentairefestival DocsFair, waar alleen films vertoond worden die door de organisatoren zelf zijn gemaakt. Sloot is internationaal ondernemer en vader van drie kinderen. Van meet af aan beet hij zich vast in de coronacrisis. “Wat gebéúrt hier allemaal?” vraagt hij zich na de eerste persconferentie van Rutte af. Tussen maart en september 2020 besteedt hij zelf zo’n duizend uur aan research.

Gedegen werk, is mijn mening als onafhankelijk filmrecensent na het zien van COVID-19 The System. Maar hoe komt het dan dat de mainstreammedia (MSM) er niets van willen weten? Waarom weigert de NPO de documentaire te programmeren? Hoe kan het dat ik geen enkele recensie lees in de krant? Is het omdat de MSM in de ban zijn van het Pieter Klok-virus? Pieter Klok, hoofdredacteur van de Volkskrant, refererend aan de rol van de media ten aanzien van de door de politiek uitgestippelde koers: “Als de angst echt zo groot is, moeten we proberen om zoveel mogelijk met één mond te praten.” I beg your f*cking pardon?

Ten eerste: de MSM jagen de bevolking de stuipen op het lijf als het gaat om corona. Lawines aan fearporn, dag in dag uit. Dus die angst, meneer Klok, komt voor 99% op het conto van onder andere de Volkskrant. Waarom de mensen zo bang maken terwijl het gevaar zeer beperkt is? De Infection Fatality Rate van COVID-19 is 0,23% (beneden de 70 jaar zelfs 0,05%) en dit cijfer is dalende. 0,23 procent is vergelijkbaar met een stevige seizoensgriep. Ten tweede: is het niet de taak van de MSM om, juist in tijden van crisis, de overheid kritisch aan de tand te voelen? Waarom gedragen kranten als de uwe zich als schoothondjes van het establishment? De media behoren te doen wat je ook van ons parlement zou mogen verwachten, namelijk de macht controleren. Beide instrumenten zakken echter hopeloos door het ijs. Dus beste Pieter: wees met jouw Volkskrant de zeef, in plaats van een ordinair doorgeefluik.

Het journalistieke gepruts, en dan vooral de eenzijdigheid van de berichtgeving, is gênant. Des te gênanter als je, zoals Sloot, vaststelt dat een vooraanstaand instituut als het RIVM (het kompas van de politieke koers) ook nog eens halve waarheden en leugens verspreidt. Er zijn hiervoor legio aanwijzingen, maar COVID-19 The System komt niet met de echt harde bewijzen. Jammer. Waaruit blijkt dat er geklooid wordt met wetenschappelijke data? Of dat die verkeerd worden geïnterpreteerd? Ik mis een type Maurice de Hond in de film. Zijn berg aan data had de woorden van Evelien Peeters kunnen staven. De interniste zegt het beleid moreel niet meer te kunnen verdedigen. Peeters: “Ik vind dat we in één groot gedragsexperiment zitten.” Daar ben ik het mee eens, alleen al vanwege de mondkapjesplicht. Maar over die ridicule strafuitrusting, dat denigrerende ‘uithangbord’ van het staatsexperiment, wordt in de docu met geen woord gerept. En ook de PCR-test, die strenge verkeersagent op een eenrichtingsweg, komt helaas niet ter sprake.

Voor wie fungeren wij gewone burgers nou eigenlijk als proefkonijn? Ex-huisarts en epidemioloog Dick Bijl, auteur van Het pillenprobleem, doet een boekje open over de macht van de farmaceutische industrie. Over de hoge rendementen die zij behaalt op een breed scala aan producten. U weet wel, van die onuitspreekbare medicijnnamen. Het is een miljardenbranche met de (volks)gezondheid als verdienmodel. Dat is misdadig als je bedenkt dat er steeds meer aanwijzingen zijn dat juist medicijnen een rol spelen bij – I beg your f*cking pardon? – de dalende levensverwachting in de VS en de stagnerende levensverwachting in de Europese Unie. De politiek? Die ontbeert de expertise, waardoor Big Pharma geen strobreed in de weg wordt gelegd.

Sterker nog, feitelijk leest Big Pharma de politiek de les. Zegt de naam Feike Sijbesma u nog iets? De voormalig coronagezant (in september 2020 trad hij terug) en tevens oud-directeur van chemiereus DSM kreeg van minister Hugo De Jonge de opdracht om alle mogelijke aanbieders van vaccins in kaart te brengen. Eind juni vorig jaar kon men bij AstraZeneca dan de champagne ontkurken: De Jonge zette zijn krabbel onder een uiterst lucratief contract met de vaccinmaker. Met onder andere Duitsland werd ingetekend op de aankoop van een product dat – ook zoiets – nog niet eens was ontwikkeld. O ja, de president van AstraZeneca Duitsland? Ene Hans Sijbesma, de broer van. I beg your f*cking pardon? Ja, ik begrijp wel dat Feike Sijbesma niet in beeld wil in COVID-19 The System.

Het moge duidelijk zijn: het gaat om zoveel meer dan louter de volksgezondheid. Dat bevestigen ook econoom Ad Broere en hoogleraar strategisch leiderschap Bob de Wit. Zij zoomen in op het woord system in de titel van de film, op de wérkelijke crisis waar COVID-19 slechts een symptoom van is. Die crisis betreft ons financieel stelsel dat van oudsher berust op hebzucht. We worden gegijzeld door een relatief kleine, maar exorbitant rijke elite die een schuldeneconomie in stand houdt; een parasitair systeem waar Jan Modaal steeds heviger onder kreunt. We moeten ervan af, maar helpen cynisch genoeg (stockholmsyndroom!) de oppermachtige corporate states hun logge systeem te verankeren. De hierdoor groeiende kloof tussen rijk en arm, zo voorspelt De Wit, triggert logischerwijs een moderne heruitgave van de bestorming van de Bastille.

Het slotwoord in COVID-19 The System is aan Sloot. Zijn conclusie: we hebben te maken met een ‘syndemie’. Volgens Wikipedia een “verzameling van twee of meer gelijktijdige of opeenvolgende epidemieën of ziekteclusters in een populatie (…) die de (…) ziektelast verergeren.” Klinkt plausibel, gezien de gemiddelde leeftijd (82) van de coronadoden in Nederland. Dus de kwetsbaren goed beschermen? Jazeker! Maar rücksichtslos de rem op de samenleving zetten op advies van alleen virologen? Nee! Dat is beleid gebaseerd op een kokervisie, en daarmee onverantwoord. Gezondheid is toch veel meer dan álles doen om maar niet ziek te worden? Ben ik een dwarsdenker? Een complotgekkie? Nee, eerder een compleetdenker die niet meegaat in leugens. Want eenmaal aangebracht hebben die de vervelende eigenschap hardnekkig te kleven. Mark Twain zag dat juist.

Regie: Jeff Gibbs | Duur: 100 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Stront aan de knikker in het linkse kamp! Michael Moore (1954), luis in de pels van filmnatie Amerika, doet weer van zich spreken. Nu eens niet als regisseur, maar als producer van Planet of the Humans. Centraal in deze documentaire staat de vraag of de maatregelen tegen klimaatverandering wel zo groen zijn als algemeen wordt aangenomen. Plus: ligt de Amerikaanse milieulobby niet stiekem in bed met het grote geld?

“We’re gonna turn back into apes”, is de voorspelling van een dame op de vraag van regisseur Jeff Gibbs hoe lang de mensheid nog te gaan heeft op Moeder Aarde. Niet toevallig eindigt Planet of the Humans dan ook met beelden van een oerang-oetan. Treurig genoeg is die echter meer dood dan levend. Op de achtergrond een kaalgevreten landschap dat de signatuur van de mens draagt. Hoe heeft het toch zover kunnen komen?

Planet of the Humans gaat uit van de basisaanname dat de CO2-uitstoot van de mens een ramp gaat veroorzaken. Daar moeten we wat aan doen, vindt Gibbs, al sinds zijn jeugd een overtuigd activist. Het massaal aanboren (excusez le mot) van wind- en zonne-energie is al tientallen jaren het devies binnen de milieubeweging. Ook biomassa is hot. Maar daarmee zijn de problemen niet opgelost, moet Gibbs tot zijn eigen schrik constateren: de drie motoren van de energietransitie zijn namelijk verre van klimaatneutraal.

Zand is de basisgrondstof voor zonnepanelen, dacht ik altijd. Nee dus. Zand is niet zuiver genoeg. Ze worden gemaakt van hoogwaardige kwarts en kolen; de fabricage vereist onder andere de samensmelting van die twee bij extreem hoge temperaturen. Een energieslurpend proces waarbij ontzettend veel kooldioxide vrijkomt. Californië pronkt met Ivanpah, ’s werelds grootste zonnepark dat ironisch genoeg is aangesloten op het aardgasnetwerk. Omdat het energie nodig heeft om ‘s ochtends te kunnen opstarten. Bovendien trok de bouw van het megacomplex een zware wissel op de flora en fauna. Pech voor de Joshua-boom; de woestijn als offerzone voor de productie van ‘groene’ energie.

Windturbines zijn niet meer weg te denken uit het Nederlandse landschap en ook Amerika maakt er in rap tempo kennis mee. In de noordelijke staat Vermont worden complete bergtoppen vrijgemaakt (eufemisme) om ze te kunnen plaatsen. Ook in Michigan, praktisch in Gibbs’ achtertuin, schieten ze als paddestoelen uit de grond. Het zijn reuzen waarvoor onwaarschijnlijke hoeveelheden beton en staal nodig zijn. Bij de productie daarvan ontkom je simpelweg niet aan het gebruik van fossiele brandstoffen. Gibbs: “Is it possible for machines made by industrial civilization to save us from industrial civilization?”

De tweede helft van Planet of the Humans hakt er nog harder in. Daarin toont Gibbs de nefaste gevolgen van biomassa. Bomen rooien om windparken aan te leggen is al kwalijk zat. Maar ze op grote schaal verbranden om elektriciteit op te wekken of om er ethanol van te maken? Zeer luchtvervuilend en daarom een regelrechte schande. Een ware aanslag op het ecosysteem. Je schrikt je rot als Gibbs de kaart van de VS toont waarop het aantal biomassa- en biobrandstofcentrales staat afgebeeld. Absurd. Als de bliksem kappen met deze waanzin.

In het laatste halfuur van Planet of the Humans komt de aap pas echt uit de mouw. Het bedrijfsleven, specifiek het grootkapitaal, is al lang en breed op de groene trein gestapt. Het is inmiddels machinist en conducteur tegelijk op die trein. Een TGV. Talloze banken (waaronder Goldman Sachs) en miljardairs als Richard Branson (eigenaar van Virgin Atlantic) verdringen zich kwijlend om een graantje mee te pikken. Heel veel graantjes. Gibbs: “Capitalism (…), now hiding under a cover of green.”

Natuurlijk is de milieubeweging hiervan op de hoogte, maar haar aanhangers en kopstukken vertonen evasief gedrag. Of ze zwijgen simpelweg. Neem Bill McKibben, oprichter van 350.org, een organisatie die poogt mensen milieubewust te maken. Als hem op het einde van de documentaire gevraagd wordt wie zijn financiers zijn, perst hij er een even lachwekkend als gênant antwoord uit. Hoe erg kun je voor lul staan? Bill McKibben doet het u voor.

De stuntelige houding van McKibben is, helaas, in lijn met de manier waarop ‘links’ reageert op Planet of the Humans. Milieuactivisten over de hele wereld schieten in de ontkenning of trekken ten aanval. Ze zijn des duivels op Gibbs en Moore die met Planet of the Humans herrie schoppen in de eigen tuin. Zoiets doe je toch niet?! Maar in plaats van olie op het vuur te gooien door zo aangebrand te reageren, zou je beter aan wat meer zelfreflectie kunnen doen. Want Gibbs en Moore hebben wel degelijk een punt.

Spijtig genoeg geen woord over kernenergie in Planet of the Humans, waarin een somber mensbeeld wordt geschetst. Begrijpelijk, want we maken er een zooitje van. We gaan plunderend richting de ondergang. De enige échte oplossing? Een drastische mentaliteitsverandering. Economische groei niet langer als heilig beschouwen, voorgoed het onverzadigbare consumentisme aan banden leggen. Doen we dat niet, dan gaan we keihard die oerang-oetan achterna.

Full Movie (Engels): https://www.youtube.com/watch?v=MrOcBdnC3kw.

 Regie: Tamara Kotevska & Ljubomir Stefanov | Duur: 86 minuten | Taal: Turks, Macedonisch, Servo-Kroatisch | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Al zingend brengt Hatidze een rituele groet aan het bezige volkje waar het in Honeyland om draait. Ze heeft een huid van leer, draagt een bruinachtige jurk en een geel hemd. Waarmee ze praktisch dezelfde kleuren heeft als de gevleugelde beestjes die haar zo lief zijn. En die liefde is wederzijds. Honeyland, van Tamara Kotevska en Ljubomir Stefanov, was afgelopen jaar de absolute smaakmaker op filmfestivals over de hele wereld en sleepte liefst 30 prijzen in de wacht.

Het openingsshot is prachtig, in zekere zin illustratief voor het pad der afzondering dat Hatidze bewandelt in Honeyland. Met haar zieke moeder Nazife woont ze in een stenen huisje in het bergachtige Noord-Macedonië. Ze leeft van (en voor) de wilde bijen die ze met veel zorg en op traditionele wijze teelt. Hun honing verkoopt ze op marktjes op een paar uur loopafstand. Het is Hatidze’s enige bron van inkomsten, en die komt in het gedrang wanneer op zekere dag de luidruchtige familie Sam arriveert: vader, moeder en zeven kinderen. Plus een kudde koeien.

Honeyland is het verbluffende product van drie jaar lang filmen in de woestenij van Noord-Macedonië. Tamara Kotevska en Ljubomir Stefanov keerden terug met ruim 400 uur aan beeldmateriaal. Subliem camerawerk en de (meestentijds) natuurlijke belichting waarbij werd gefilmd, vormen het refrein van een stuk poëzie waarbij je je vingers aflikt. De twee heren verantwoordelijk voor de beeldenpracht in Honeyland zijn Fejmi Daut en Samir Ljuma, op het Sundance filmfestival onderscheiden met de ‘Cinemtography Award’.

Nectar voor de ziel, doch met een ietwat bittere afdronk. De makers van Honeyland mengen namelijk een waarschuwing door hun visuele godendrank. Ze doen dat bij monde van Hatidze zelf, die de essentie van de film verwoordt: “De ene helft voor mij, de andere helft voor jullie.” Een erecode die Hatidze consequent naleeft, uit respect voor haar bijen. Tevens uit dankbaarheid voor Moeder Natuur. De Sams daarentegen gedragen zich als een olifant in de porseleinkast, en lappen Hatidze’s regel van eerlijk zullen we alles delen opzichtig aan hun laars.

Je één voelen met wie je liefhebt. Dat is bijenvrouw Hatidze Muratova aan te zien. Ze is even zuiver als de honing die ze oogst. Ze leeft niet alleen ín de natuur, ze leeft mét de natuur. Honeyland is de schitterende verbeelding van een stokoud ambacht. En bovendien schudt de documentaire je wakker. Omdat hij herinnert aan een waarde die in onze oververhitte consumptiemaatschappij regelmatig wordt vergeten: samsam doen en tevreden zijn met genoeg.

 Regie: John Chester | Duur: 91 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar 

Camera

Willen we de CO2-emissie drastisch verminderen, dan moet de land- en tuinbouw ook een bijdrage leveren. Het moet boeren mogelijk gemaakt worden om kleinschaliger te opereren, te verduurzamen. Het zijn kreten uit het Klimaatakkoord waarvan de inkt nog niet eens droog is. Ook de biodiversiteit wordt hierin genoemd. Hoe ontzettend belangrijk dat laatste is, benadrukt de documentaire The Biggest Little Farm. Maar biodiversiteit realiseren is een varkentje dat je niet zomaar even wast.

Het is 2010. Cameraman John Chester en zijn vrouw Molly wonen in een klein appartement in Los Angeles. Al jaren droomt chef-kok en foodblogger Molly ervan om een boerderij te beginnen waar ze op ecologische wijze producten kan verbouwen. Met een beetje hulp van hun hond Todd wagen ze de sprong: even buiten Los Angeles schaffen ze een flinke lap grond aan. Vervolgens toveren ze het dorre land stap voor stap om tot een waar paradijsje.

“John and Molly had a farm, E-I-E-I-O!” Een vreemde eend in de bijt is hun boerderij wel, als je het tenminste afzet tegen de onvoorstelbare droefenis die gepaard gaat met de grootschalige monocultuur in Californië; een landschappelijke verschraling die je direct naar de Prozac doet grijpen. Dus graag meer van dat soort vreemde eenden! Maar dan niet alléén eenden, ook kippen, varkens, schapen. John en Molly leren snel in dat opzicht. Wat wil je ook, met een fantastische mentor als Alan York aan je zijde?

Zeven jaar. Zo lang hebben John, Molly en een team van devote helpers nodig om de “delicate dans van co-existentie” op poten te zetten. Een droom die, juist door tal van tegenslagen, aan realiteit wint. Recorddroogte, storm, natuurbranden. En diverse plagen. Wat doe je als duizenden spreeuwen je prachtige perziken verwoesten? Hoe bestrijd je een slakkeninvasie? En moet een ongrijpbare coyote dan toch maar afgeschoten worden omdat hij het op de kippen heeft gemunt? John: “Observatie gevolgd door creativiteit is onze belangrijkste bondgenoot geworden.”

Die creativiteit blijkt Moeder Natuur in ruime mate voorhanden te hebben. Van het hoopvolle The Biggest Little Farm word je vooral erg blij. De mooi gefilmde (veel close-ups) en vlot gemonteerde documentaire toont aan dat elk levend wezen welkom is én gedijt binnen de ‘circle of life’; een cirkel waar de rek nooit uit gaat. Wij mensen hoeven niet eens zoveel te doen, behalve dan de natuur de tijd en ruimte te laten om een eventuele disbalans zelf te herstellen. Wist u bijvoorbeeld dat kwik, kwek en kwak wel raad weten met al die slakken?

 

 Regie: Heinrich Dahms | Duur: 90 minuten | Taal: Japans | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Nee, Japan heeft niet het hoogste zelfmoordcijfer ter wereld. Ondanks dat de Japanse media dit regelmatig beweren en het buitenland dit klakkeloos overneemt. Ja, het cijfer ligt er wel hoog, waarbij dan weer opgemerkt moet worden dat Japan niet in de toptien staat. Het aantal zelfmoorden onder jongeren is er zelfs laag. My Soul Drifts Light Upon a Sea of Trees gaat over het gevecht van mensen met suïcidale neigingen.

Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Dat klinkt nogal cru in dit verband, maar de woorden van Ittetsu Nemoto raken wel degelijk aan die tegeltjeswijsheid. “We lachen niet omdat we gelukkig zijn, we zijn gelukkig omdat we lachen”, zegt de zenboeddhist in My Soul Drifts Light Upon a Sea of Trees. Maar de drie mensen (twee vrouwen en een man) die de documentaire portretteert is het lachen al lang en breed vergaan.

Nemoto verloor in zijn jeugd drie mensen door zelfmoord, waaronder zijn oom. Het sloeg een krater in zijn wezen en was de aanleiding om een onlinegroep te beginnen voor mensen met zelfmoordgedachten. Het bleek een succes; inmiddels begeleidt hij ‘Hen Die Willen Verdwijnen’ persoonlijk in zijn tempel. Onder hen een vader met een psychische stoornis die zijn kinderen niet meer mag zien. En van de twee vrouwen belandt de een door zware schulden in de seksindustrie, terwijl de ander richting haar dertigste steeds heftiger naar de dood verlangt, zonder echte verklaring.

De drie vertellen openhartig over de tragische gebeurtenissen, veelal een samenloop ervan, die hen deden afglijden. Deden, want Nemoto’s aanpak slaat aan. “Mensen die piekeren of afzien in het leven zijn het contact verloren met wie ze werkelijk zijn. Ze kunnen de weg niet terugvinden naar hun ware zelf, vanuit de sociale zelf die ze voor zichzelf hebben gecreëerd.” Het ego: een soort schijnpersoonlijkheid die in leven wordt geroepen (en helaas ook gehouden) door de kwebbelzieke mind. De crux wordt dus benoemd, maar graag had ik meer geleerd over termen als ‘ego’ en ‘ware zelf’.

Zang, dans en meditatie zijn onderdeel van de holistische werkwijze die Nemoto hanteert, en waarin saamhorigheid een grote rol speelt. Natuurlijk kan iedereen terecht in het ziekenhuis of bij een therapeut. Nemoto: “Maar in plaats daarvan kun je ook verbinding maken als gelijken, op hetzelfde niveau.” Dat kan tijdens een Zen-retraite. My Soul Drifts Light Upon a Sea of Trees verbeeldt niet alleen de menselijke veerkracht, maar is tevens een respectvol betoog om suïcidaal gedrag op meer alternatieve wijze te behandelen.

 Regie: Stella Van Voorst van Beest | Duur: 82 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: AL 

Camera

Facebook, Instagram, Twitter. In het beste geval zijn de sociale media opstapjes naar verbinding, maar laten we eerlijk zijn: veel gebruikers maken er vooral praalwagens van. Kijk mij nou eens! Ware verbinding? Daar heb je die speeltjes helemaal niet voor nodig, een goed hart volstaat. Het ontroerende bewijs levert Stella Van Voorst van Beest in haar documentaire Goede Buren.

Rotterdam, 2013. De stad is in shock. Tien jaar na haar overlijden vinden agenten Bep de Bruin in haar woning, nadat bouwvakkers alarm hebben geslagen. Tien jaar lang dood, maar niemand die de Rotterdamse had gemist. Rillingen.

Het overkwam Bep, maar het had ook Jan (81) of Til (85) kunnen overkomen. Jan is in zeven jaar tijd nauwelijks de deur uit geweest. De wasmachine legen of de traplift nemen; dagelijkse dingen zijn voor hem een hele opgave. Til is nog wel redelijk ter been, heeft een sterke wil, maar accepteert geen hulp. En met haar twee kinderen heeft ze geen contact meer. Als haar hondje Sandy (“mijn kind”) in godsnaam maar niet doodgaat, betrap ik mezelf op doemdenken. Hetzelfde geldt voor Jans hond Skip die, nadat zijn baasje in het ziekenhuis is beland, als een kind zo blij is om hem weer te zien.

In de strijd tegen eenzaamheid onder ouderen formuleert de gemeente Rotterdam een schitterend, en naar blijkt ook doeltreffend, antwoord: Ada (59) en Wilma (70) leggen vrijwillig huisbezoeken af. In Goede Buren gaat de kijker op stap met de twee buurvrouwen, die zonder blikken of blozen de camera trotseren. Nuchtere tantes met een praktische inslag. En met een zalig gevoel voor humor. Wilma, in gesprek met Til: “Mijn schoonmoeder is ook een pokkewijf”. Vette grijns.

Maar zitten Til en Jan wel te wachten op hulp? En waar ligt de grens tussen zorgen voor en bemoeien met? Beide oudjes ontkennen hun eenzaamheid. Lees: zijn liever alleen dan dat ze zich kwetsbaar opstellen. Jan krijgt dagelijks iemand van Thuiszorg over de vloer, hunkert naar wat meer reuring, maar voelt zich niet senang tijdens een zeldzaam bezoekje aan de soos. Het is vooral dan, nota bene in gezelschap, dat zijn eenzaamheid zich het meest openbaart.

“Met Facebook ben je verbonden en deel je alles met iedereen in je leven.” Sociale media, de smeerolie van onze beschaving? Ammehoela. Ze stompen eerder af, doen je vergeten waar het echt om draait. Echter, de weg terug bewandelen is eenvoudig: niet lullen maar poetsen. Er gewoon voor de ander willen zijn. In het juweeltje Goede Buren gaan Ada en Wilma ons voor op die weg, die veel meer verbinding oplevert dan 24 uur per dag online te zijn.

 Regie: Jimmy Chin & Elizabeth Chai Vasarhelyi | Duur: 100 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL 

Camera

Yoga, maar dan net even anders. Dus niet in een veilige omgeving als bijvoorbeeld uw woon- of slaapkamer. Zonder smeulend stokje wierook ter ontspanning, en zeker niet op een matje om de spieren en gewrichten te ontzien. Nee, Free Solo is yoga op een granieten vloer, en ook nog eens honderden meters boven de grond. Alternatief voor kijkers met hoogtevrees of een broos hart: vast interessant is ook het boek Alone on the Wall.

Spock moet een beetje gek zijn. Wie? Alex Honnold, die door zijn klimvrienden liefkozend vergeleken wordt met het Star Trek-personage Spock. Een béétje gek? Geen enkel weldenkend mens flirt voor z’n lol met de man met de zeis. Honnold gaat veel verder dan flirten: in Free Solo beklimt hij de zeer steile rotswand El Capitan (El Cap) in het Californische Yosemite National Park. Dat doet hij helemaal alleen en, echt waar, zonder gezekerd te zijn.

Bijna fascinerender dan zijn krachttoer – stelt u zich in op hallucinante beelden! – is te weten wie zoiets in vredesnaam doet. Free Solo gaat op zoek naar de mens achter de prestatie, maar de persoon Alex laat zich niet zo makkelijk kennen. Een gewone gast, op het eerste gezicht. Gespierd, slungelig, vlotte babbel. Een klimgeit met bruine ogen zo groot als kastanjes die werk heeft gemaakt van zijn hobby, die van zijn hobby zijn werk heeft gemaakt. Grenzeloos gedreven, zelfverzekerd en gewaardeerd; er lijkt geen vuiltje aan de lucht.

En toch. Wie is Alex Honnold nou echt? En vooral: hoe kan een mens zo onbevreesd zijn? Soloklimmers sneuvelen immers bij bosjes. Het is bijna eng hoe flegmatiek hij overkomt, in de wetenschap dat het kleinste foutje onherroepelijk de dood betekent. Angst lijkt hem totaal vreemd; heeft de man überhaupt wel emoties? Een scan van Honnolds hersenen verklaart waarom hij het extreme opzoekt. Opmerkelijk maar niet verrassend is dat zijn vader, die stierf toen Alex pas negentien jaar was, aan het syndroom van Asperger leed.

Het is bizar te constateren dat zijn entourage emotioneel meer afziet dan meneer zelf. We zien zijn lieve vriendin Sanni (pittige meid) in tranen. We zien professioneel klimmer Tommy Caldwell en Meru-regisseur Jimmy Chin peentjes zweten als Alex tergend langzaam de top van El Cap nadert. De fotograaf op de grond moet af en toe gewoon wegkijken. Het hele team staat logischerwijs doodsangsten uit; wat doet hij zijn dierbaren eigenlijk aan?

Alone on the Wall, eerste alinea: “I was too shy to go up to strangers (…) and ask if they’d like to rope up with me”, verduidelijkt Alex waarom hij is gaan soloklimmen. Die verlegenheid is nog altijd latent aanwezig, maar het klimmen heeft Alex wel dichter bij Alex gebracht. Het duizelingwekkende Free Solo is dan ook vooral een metafoor voor de weg richting zelfkennis, met de zwaartekracht als scherprechter.

 Regie: Michael Glawogger & Monika Willi | Duur: 105 minuten | Taal: Duits & Engels | Kijkwijzer: AL 

Camera

“Meestal is afscheid onnodig theatraal, want vroeg of laat zie je elkaar toch weer. En zo niet, dan weet je dat niet als je afscheid neemt.” Een overpeinzing van Michael Glawogger (1959), die korte tijd later overleed en wiens laatste omzwervingen zijn te zien in Untitled. “Ik wil simpelweg een jaar lang over de wereld reizen en alles filmen wat ik tegenkom”, zegt de Oostenrijkse cineast aan het begin van zijn documentaire. Monika Willi, ervaren editor en jarenlang Glawoggers rechterhand, voltooide zijn werk.

De film neemt de kijker mee door de Balkan via Italië tot in het Noordwest-Afrikaanse land Liberia, waar Glawogger in april 2014 bezweek aan malaria. “Het is de doodsteek voor vrijheid om elke mogelijke ramp te voorzien, het leven te plannen, en geen rekening te houden met het moois dat dan kan gebeuren als zulke beperkingen worden genegeerd.” En dus negeert Glawogger tijdens zijn reis die beperkingen, en is zijn Untitled niets meer dan een verzameling observaties; een mozaïek van een nomade die het liefst wil verdwijnen. “Verstop me alsjeblieft en zeg niemand dat ik hier ben.”

Geen thema, geen plot, geen dialogen. Niets wordt geschapen in Untitled, alles ís gewoon. Hoofdpersoon is Homo sapiens, de locaties zijn uiteenlopend. Zo zien we in Koidu (Sierra Leone) hoe men hele zandvlaktes afgraaft op zoek naar diamanten. En dwalen we verloren rond in voormalig Bosnië-Herzegovina, waar de littekens van de oorlog nog altijd springlevend zijn. Tragisch zijn ook de beelden van vrouwen, kinderen en zelfs geiten die zich op bergen afval storten, als ware het een feestmaal. “De vlaggenstok van een verdrinkende wereld was gemaakt van oud metaal”, analyseert Glawogger de staat van onze menselijke beschaving.

Untitled is cinema is zijn meest pure vorm; de beelden ontlokken je geen oordeel, hoogstens ontroering. Glawoggers teksten zijn daarbij van poëtische schoonheid. “Ro Messi Mourinho Boate Roo ri al Drogba”, besluit voice-over Fiona Shaw een van de mooiste segmenten in de film. Wordt “Ro Messi Mourinho Boate Roo ri al Drogba” het lofdicht van een nieuw era waarin de spraakverwarring voltooid verleden tijd is? Kijk naar Untitled: een fascinerende zwanenzang van een man die zich vier maanden en 19 dagen lang liet leiden door zijn nieuwsgierigheid en intuïtie.

Untitled

 Regie: Ceyda Torun | Duur: 79 minuten | Taal: Turks | Kijkwijzer: AL

Camera

Istanboel. Geografisch gezien een unieke plek waar twee continenten, gescheiden door de Bosporus, elkaar ontmoeten. Stad bomvol moskeeën, synagogen en kerkgebouwen. Etnische smeltkroes die bijna 15 miljoen inwoners telt. En de biotoop van honderdduizenden elegante viervoeters, zo toont filmmaakster Ceyda Torun in de documentaire Kedi.

Maak kennis met Sari, Bengü, Psikopat, Deniz, Aslan Parçasi, Duman en Gamsiz: stuk voor stuk zwerfkatten die zich vrij bewegen door de straten van Turkije’s grootste stad. Dat doen ze al duizenden jaren, waardoor ze er niet meer zijn weg te denken. De katten zijn niemands eigendom, maar functioneren nadrukkelijk als spiegels voor hen die ze verzorgen.

“Zonder katten zou ik een problematische jeugd gehad hebben.” Een uitspraak als deze maakt duidelijk welke essentiële rol de dieren spelen. Ze zijn levensredders, omdat ze voor velen een bron van vreugde zijn in een geïndustrialiseerde metropool waar juist die vreugde tanende is. “We praten eindeloos”, merkt een vrouw op. Om vervolgens schamper te besluiten: “Mijn grootmoeder hoef ik na de dood niet te zien, mijn kat wel.”

Ze bietsen naar hartelust. Laten zich door jong en oud vertroetelen. Wurmen zich een weg door de chaos. Parkeren op de gekste plekken hun krent. Springen op auto’s. En zien álles. Iedereen zal moeten grinniken tijdens Kedi. Een plot heeft de film niet, maar de prachtige beelden en ontroerende monologen zijn al feest genoeg. Een feest der herkenning.

“Honden denken dat de mens God is, maar katten weten wel beter.” Zo is het. Waar honden een baasje hebben, beschikken katten over personeel. Personeel dat zelfs zijn laatste spaarcenten spendeert aan de dierenarts wanneer ‘majesteit’ weer eens aan het kwakkelen is.

Katten mogen dan menselijke trekjes hebben, opmerkelijker is dat de donderstenen er perfect in slagen om het beste in de mens naar boven te halen. “Ze laten je voelen wat liefde is.” Kedi (Turks voor ‘kat’) is een oogstrelende liefdesbrief aan de dieren, en een mustsee voor kattenfans.