Regie: Denis Villeneuve | Duur: 155 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Dune is een bont aangeklede prent die je een andere wereld in slingert. “Een soort Star Wars voor volwassenen”, zegt regisseur Denis Villeneuve over zijn nieuwste film die, zo drukt hij ons filmfans op het hart, het best tot zijn recht komt in de bioscoop. Klopt als een bus, en het witte doek kan niet groot genoeg zijn. Toch kom ik na ruim 2,5 uur filmgeweld niet betoverd de zaal uit.

De film is gebaseerd op het werk van Frank Herbert (1920-1986). De Amerikaanse sciencefictionschrijver verwierf grote bekendheid met zijn roman Dune uit 1965, het eerste deel van een zesdelige boekenreeks en het best verkochte SF-boek ooit. Van de hand van David Lynch verscheen in 1984 een eerste verfilming van Herberts boek, met onder anderen Star Trek-icoon Patrick Stewart in de gelederen. Critici waren niet mild in hun oordeel over wat men desalniettemin betitelde als een visueel geslaagde film.

Dune speelt zich af in de verre toekomst, in het jaar 10191. Paul Atreides (Timothée Chalamet) is erfgenaam van het Huis Atreides en voorbestemd om zijn familie en het volk van zijn thuiswereld Caladan te redden van de ondergang. Daartoe onderneemt hij met zijn vader Leto (Oscar Isaac) en zijn moeder Jessica (Rebecca Ferguson) een gevaarlijke reis naar de woestijnplaneet Arrakis. Arrakis, biotoop van de Vrijmans, is rijk aan het zeer kostbare Specie, een grondstof die nergens anders in het universum voorhanden is.

Dune is prachtig gefilmd en vormgegeven, daar valt niet over te twisten. Drie zaken springen er naar mijn mening positief uit: de fraai getailleerde kostuums, de ‘thopter’ (een luchtvaartuig dat op een reusachtige libelle lijkt die een zwaar, propellerachtig geluid produceert) en de op Arrakis levende zandwormen. Kolossale kruipers met een bekkie waar een flinke hap in past. En die ook nog eens pijlsnel zijn, ondanks dat ze zich ondergronds verplaatsen.

Maar Dune is plomp, plomp en nog eens plomp. Ik kan daar mee leven, mits van tijd tot tijd ook mijn ziel wordt gestreeld. Helaas is dat niet het geval. Het verhaal is zeer gericht op de klassieke strijd tussen het goed en het kwaad. Prima, maar de pionnen op het feodale schaakbord zijn nogal flets; inzoomen op de personages zelf is er (te) weinig bij. Op het acteerwerk is niets aan te merken, maar hoofdpersoon Paul is mij in de dagen na mijn biosbezoek niet bijgebleven als de onvergetelijke held, als steunpilaar van het plot.

Ik wil (een) film graag beléven. Essentieel is dan dat ik de personages doorvoel. De good guys en de bad guys. Van alle good guys is de stoere Duncan (Jason Momoa) een van de weinige personages die me raakt. Van de bad guys doet Stellan Skarsgård dat. Als stamhoofd van de wrede Harkonnen biedt de Zweedse acteur een inkijkje in het zenuwcentrum van het kwaad. Toch mis ik in Dune de intensiteit, de oprechtheid, van de clash tussen de twee polaire krachten, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is in The Lord of the Rings-films. Goed en kwaad hebben weliswaar beide een gezicht in Dune, maar de twee uitersten ontberen charisma.

Bovendien had het decor optimaler gebruikt kunnen worden. De woestijn leent zich uitstekend om het heroïsche een mystiek randje te geven. Waarom niet eerst ruim de tijd nemen om door de felblauwe kijkers van de Vrijmans het geheimzinnige Arrakis te verkennen? Waar zijn de langdurige shots van de omgeving? Waarom stroopt de camera niet traag het landschap af? Waar is de spiritualiteit in het geheel? Ik mis de rust en subtiliteit. En ook de muziek (nogal bonkig) van Hans Zimmer wordt me op den duur te veel. Na twee uur Dune heb ik het derhalve wel gezien. En gehoord.

Nee, Dune vind ik geen epos. Vermakelijke Hollywood-kost met een dijk van een cast, ongetwijfeld, maar de stoomwals voor de zintuigen staat te veel op zich. Een spelbreker is verder dat er vrijwel niets te lachen valt en je 155 filmminuten later pas halverwege het verhaal bent. Is er nou wel of geen liefde in het spel tussen Chani en Paul? Het antwoord volgt geheid in Dune 2, waarbij ik hoop dat Villeneuve er voor alles een krachtmeting der karakters van maakt.

 

Regie: Joseph Kosinski | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

‘Earth is a memory worth fighting for’. Dat is de slagzin van de SF-film Oblivion van Amerikaans filmmaker Joseph Kosinski. Oblivion (‘vergetelheid’) is de verfilming van Kosinski’s graphic novel met dezelfde titel. Dat de film geen hoge ogen gooide, komt vooral door het plot waar van alles mis mee is. Waar helemaal niets mis mee is, is het production design. Ander dik pluspunt: de soundtrack.

Het jaar 2077. Na een invasie door buitenaardse wezens (Scavengers) en de nucleaire tegenaanval van de mens is de aarde onbewoonbaar geworden. Overlevenden wonen inmiddels op Titan, een maan van de planeet Saturnus. Slechts een handjevol mensen waagt zich nog op het aardoppervlak. Een van hen is Jack Harper (Tom Cruise). De technicus repareert de drones die worden ingezet tegen de ‘Scavs’. Jack wordt daarbij geholpen door zijn verbindingsofficier Victoria (Andrea Riseborough). Hun missie zit er bijna op, totdat Jack op een dag een mysterieuze vrouw redt uit een neergestort ruimteschip.

Oblivion is de moeite waard vanwege het jasje waarin de film is gestoken. Zeg maar jas, want kosten noch moeite zijn gespaard. Een behoorlijk deel van het totale budget (zo’n 120 miljoen dollar) is gaan zitten in het op schaal nabouwen van het bubbleship, het wendbare vehikel waarin Jack tussen hemel en aarde pendelt. Zeer geslaagd is tevens de strak ontworpen sky tower, woning en kantoor tegelijk, welke middels een smalle pin met de aarde is verbonden. Je waant je in Oblivion letterlijk in de wolken, want de luchten die het zweefhuis van Jack en Victoria omgeven zijn puur natuur; ze zijn geschoten vanaf een vulkaan op het eiland Maui (Hawaï). Avond- en ochtendrood verzachten zo de kille blauw-, grijs-, en wittinten van hun residentie en hun outfits. Een fabelachtig mooie filmset.

Minder hemels is de aanblik van Moeder Aarde op zeeniveau. Stofvlaktes, kraters en resten van de menselijke beschaving, zoals enorme scheepswrakken en skeletten van bouwwerken, geven haar een troosteloos aanzien. Ook het Pentagon en het stadion van de New York Yankees liggen in puin. De verwoesting lijkt totaal, maar een paar groene berghellingen fleuren de doodse korst wat op. Er is dus nog leven! Wat een bizarre realiteit schept Kosinski in Oblivion. “Beautiful desolation” typeert de begenadigd plaatjesdenker het treffend.

Artistiek gezien staat Oblivion als een huis, maar het verhaal ontspoort op den duur. Tot het moment waarop Julia (de mysterieuze vrouw, gespeeld door Olga Kurylenko) hardhandig kennismaakt met het fenomeen zwaartekracht, is het allemaal prima te volgen. Wel daarbij de volgende kanttekening: het is niet handig van Kosinksi om al in de openingsscène voor te sorteren op Julia’s entree. Bedoeld als teaser? Het heeft het effect van een spoiler. En aan Olga Kurylenko het verzoek om ook eens míjn tuin als crashsite uit te kiezen; dan kijk je later toch een stuk prettiger terug op de lockdown. Grinnik.

Julia schudt Jack nog verder wakker. Ze neemt namelijk een centrale plaats in binnen zijn herinneringen aan het aardse bestaan voor de oorlog. Herinneringen die op de gekste momenten opborrelen, maar die hij eigenlijk niet meer kan hebben omdat zijn geheugen is gewist. Het nieuwsgierige aagje gaat hierop op onderzoek uit, wat tegen het zere been is van zijn gezagsgetrouwe partner Victoria. Het acteerwerk is oké (fijn om oude vos Morgan Freeman ook nog even in actie te zien), maar Julia is de gamechanger in de film. De liefde van Victoria brokkelt hierna snel af, wat tevens gezegd kan worden van de verhaalstructuur.

Een narratief kaartenhuis dat eruitziet als een sprookjesvilla: Oblivion laat je achter met dubbele gevoelens. Ik hou trouw vast aan het Blik Op Film-concept door niet te veel te verklappen, maar eerlijk is eerlijk: ik kon ik er na driekwart film geen touw meer aan vastknopen. Ontzettend jammer, want de vormgeving en de werkelijk epische soundtrack (het fantastische resultaat van de samenwerking tussen de Franse band M83 en componist Joseph Trapanese) hadden een verhaal met smoel verdiend. Werk aan de schrijfwinkel, meneer Kosinski.

Regie: Alice Winocour | Duur: 107 minuten | Taal: Engels, Frans, Russisch & Duits | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Ruimtefilms staan dikwijls garant voor rampspoed, robuuste actie en vlotte visuals. Maar Proxima valt niet te betrappen op die blockbusterkwalen. De film is ‘easy going’ en speelt zich bovendien af op de grond. Tot zover het goede nieuws. Minder prettig: regisseur Alice Winocour slaagt er niet in om van Proxima een pakkend drama te maken.

De Franse astronaute Sarah (Eva Green) wordt geselecteerd voor een ruimtemissie. Ter voorbereiding moet ze een pittige training afwerken en krijgt ze te maken met een door mannen gedomineerde werkomgeving. Maar vooral de wetenschap dat ze haar achtjarige dochtertje Stella (Zélie Boulant) een jaar lang zal moeten missen, doet haar hart bloeden.

Verwachtingen had ik volop, maar jeetje wat kom ik sip de bioscoop uit. Eva Green, lovely Eva Green. Ik viel als een blok voor haar spel als Bondgirl in Casino Royale (2006). Had ik mijn levendige herinneringen aan de mysterieuze Vesper Lynd maar geschrapt voordat ik aan Proxima begon; een leermomentje. Niet dat Green er ineens weinig van bakt, maar serieus getest wordt ze evenmin.

Tergend langzaam de navelstreng doorknippen. Ik besef dat dit beeld niet erg smakelijk is, maar het is wel het euvel waar Proxima onder lijdt. Eigenlijk draait de film om maar één ding: het naderende afscheid tussen moeder en dochter. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven hun relatie. En behalve het eenzijdige plot is de sfeer behoorlijk landerig. Bijna honderd minuten verstrijken tot Sarahs werkelijke vertrek vanaf de raketlanceerbasis in Bajkonoer. Die eeuwige aftelprocedure is een uitstekend slaapmiddel.

De honderd minuten draaien hoofdzakelijk om de dynamiek tussen een volwassen vrouw en een jong kind. Sarahs moederinstinct en schurende dilemma zijn uiteraard perfect voorstelbaar. Een halfuur lang is het verhaal dan ook nog aardig te verteren. Daarna krijgt zeurderigheid de overhand. Moeder kan kind niet loslaten, kind kaatst het balletje terug. Kind boos, moeder verdrietig. Kind verdrietig, moeder boos. Hun ongezonde symbiose is niet leuk om naar te kijken. Op het vervelende af.

Bijna vergeet je dat Sarah ook nog een ambitieuze astronaute is. Alhoewel: fysiek en mentaal wordt de training haar op den duur te veel. Collega-astronaut Mike Shannon (Matt Dillon) werpt zich maar wat graag op als een soort beschermheer, maar in haar beperkte universum is er nauwelijks plek voor hem. Niet zo vreemd, bedenk ik na een uur, dat ze tevens gescheiden is van haar Duitse echtgenoot Thomas, een astrofysicus die trouwens ook niet van het doek spat.

Wat dan wél leuk is aan Proxima? De bescheiden bijdrage van Aleksey Fateev. Het is het spaarzame hoogtepuntje in een film die zich in drie woorden laat samenvatten: missie niet volbracht. Pff, wat hunker ik na dit weke melodrama naar een ruimtefilm waarin, heerlijk ouderwets, op volle toeren de gehaktmolen draait.

 Regie: Joe Penna | Duur: 98 minuten | Taal: Engels, Deens | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

In de Los Angeles Times betitelt de Deense acteur Mads Mikkelsen (1965) ze als “the most difficult” uit zijn loopbaan: de opnames voor Arctic. Het overlevingsdrama uit 2018 is het regiedebuut van de Braziliaanse muzikant en YouTuber Joe Penna. En Penna mag met recht trots zijn op zichzelf: Artic gaat je beslist niet in de koude kleren zitten.

Mikkelsen speelt Overgård, een man die met zijn vliegtuigje is neergestort op de Noordpool. Meer smaken dan overleven en wachten op redding heeft hij niet. Op een dag wordt hij tot zijn vreugde door een helikopter opgemerkt, maar bij slecht weer boort ook die zich in de sneeuw. Zonder aarzelen bekommert hij zich vervolgens om de gewond geraakte copilote (Maria Thelma Smáradóttir).

Onder de begintitels wordt de gierende wind hoorbaar, die overgaat in een hakkend geluid. Op enige afstand zien we Mikkelsen bezig. Ploeterend. Dat eerste shot (vast camerastandpunt) duurt een seconde of veertig. Perfect. Even later (mooi shot) blijkt de omvang van het karwei waar hij mee bezig is. Hij moet daar dus al een tijdje zijn. Meer informatie krijg je niet.

Het ontbreken van referentiepunten maakt Arctic tot een uiterst boeiende expeditie, meesterlijk geleid door Mads ‘in de rats’ Mikkelsen. Overgårds dagelijkse bezigheden op de ijzige poolvlakte (IJsland vormt het decor) hangt van routineklusjes aan elkaar. Met de crash van de helikopter lijkt zijn lot bezegeld te zijn. Niets is minder waar. Mikkelsen: “There is a difference between surviving and being alive, and there was no life left in him until then.”

De gewonde dame, nauwelijks aanspreekbaar, is ironisch genoeg zijn reddingsboei. Als vanzelf schakelt Overgård een versnelling hoger. Het feit dat hij plots de zorg over iemand anders heeft, doet hem besluiten aan een levensgevaarlijke tocht dwars door de diepvries te beginnen. Tjonge, wat is Mikkelsen in bloedvorm. Je hoeft Arctic niet te kijken vanwege het plot (veel gebeurt er niet), wél als je van doorleefd spel houdt. Gortdroge noedels die smaken naar kaviaar? Mikkelsen doet het je geloven.

Op het filmfestival van Cannes ontving Arctic een staande ovatie van tien minuten. Uiteraard veel lof voor Mikkelsen (Oscarwaardige performance) en voor Joe Penna, maar vergeet ook niet de topprestatie van de overige crewleden. Een productie onder de meest barre omstandigheden. Daarom ook brandt mij de vraag op de lippen: wat moet Penna in vredesnaam meegemaakt hebben om tot zo’n film te (kunnen) komen? Welk intens gevecht ligt ten grondslag aan deze adembenemende galavoorstelling op ijs?

 

 Regie: James Gray | Duur: 123 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Maanpiraten die met scherp schieten en een bloeddorstige aap die een ruimtelab op stelten zet. Niet voor niets concludeert astronaut Roy McBride in Ad Astra dat de mens van het heelal net zo’n bende maakt als van “the big blue marble”. Jammerlijk bovendien is dat Ad Astra nogal zweeft. Uiteraard omdat het sf-drama het eindeloze niets als setting heeft, maar vooral omdat de goede bedoelingen van regisseur James Gray uitmonden in een potpourriplot.

Een flitsend begin heeft Ad Astra wel. Roy (Brad Pitt) is bezig met werkzaamheden aan een ‘ruimtespeld’, een kilometers hoge, met het aardoppervlak verbonden smalle toren. Wanneer deze getroffen wordt door The Surge (De Piek, een geheimzinnige elektrische puls), moet hij lossen en zijn meerdere erkennen in de zwaartekracht. De Piek blijkt van Neptunus te komen, de planeet waar ooit zijn voor dood aangenomen vader Clifford (Tommy Lee Jones) de leiding had over het zogenaamde Lima Project. Is het een SOS van zijn vader? Zou hij dan toch nog in leven zijn? Gerekruteerd door kolonel Pruitt (Donald Sutherland) begint Roy aan een missie naar de rand van ons zonnestelsel.

Het is de nabije toekomst, een era van “conflict and hope”, leren de openingstitels. Tja, welk tijdperk is dat niet? Van positivisme of hoop is echter geen sprake in Ad Astra; de film ademt een en al zwaarmoedigheid. Exemplarisch daarvoor is Roy, de ietwat autistische zoon van de pionier waar zijn verdwenen vader voor doorgaat. Roy is geen prater en de meeste van zijn overpeinzingen komen dan ook via de voice-over tot ons. Het instrument neemt Pitt eigenlijk het werk uit handen; een fonkelende ster is hij in deze film in ieder geval niet. Het helpt ook niet dat zijn personage flets is. En blijft. Monotoon stemgeluid, stoïcijnse expressie, statische motoriek.

Wat betreft het trio sidekicks van formaat in Ad Astra (Donald Sutherland, Tommy Lee Jones en Liv Tyler): ook zij brengen niet de broodnodige schwung. Sutherland wekt de indruk naar het bejaardentehuis te verlangen en Tylers duit in het zakje is zo minimaal dat, mocht je de zaal even verlaten omdat je naar de wc moet, je haar melkwitte snoetje zou kunnen mislopen. Tommy Lee Jones ten slotte speelt een enorme zuurpruim die amper ontdooit als hij, vele jaren later, ineens oog in oog staat met zijn zoon. Het slot van Ad Astra raakt kant noch wal. Melodrama.

Pover spel en doodlopende verhaallijnen. Waarom versteent kapitein Tanner als de daling naar Mars wordt ingezet? Geen idee. Wat behelst het Lima Project precies? Geen idee. Wie of wat veroorzaakt nou die stroomstoten? Geen idee. Strakke visuals en een paar acteerkanonnen dichten niet per se alle gaten, laat dat duidelijk zijn. Treur echter niet: Hoyte van Hoytema is de cameraman van dienst en de soundtrack is erg oké. Toch nog twee sterren aan een grijs firmament.

 Regie: Jimmy Chin & Elizabeth Chai Vasarhelyi | Duur: 100 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL 

Camera

Yoga, maar dan net even anders. Dus niet in een veilige omgeving als bijvoorbeeld uw woon- of slaapkamer. Zonder smeulend stokje wierook ter ontspanning, en zeker niet op een matje om de spieren en gewrichten te ontzien. Nee, Free Solo is yoga op een granieten vloer, en ook nog eens honderden meters boven de grond. Alternatief voor kijkers met hoogtevrees of een broos hart: vast interessant is ook het boek Alone on the Wall.

Spock moet een beetje gek zijn. Wie? Alex Honnold, die door zijn klimvrienden liefkozend vergeleken wordt met het Star Trek-personage Spock. Een béétje gek? Geen enkel weldenkend mens flirt voor z’n lol met de man met de zeis. Honnold gaat veel verder dan flirten: in Free Solo beklimt hij de zeer steile rotswand El Capitan (El Cap) in het Californische Yosemite National Park. Dat doet hij helemaal alleen en, echt waar, zonder gezekerd te zijn.

Bijna fascinerender dan zijn krachttoer – stelt u zich in op hallucinante beelden! – is te weten wie zoiets in vredesnaam doet. Free Solo gaat op zoek naar de mens achter de prestatie, maar de persoon Alex laat zich niet zo makkelijk kennen. Een gewone gast, op het eerste gezicht. Gespierd, slungelig, vlotte babbel. Een klimgeit met bruine ogen zo groot als kastanjes die werk heeft gemaakt van zijn hobby, die van zijn hobby zijn werk heeft gemaakt. Grenzeloos gedreven, zelfverzekerd en gewaardeerd; er lijkt geen vuiltje aan de lucht.

En toch. Wie is Alex Honnold nou echt? En vooral: hoe kan een mens zo onbevreesd zijn? Soloklimmers sneuvelen immers bij bosjes. Het is bijna eng hoe flegmatiek hij overkomt, in de wetenschap dat het kleinste foutje onherroepelijk de dood betekent. Angst lijkt hem totaal vreemd; heeft de man überhaupt wel emoties? Een scan van Honnolds hersenen verklaart waarom hij het extreme opzoekt. Opmerkelijk maar niet verrassend is dat zijn vader, die stierf toen Alex pas negentien jaar was, aan het syndroom van Asperger leed.

Het is bizar te constateren dat zijn entourage emotioneel meer afziet dan meneer zelf. We zien zijn lieve vriendin Sanni (pittige meid) in tranen. We zien professioneel klimmer Tommy Caldwell en Meru-regisseur Jimmy Chin peentjes zweten als Alex tergend langzaam de top van El Cap nadert. De fotograaf op de grond moet af en toe gewoon wegkijken. Het hele team staat logischerwijs doodsangsten uit; wat doet hij zijn dierbaren eigenlijk aan?

Alone on the Wall, eerste alinea: “I was too shy to go up to strangers (…) and ask if they’d like to rope up with me”, verduidelijkt Alex waarom hij is gaan soloklimmen. Die verlegenheid is nog altijd latent aanwezig, maar het klimmen heeft Alex wel dichter bij Alex gebracht. Het duizelingwekkende Free Solo is dan ook vooral een metafoor voor de weg richting zelfkennis, met de zwaartekracht als scherprechter.

 Regie: David Kerr | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Ooit had ‘rubber face’ Rowan Atkinson (1955) de lachers nadrukkelijk op zijn hand, in de rol van antiheld Mr. Bean. Had hij zich maar tot dat succes beperkt. Het is jammer dat de Britse acteur zich heeft laten strikken voor de bleke parodies Johnny English (2003), Johnny English Reborn (2011) en Johnny English Strikes Again. Voor alle drie geldt dat protagonist Johnny English de mislukte afgeleide is van Mr. Bean, waardoor er niet veel te lachen valt.

In Groot-Brittannië breekt de pleuris uit wanneer na een cyberaanval de personalia van alle geheim agenten op straat komen te liggen. Ex-spion Johnny English wordt hierop ingeschakeld om het brein achter deze snode daad te ontmaskeren.

Waarom zit er acht jaar tussen Johnny English en Johnny English Reborn? En duurt het zeven jaar eer we met Johnny English Strikes Again de beroepskluns opnieuw aan het werk zien? Niet omdat de tijd ertussen aan grondig denkwerk is besteed. Een parapluutje aan de neus getuigt daar in ieder geval niet van. En werkt mij bovendien niet op de lachspieren. Niet meer. Evenmin grappig: een English die op de dansvloer uit zijn dak gaat. Nog flauwer is de actie waarmee hij een peloton Franse wielrenners een halt toeroept. Qua humor richt de film zich duidelijk op kleuters; volwassenen zullen zich al snel vervelen.

Uiteraard weerspiegelt ook Johnny English Strikes Again de wereld anno nu en botsen moderne snufjes met het tijdperk-Desmond Llewelyn (‘Q’ in de James Bond-films). Twee werelden die co-existeren; het is eigenlijk het enige geslaagde plotlijntje in de film. Zo moet English enerzijds geloven aan virtual reality, maar verkiest hij anderzijds een vuurrode Aston Martin boven een hybride auto. Aardig is verder dat hij de met een iPad uitgeruste babyface-schurk zelfs in een middeleeuws harnas te slim af is. Die gekke Britten toch. Traditie voor alles.

Daarmee is de koek wel op. Johnny English Strikes Again is een magere komedie die ook niet leuker wordt door de aanwezigheid van de gelouterde Emma Thompson en de oogverblindende Olga Kurylenko. In Thompson zien we de hysterische variant van ‘Prime Minister’ Theresa May, Kurylenko speelt de femme fatale. Overtuigend is het allemaal niet. Hopelijk zet men een dikke punt achter deze franchise. Zo niet, think again.

 Regie: Christopher McQuarrie | Duur: 147 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Heeft Tom Cruise de eeuwige jeugd? De Hollywoodster telt inmiddels zesenvijftig lentes, maar beweegt nog steeds als een jonge god over de filmset. Stuntje hier, stuntje daar. Natuurlijk gaat dat wel eens mis, zoals vorig jaar in Londen tijdens de opnames voor Mission: Impossible – Fallout. Een riskante sprong van een stellage op een gebouw moest hij bekopen met (slechts) een gebroken enkel. Halsbrekend is ook zijn rit in een helikopter, aan het einde van dit zesde Mission: Impossible-deel. Een vermakelijk deel vol straffe actie.

IMF-agent Ethan Hunt (Cruise) ziet in Berlijn een missie in de soep lopen, waardoor drie levensgevaarlijke plutoniumkernen in de handen van extremisten belanden. Samen met zijn trouwe partners Luther (Ving Rhames) en Benji (Simon Pegg) moet Hunt hierop serieus aan de bak. Op uitdrukkelijk verzoek van CIA-baas Erica Sloan (Angela Bassett) krijgen ze hierbij bovendien assistentie van agent Walker (Henry Cavill).

“Please don’t make me laugh” luidt het slotakkoord van de film. Daar slagen de makers van Fallout vrij aardig in. McQuarrie’s tweede Mission: Impossible-film loopt niet over van de humor. Jammer, maar dat weegt minder zwaar dan het feit dat het verhaal, overzichtelijk in het begin, na een uur uiteenspat als een fragmentatiebom. Erg veel plotlijntjes. En zoals wel vaker in dit soort films vechten die met de bulldozerende actie om de gunst van de kijker. Omdat de spanning daarnaast vrij vlak is, verslapt na twee uur filmgeweld de aandacht. Een paar oneliners had in dit verband uitkomst kunnen bieden.

Een beetje droog dus, maar gelukkig biedt ‘MI 6’ verder veel goeds. Het camerawerk is fantastisch, de montage zo scherp als een scheermes en op het acteerwerk is weinig aan te merken, hoewel niemand van de cast je echt zal bijblijven. Op Cruise na dan. Hij bungelt weer heerlijk hartstochtelijk aan bergwanden, knettert als een volleerde motormuis door de straten van Parijs en maakt het luchtruim van Kashmir (in werkelijkheid Nieuw-Zeeland) onveilig. De bijdragen van sidekicks Henry Cavill (niet heel charismatisch), Ving Rhames (zalig figuur) en de clownesk aandoende Simon Pegg zijn daarbij van voldoende niveau.

Franchise-moeheid is een valkuil; niet zelden vallen sequels nogal tegen. Dat geldt opvallend genoeg niet voor deze franchise, die sinds de derde film de opgaande lijn te pakken heeft. Mission: Impossible – Fallout scoort op IMDb zelfs dik boven de 8. Hmm, dat is iets te veel van het goede. Ondanks steady lefgozer Tom die de gekste capriolen uithaalt, maar nimmer grip op de situatie verliest. Cruisecontrol noem je zoiets.

 Regie: Wes Anderson | Duur: 101 minuten | Taal: Engels & Japans | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Wes Anderson is de naam. Schilder onder de cineasten. Zijn films zijn feeëriek, ongrijpbaar, vaak ook een tikkeltje rauw. En vooral wonderbaarlijk fraai gestileerd. Denk aan Fantastic Mr. Fox (2009), Moonrise Kingdom (2012) of het knotsgekke The Grand Budapest Hotel (2014). Met zijn nieuwste creatie overtreft hij zichzelf nog maar eens: de stopmotionanimatiefilm Isle of Dogs doet je beslist als een ‘WAF’ (Wes Anderson-Fan) huiswaarts keren.

Isle of Dogs speelt zich af in het dystopische Megasaki, een stad in Japan. Na het uitroepen van de noodtoestand verbant de corrupte burgemeester Kobayashi alle honden in de stad naar een vuilnisstort, Trash Island genaamd. Ook Spots, de waakhond van Kobayashi’s 12-jarige pleegkind Atari, ontkomt niet aan het decreet. Maar Atari laat zich niet kennen en reist in een propellervliegtuigje af naar de troosteloze dumpplek. Geholpen door vijf honden begint hij vervolgens aan de zoektocht naar zijn trouwe viervoeter.

Anderson, tijdens de persconferentie op de Berlinale: “Ik wilde iets met hondjes op een vuilnisbelt en iets met Japan, vooral vanwege mijn liefde voor de films van Akira Kurosawa en de animatiefilms van Hayao Miyazaki.” Isle of Dogs is deels een hommage aan de twee meesters van de Japanse cinema. Het verhaal is simpel, maar van pure schoonheid; je ogen kunnen de beeldenpracht nauwelijks bijbenen. De stijl is Wes Anderson ten voeten uit. Eigenzinnige personages die op de bres springen voor rechtvaardigheid, veel gevoel voor symmetrie (frontale shots met het doelobject keurig in het midden van het beeld), houterige dialogen en een uitermate scherp oog voor detail. Wat dat laatste betreft: zelfs het ongedierte in de haren van de uitgemergelde honden is te zien, als je goed kijkt tenminste. Niets laat controlfreak Anderson aan het toeval over.

Bovendien heeft Isle of Dogs een sterstemmencast. U hoort onder anderen Edward Norton, Jeff Goldblum en Greta Gerwig. En Bill Murray natuurlijk, die in acht van Andersons negen films speelde. “We voelden ons echt jachthonden”, zegt Murray. “Het werd al gauw heel komisch. We keken elkaar aan met een blik van: hoe speel jij eigenlijk een hond? We probeerden elkaar voortdurend af te troeven in het niveau van hond.” Hoe uitstekend ze daarin zijn geslaagd, moet u echt gaan zien en horen in het beeldschone hondenleven dat Isle of Dogs is geworden.

 Regie: Warwick Thornton | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

“Wat voor kans heeft dit land?”, vraagt predikant Fred Smith zich vertwijfeld af in Sweet Country. Hij is de roepende in de woestijn, het enige schaap in een gebied waar wolven de dienst uitmaken. Dat gebied is Centraal-Australië, waar Australische kolonisators de Aboriginals als slaven lieten werken, nota bene op land dat de oorspronkelijke bewoners ervan eerst werd afgepakt.

Sweet Country speelt zich af in 1929 en is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van Aboriginal Wilaberta Jack die terecht moest staan voor de moord op een blanke man. In de film overkomt Sam Kelly (Hamilton Morris) hetzelfde. Hij en zijn vrouw Lizzie worden door hun baas Smith (Sam Neill) uitgeleend aan Harry March (Ewen Leslie), een getraumatiseerde ex-soldaat die hen afschuwelijk behandelt. Wanneer Sam zich op een dag bedreigd voelt, escaleert de situatie en komt March om het leven. Sam en Lizzie nemen hierop de benen, maar een posse aangevoerd door sergeant Fletcher (Bryan Brown) achtervolgt het duo dwars door de Australische outback.

Expansiedrift en repressie zijn vaak synoniem aan elkaar. Van die onderdrukking hebben veel witte Australiërs echter geen weet. Thornton, zelf een Aboriginal: “Met deze film praat ik over dingen waarover niet gepraat wordt.” Door de ogen van Sam Kelly krijg je dan ook een bittere geschiedenisles op je bordje. Zo bitter dat men in Adelaide na de film met stomheid was geslagen, getuigde filmcriticus David Stratton achteraf. “A stunned silence.”

Een klassieke western is Sweet Country niet, alhoewel hij er meerdere kenmerken van heeft: cowboys, een stoffig dorpje, een kroeg, drank, verbaal en fysiek machtsvertoon. En niet te vergeten het ontzagwekkende landschap van Australië, beeldschoon gefilmd door Thornton en zijn zoon Dylan River. Maar wat het meest opvalt is dat de film geen muziek heeft, op het Peace in the Valley van Johnny Cash onder de aftiteling na; een rendez-vous tussen ironie en verlangen. “Ik wil dat je gaat luisteren naar de woestijn”, licht Thornton zijn keuze toe.

Geen spoortje heroïek in het aangrijpende Sweet Country, dat Thorntons eigen volk niets nieuws leert. “Maar wellicht steekt de rest van Australië er iets van op,” zegt de regisseur die in 2009 doorbrak met het qua thematiek vergelijkbare Samson and Delilah, en die het christendom ziet als een virus dat de stokoude Aboriginalcultuur in een oogwenk uitroeide. Allesbehalve sweet.