Regie: James Cameron | Duur: 140 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Bij het schrijven over The Abyss moest ik denken aan een ander citaat dan waar de film mee begint, namelijk aan de woorden van de jonge Cole Sear in de geheimzinnige thriller The Sixth Sense (1999): “De profundis clamo ad te, Domine.” Cole’s smeekbede komt uit Psalm 130 en verwijst, met enige fantasie, naar de plek waar The Abyss zich afspeelt. De film van regisseur James Cameron kreeg vier Oscarnominaties. De filmpers was echter niet overdreven enthousiast: de metascore van slechts 6,2 is mijns inziens een regelrechte belediging aan het adres van de crew.

De bemanning van een booreiland wordt gevraagd te assisteren bij de berging van een Amerikaanse nucleaire onderzeeër die onder mysterieuze omstandigheden is gezonken. Terwijl men boven water vreest voor een escalatie van het incident tussen Amerika en Rusland, daalt een groep boorlieden onder leiding van hun voorman Bud Brigman (Ed Harris) af naar de diepste spelonken van de oceaan. Daar merken ze tot hun schrik dat ze niet alleen zijn.

Wat was, geopolitiek gezien, de wereld vroeger toch een relatief overzichtelijk oord, nietwaar? Een schaakbord met daarop twee grootmachten die elkaar decennialang in een houtgreep hielden, wat een era van gespannen rust opleverde. The Abyss speelt zich af tijdens de laatste stuiptrekkingen van de Koude Oorlog. Aan het einde van de film krijgt de kijker evenwel een ongemakkelijk lesje historisch besef: we maken er een zooitje van, wat meer vredelievendheid zou dus fijn zijn. Maar kennelijk moeten we diep zakken eer dat besef indaalt.

En diep zakken doen ze, Bud en zijn collega’s. Waarbij de problemen zich opstapelen. Orkaan Fred gaat vreselijk tekeer en bovendien telt het schip meerdere kapiteins. SEAL-luitenant Coffey (Michael Biehn) voert het bevel over de reddingsoperatie, maar de rigide engerd heeft geen kaas gegeten van goed communiceren. Daarnaast komt tot Buds afschuw zijn ex-vrouw Lindsey (Mary Elizabeth Mastrantonio) langs om een en ander in goede banen te leiden, en net als Coffey duldt ze weinig tegenspraak. De spanningen lopen nog verder op als een van de boorlieden op een levensvorm stuit die hem de stuipen op het lijf jaagt.

Dijk van een cast, ijzersterk acteerwerk. Behalve Harris, Mastrantonio en Biehn zijn er heerlijke bijrollen van Leo Burmester (als de robuuste ‘Catfish’) en Todd Graff (als ‘Rat boy’, de grapjas van het stel). The Abyss is een beetje de onderwatervariant van Twister (1996), waarin een kleurrijke verzameling weerpiraten als jonge honden de woeste weergoden trotseren. Ze beginnen als goede collega’s en eindigen als dikke vrienden, dankzij een ‘close encounter’ in de ijskoude diepzee. Met de vijand? Coffey denkt van wel. “You have to look with better eyes than that”, raakt Lindsey aan de essentie van de film.

Visueel is The Abyss een knap staaltje vakmanschap, ik kom daar later op terug. Nu eerst een paar woorden over het liefdesdrama dat de film ook is. Bud en Lindsey zijn niet voor elkaar bestemd, dat is na een half uur hartstochtelijk gekibbel wel duidelijk. Bud koestert gevoelens (meneer draagt nog altijd zijn trouwring), maar kan haar tegelijkertijd wel schieten. Lindsey is op haar beurt zeer kil naar Bud. Alsof hij in haar hoofd en hart al lang voltooid verleden tijd is. Not. Onder hoge druk wordt immers alles vloeibaar, dus ook vastgeroeste haatgevoelens tussen twee kemphanen, ooit tortelduifjes.

De liefde en de dood. Wat als die twee universele ‘grootmachten’ oog in oog staan? In een reeks van bloedstollende gebeurtenissen waaruit de film bestaat, is er één segment die het verdient om in een filmencyclopedie opgenomen te worden. In het voorwoord ervan. Een scène die Harris en Mastrantonio een Oscar had moeten opleveren. Waarin Bud tot het uiterste moet gaan om zijn Lindsey, waar hij even daarvoor afscheid van heeft moeten nemen, weer terug te halen. Bekijk hier wat Martin Koolhoven zegt (fraaie analyse) over een scène waarin Mastrantonio rake klappen krijgt te verduren.

Tien miljoen gallon, wat neerkomt op zo’n 38 miljoen liter. Dat was de hoeveelheid water die nodig was om de twee tanks te vullen die dienst deden als filmset. De tanks waren onderdeel van een kerncentrale in de buurt van Gaffney (South Carolina), een energieproject dat begin jaren 80 om budgettaire redenen strandde. Ene Earl Owensby kocht vervolgens in januari 1986 de vervallen tanks op en toverde ze om tot een filmstudio. Behalve in de reuzentobbes van Gaffney filmde men ook in Missouri, waar zich ‘s werelds grootste onderwatermeer bevindt, een met regen- en bronwater volgelopen ex-loodmijn.

Help, ik word in een bierblikje gepropt! The Abyss doet mij het überclaustrofobische Das Boot (1981) herbeleven. Dat is vooral te danken aan de vaste hand van de Deense cinematograaf Mikael Salomon, terecht onderscheiden met een Oscarnominatie. Het meer technisch getinte, visuele ‘geweld’ komt op naam van een kwartet heren: Dennis Skotak, John Bruno, Hoyt Yeatman en Dennis Muren. Gezamenlijk ontvingen ze de Oscar voor de Beste Visuele Effecten. Onthoud vooral Dennis Muren, een pionier op dit gebied en verzamelaar van Oscars (hij won er 6). Het digitale hoogtepunt van The Abyss is zonder twijfel het watertentakel waarvan het uiteinde het gezicht van Lindsey en Bud aanneemt.

Werkweken van 70 uur, zes maanden aan een stuk. “Dit nóóit meer”, zei Cameron na de voltooiing van zijn sciencefictiondrama The Abyss, een kletsnat spektakelstuk dat je de adem beneemt. Het moet een van de zwaarste filmklussen ooit zijn geweest. Filmen óp water is al afzien geblazen, laat staan eronder. “When you look into an abyss, the abyss also looks into you,” leren we van Friedrich Nietzsche aan het begin van de film. The Abyss is een in de vergetelheid geraakt meesterwerk dat ten diepste draait om de manier van kijken – hoe je kijkt bepaalt immers wat je ziet – en waarin uiteindelijk de liefde komt bovendrijven.

Regie: Tyler Nilson & Michael Schwartz | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Op IMDb staat een lijst van 42 acteurs en actrices die niet kregen waar ze volgens sommige filmkenners wel recht op hadden: een nominatie voor een Oscar. Op die lijst staan er twee die in The Peanut Butter Falcon tot de beste matties uitgroeien. Het zijn de in Los Angeles geboren Shia LaBeouf (1986) en de mij tot voor kort onbekende Zack Gottsagen. De casting van Gottsagen (1985) is bijzonder te noemen: hij lijdt namelijk aan het syndroom van Down.

In The Peanut Butter Falcon maken we kennis met de 22-jarige Zak (Gottsagen). De jongeman wil in zijn leven niets liever dan professioneel worstelaar worden, maar in plaats daarvan kwijnt hij weg in een verpleeghuis. Op een dag weet hij echter te ontsnappen en ontmoet hij in Tyler (LaBeouf) een aan lager wal geraakte visser die ook op de vlucht is. Tyler zit niet echt te wachten op gezelschap, maar Zak wil coûte que coûte zijn idool Salt Water Redneck ontmoeten.

Zack Gottsagen is waarom een film als The Peanut Butter Falcon voor altijd in de bios zou moeten draaien. Je wordt er ontzettend blij van omdat Gottsagen doet wat veel mensen een beetje verleerd lijken. Dakota Johnson: “Zack is puur en hij leeft vanuit een compleet open hart. Hij oordeelt niet.” Aldus de actrice over de man die als dreumes al de vurige wens had om acteur te worden. Zijn eerste rolletje? Een kikker, toen hij amper drie jaar oud was. Nu dertig jaar later speelt hij de hoofdrol in een film waarvan het script speciaal voor hem is geschreven.

Zak de hartendief. Hij is de ultieme verbinder in de film. Had het Oscarcomité hem dat beeldje niet gewoon moeten toekennen? Natuurlijk. Puur vanwege het feit dat Zak anderen transformeert, door zijn ‘ongefilterde’ (niet door het ego vertroebelde) kijk op het leven, door zijn ontwapenende manier van doen. Tyler is de eerste die dat mag ervaren. Hij moet aanvankelijk niets van zijn schaars geklede reisgezel hebben, keert hem dan ook de rug toe, maar krijgt rap spijt van die actie. Gelukkig maar, want als hij niet veel later oog in oog staat met Zaks beeldschone protegee Eleanor (Johnson), komt het verhaal in een stroomversnelling.

Shia LaBeouf staat bekend als een lastige jongen, zowel op de filmset als daarbuiten. De kersverse vader (hij en actrice Mia Goth onderhouden al 10 jaar een relatie vol ups en downs, met nu een baby als resultaat) stond ooit te boek als een acteertalent, maar sinds 2010 rijgt hij de incidenten aaneen. Meerdere keren werd de licht ontvlambare gearresteerd voor dronkenschap en geweldsdelicten. De Tyler in het eerste halfuur van de film lijkt veel op de Shia in het echte leven: hij is een pain in the ass, en zeker niet de pluche badass die Zack zo prachtig neerzet.

Maar Eleanor en Zak schudden Tyler wakker; van een brombeer verandert hij zowaar in een mentor. Lukt het Tyler om zijn oersterke partner in crime klaar te stomen voor wellicht een serieus potje worstelen? Het middenstuk is veruit het leukste gedeelte van de film, waarvan de opnames trouwens plaatsvonden in de delta van de Savannah River. Het licht is mooi (soms wat heiig, ietwat sprookjesachtig) en het getokkel op de snaren past er perfect bij. Qua sfeer doet The Peanut Butter Falcon erg denken aan Mud (2012).

Behalve Gottsagen stelen ook twee andere acteurs je hart. Ten eerste Wayne Dehart als Jasper, een stekeblinde kluizenaar op leeftijd die wel erg fanatiek het woord van Christus verkondigt. En let later vooral op Thomas Haden Church als Salt Water Redneck. De acteur (bekend van Sideways, 2004) speelt een uitgerangeerde held die net als Zak zijn dagen slijt op een anonieme plek. Maar is het heilige vuur in hem dan definitief gedoofd? Nee hoor. Zijn grootste fan, Lord of the worstelring Zak, pookt dat vuurtje weer op.

Niet je leven dromen, maar je dromen leven: Za(c)k komt een heel eind in een van de leukste films van de afgelopen jaren. Door gewoon zijn hart te volgen. In dat opzicht is zijn verstandelijke beperking eerder een zegen dan een vloek; eronder lijden doet hij sowieso niet. Sterker, Zack is en blijft zijn zalige zelf. Altijd. The Peanut Butter Falcon is een zoet juweeltje waarin het kikkertje van toen laat zien een professionele reuzesprong gemaakt te hebben. Zelfs Salt Water Rednecks imposante ‘atoomworp’ verbleekt bij die prestatie.

Regie: Jan de Bont | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Stormachtige ontwikkelingen in Twister van Jan de Bont (1943), die geruime tijd cameraman was alvorens hij in Hollywood als regisseur succesvol debuteerde met Speed (1994). En ook Twister, twee jaar later, werd lovend ontvangen door zowel filmcritici als het grote publiek. Vooral vanwege de fraaie special effects. Staan die nog steeds overeind, nu vijfentwintig jaar later? Jazeker! Wat beslist niet overeind blijft staan in de film: alles wat onderhevig is aan harde wind.

Bill Harding (Bill Paxton) en zijn vrouw Jo (Helen Hunt) zijn twee tornadojagers die in scheiding liggen; een handtekening van Jo onder de scheidingspapieren is de laatste formaliteit die vereist is. Hiertoe gaat Bill, vergezeld van zijn nieuwe vriendin Melissa (Jami Gertz), langs bij Jo. Maar eenmaal ter plekke (Tornado Alley vormt het hart van de actie in Twister) slaat het weer om en worden Bill en Melissa meegezogen in een rits spectaculaire gebeurtenissen.

Je hoeft Twister niet te kijken omdat het verhaal nou zo geweldig is; het plot is nogal ‘cheesy’. Maar waarom blijft deze ‘goedkope’ prent mij dan toch boeien, keer op keer? In eerste instantie omdat ik extreem weer (onweer vooral) fascinerend vind. Nooit zal ik vergeten hoe nietig dit mannetje zich voelde toen op een druilerige novemberavond in 1983 de bliksem voor zijn ogen insloeg. Wat een licht, wat een klap. Niet te filmen. Twister doet me aan die tijd denken. “Those were the days”, zei mijn vader dikwijls over de tijden waar híj wel eens naar terugverlangde.

Mijn nostalgie dikt aan door de aanwezigheid van een tweetal acteurs die inmiddels niet meer onder ons zijn. Twee heren waar ik een zwak voor heb. Bill Paxton overleed in 2017 (61) en Philip Seymour Hoffman in 2014, slechts 46 jaar oud. In Twister zien we de nog jonge Seymour Hoffman als Dusty. Een heerlijke bijrol. Hij krijgt van De Bont alle gelegenheid om de nar van het sowieso kleurrijke gezelschap tornadojagers te spelen. De Suck Zone, legt Dusty bloedserieus aan Melissa uit, is de plek waar de tornado je opzuigt. Weet u dat alvast.

De passie, bijna bezetenheid, van het stel tornadojagers (prima casting) is bijzonder aanstekelijk. Dusty is de leukste, maar ook Alan Ruck (‘Rabbit’) doet een kleine doch fijne duit in het zakje. Hij is de navigator van het rock-‘n-roll-ensemble. “Roll the maps”, dicteert hij collega Sanders die de kaarten juist constant (op)vouwt. En aan kop van het zooitje weerpiraten staan twee kemphanen: Jo en Bill. Constant vliegen de bijna-exen elkaar in de haren. De chemie tussen de kissebissende kleuters kietelt vooral de lachspieren; erg diepzinnig wordt het allemaal niet. Alhoewel Jo wel met een trauma heeft af te rekenen, getuige de heftige openingsscène van Twister.

Twister is een tikkeltje platvloerse, maar charmante ode aan de begeestering. Mocht je weinig of niets hebben met rampenfilms, weet dan dat er in ieder geval zat te lachen valt. Om Dusty dus, maar ook om dr. Melissa Reeves. In de ogen van Hyacinth Bouquet zal ze vast de ideale schoondochter zijn, maar wat de keurige vruchtbaarheidstherapeute in het ruige Twister te zoeken heeft? Raadselachtig. Heel ‘vruchtbaar’ is haar bijdrage niet. Hetzelfde geldt voor Bill’s tegenstrever Jonas Miller (Cary Elwes). De poenige gladjanus bestudeert ook tornado’s, wil Bill te slim af zijn, maar betaalt uiteindelijk een hoge prijs voor zijn arrogantie.

Verre van ‘cheesy’ in de film zijn de special effects; de Oscarnominatie hiervoor kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Echter, Twister legde het in die categorie af tegen de enkele maanden later verschijnende blockbuster Independence Day. Dat neemt niet weg dat de scène waarin een drive-inbioscoop door een tornado aan stukken wordt gescheurd ronduit fantastisch is. Temeer omdat op dat moment The Shining (1980) van Stanley Kubrick wordt vertoond. Bulderende winden en een manisch hakkende Jack Nicholson op het witte doek: prachtig! Vijfentwintig jaar na zijn release is Twister nog altijd wervelend popcornamusement.

 

Regie: Denis Villeneuve | Duur: 155 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Dune is een bont aangeklede prent die je een andere wereld in slingert. “Een soort Star Wars voor volwassenen”, zegt regisseur Denis Villeneuve over zijn nieuwste film die, zo drukt hij ons filmfans op het hart, het best tot zijn recht komt in de bioscoop. Klopt als een bus, en het witte doek kan niet groot genoeg zijn. Toch kom ik na ruim 2,5 uur filmgeweld niet betoverd de zaal uit.

De film is gebaseerd op het werk van Frank Herbert (1920-1986). De Amerikaanse sciencefictionschrijver verwierf grote bekendheid met zijn roman Dune uit 1965, het eerste deel van een zesdelige boekenreeks en het best verkochte SF-boek ooit. Van de hand van David Lynch verscheen in 1984 een eerste verfilming van Herberts boek, met onder anderen Star Trek-icoon Patrick Stewart in de gelederen. Critici waren niet mild in hun oordeel over wat men desalniettemin betitelde als een visueel geslaagde film.

Dune speelt zich af in de verre toekomst, in het jaar 10191. Paul Atreides (Timothée Chalamet) is erfgenaam van het Huis Atreides en voorbestemd om zijn familie en het volk van zijn thuiswereld Caladan te redden van de ondergang. Daartoe onderneemt hij met zijn vader Leto (Oscar Isaac) en zijn moeder Jessica (Rebecca Ferguson) een gevaarlijke reis naar de woestijnplaneet Arrakis. Arrakis, biotoop van de Vrijmans, is rijk aan het zeer kostbare Specie, een grondstof die nergens anders in het universum voorhanden is.

Dune is prachtig gefilmd en vormgegeven, daar valt niet over te twisten. Drie zaken springen er naar mijn mening positief uit: de fraai getailleerde kostuums, de ‘thopter’ (een luchtvaartuig dat op een reusachtige libelle lijkt die een zwaar, propellerachtig geluid produceert) en de op Arrakis levende zandwormen. Kolossale kruipers met een bekkie waar een flinke hap in past. En die ook nog eens pijlsnel zijn, ondanks dat ze zich ondergronds verplaatsen.

Maar Dune is plomp, plomp en nog eens plomp. Ik kan daar mee leven, mits van tijd tot tijd ook mijn ziel wordt gestreeld. Helaas is dat niet het geval. Het verhaal is zeer gericht op de klassieke strijd tussen het goed en het kwaad. Prima, maar de pionnen op het feodale schaakbord zijn nogal flets; inzoomen op de personages zelf is er (te) weinig bij. Op het acteerwerk is niets aan te merken, maar hoofdpersoon Paul is mij in de dagen na mijn biosbezoek niet bijgebleven als de onvergetelijke held, als steunpilaar van het plot.

Ik wil (een) film graag beléven. Essentieel is dan dat ik de personages doorvoel. De good guys en de bad guys. Van alle good guys is de stoere Duncan (Jason Momoa) een van de weinige personages die me raakt. Van de bad guys doet Stellan Skarsgård dat. Als stamhoofd van de wrede Harkonnen biedt de Zweedse acteur een inkijkje in het zenuwcentrum van het kwaad. Toch mis ik in Dune de intensiteit, de oprechtheid, van de clash tussen de twee polaire krachten, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is in The Lord of the Rings-films. Goed en kwaad hebben weliswaar beide een gezicht in Dune, maar de twee uitersten ontberen charisma.

Bovendien had het decor optimaler gebruikt kunnen worden. De woestijn leent zich uitstekend om het heroïsche een mystiek randje te geven. Waarom niet eerst ruim de tijd nemen om door de felblauwe kijkers van de Vrijmans het geheimzinnige Arrakis te verkennen? Waar zijn de langdurige shots van de omgeving? Waarom stroopt de camera niet traag het landschap af? Waar is de spiritualiteit in het geheel? Ik mis de rust en subtiliteit. En ook de muziek (nogal bonkig) van Hans Zimmer wordt me op den duur te veel. Na twee uur Dune heb ik het derhalve wel gezien. En gehoord.

Nee, Dune vind ik geen epos. Vermakelijke Hollywood-kost met een dijk van een cast, ongetwijfeld, maar de stoomwals voor de zintuigen staat te veel op zich. Een spelbreker is verder dat er vrijwel niets te lachen valt en je 155 filmminuten later pas halverwege het verhaal bent. Is er nou wel of geen liefde in het spel tussen Chani en Paul? Het antwoord volgt geheid in Dune 2, waarbij ik hoop dat Villeneuve er voor alles een krachtmeting der karakters van maakt.

 

Regie: Robin Wright | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Vluchten kan Edee niet meer. Halverwege Land, het regiedebuut van Robin Wright, loopt haar weg namelijk dood. Wright regisseert en vertolkt tevens de hoofdrol, waar dat laatste eigenlijk niet gepland was. De in Texas geboren actrice (1966) levert solide acteerwerk af in een niet over de hele linie overtuigend portret van een vrouw op zoek naar zichzelf. De film roept associaties op met het biografische drama Into the Wild uit 2007, geregisseerd door Wrigts ex-echtgenoot Sean Penn.

Na een zeer aangrijpende gebeurtenis voelt Edee zich gedwongen om haar oude leven resoluut de rug toe te keren. Ze tikt een vervallen blokhut in de Rocky Mountains op de kop en begint zo aan een ongewis avontuur. Maar de beoogde ‘expeditie naar binnen’ mondt al snel uit in puur overleven. Nadat een lokale jager (Demián Bichir) Edee van de dood heeft gered, rest haar nog maar één ding: definitief in het reine komen met het verleden.

Ik val met de deur in huis: de laatste vijfentwintig minuten redden dit drama waarvan het plot nogal week is. Een geestelijk in de kreukels liggende dame die bezinning wil en zich daartoe van alles en iedereen afzondert. Leuk bedacht, maar Moeder Natuur is haar behoorlijk vijandig gezind. En bovendien is ze met name fysiek niet gemaakt voor dit soort boude survivalfratsen, zeker als je die solo onderneemt. De eerste helft van Land wordt dan ook besloten met een herhaaldelijk geuite wanhoopskreet: “Dit werkt niet!” Glashelder.

Met de entree van godsgeschenk Miguel (Bichir) hoopte ik op meer verrassing en diepgang. Vooral dat laatste, omdat ook de zachtaardige Miguel een litteken heeft; zoiets schept toch een band. Hij werpt zich op als een mentor van Edee, die inderdaad wel een stoomcursus overleven kan gebruiken. Prima, maar als Miguel haar op zeker moment vertelt welk verlies hij heeft geïncasseerd, kapt Wright mijn inziens de scène te vroeg af. Spijtig, dit was nou hét moment geweest voor een betekenisvolle dialoog, de springplank tot verdere uitdieping van hun connectie. Het acteerwerk in Land is ruim voldoende, de dynamiek tussen Edee en Miguel had alleen een stuk pittiger gemogen.

Wat ik het verder jammer vind in Land, is dat de majesteitelijke Rocky Mountains (in werkelijkheid Alberta, Canada) als filmmotief een te magere rol spelen. Decor en narratief staan los van elkaar, er is geen echte ‘communicatie’ tussen de twee. De woestenij, in combinatie met het isolement, had zowel verhelderend als helend kunnen uitwerken voor Edee, maar in plaats daarvan schiet ze in de irritatie en de vertwijfeling. Naar Miguel toe toont ze zich jammer genoeg een emotioneel gesluierde vrouw; al met al heeft haar ego het roer iets te stevig in handen.

Doch niet getreurd: het timide drama kent een sterk slot. Edee neemt dan het heft in eigen handen en gaat op zoek naar Miguel, de man die plotseling aan haar verscheen en net zo snel weer verdween. Wat je een ruim een uur lang mist, namelijk wezenlijke uitwisseling van ziel tot ziel, vindt tijdens de laatste minuten van Land gelukkig wél plaats. Geheimen sneuvelen en tranen rollen. Waarna Edee’s corridor richting de wereld en haar menselijke bewoners weer een beetje open ligt.

Regie: Joseph Kosinski | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

‘Earth is a memory worth fighting for’. Dat is de slagzin van de SF-film Oblivion van Amerikaans filmmaker Joseph Kosinski. Oblivion (‘vergetelheid’) is de verfilming van Kosinski’s graphic novel met dezelfde titel. Dat de film geen hoge ogen gooide, komt vooral door het plot waar van alles mis mee is. Waar helemaal niets mis mee is, is het production design. Ander dik pluspunt: de soundtrack.

Het jaar 2077. Na een invasie door buitenaardse wezens (Scavengers) en de nucleaire tegenaanval van de mens is de aarde onbewoonbaar geworden. Overlevenden wonen inmiddels op Titan, een maan van de planeet Saturnus. Slechts een handjevol mensen waagt zich nog op het aardoppervlak. Een van hen is Jack Harper (Tom Cruise). De technicus repareert de drones die worden ingezet tegen de ‘Scavs’. Jack wordt daarbij geholpen door zijn verbindingsofficier Victoria (Andrea Riseborough). Hun missie zit er bijna op, totdat Jack op een dag een mysterieuze vrouw redt uit een neergestort ruimteschip.

Oblivion is de moeite waard vanwege het jasje waarin de film is gestoken. Zeg maar jas, want kosten noch moeite zijn gespaard. Een behoorlijk deel van het totale budget (zo’n 120 miljoen dollar) is gaan zitten in het op schaal nabouwen van het bubbleship, het wendbare vehikel waarin Jack tussen hemel en aarde pendelt. Zeer geslaagd is tevens de strak ontworpen sky tower, woning en kantoor tegelijk, welke middels een smalle pin met de aarde is verbonden. Je waant je in Oblivion letterlijk in de wolken, want de luchten die het zweefhuis van Jack en Victoria omgeven zijn puur natuur; ze zijn geschoten vanaf een vulkaan op het eiland Maui (Hawaï). Avond- en ochtendrood verzachten zo de kille blauw-, grijs-, en wittinten van hun residentie en hun outfits. Een fabelachtig mooie filmset.

Minder hemels is de aanblik van Moeder Aarde op zeeniveau. Stofvlaktes, kraters en resten van de menselijke beschaving, zoals enorme scheepswrakken en skeletten van bouwwerken, geven haar een troosteloos aanzien. Ook het Pentagon en het stadion van de New York Yankees liggen in puin. De verwoesting lijkt totaal, maar een paar groene berghellingen fleuren de doodse korst wat op. Er is dus nog leven! Wat een bizarre realiteit schept Kosinski in Oblivion. “Beautiful desolation” typeert de begenadigd plaatjesdenker het treffend.

Artistiek gezien staat Oblivion als een huis, maar het verhaal ontspoort op den duur. Tot het moment waarop Julia (de mysterieuze vrouw, gespeeld door Olga Kurylenko) hardhandig kennismaakt met het fenomeen zwaartekracht, is het allemaal prima te volgen. Wel daarbij de volgende kanttekening: het is niet handig van Kosinksi om al in de openingsscène voor te sorteren op Julia’s entree. Bedoeld als teaser? Het heeft het effect van een spoiler. En aan Olga Kurylenko het verzoek om ook eens míjn tuin als crashsite uit te kiezen; dan kijk je later toch een stuk prettiger terug op de lockdown. Grinnik.

Julia schudt Jack nog verder wakker. Ze neemt namelijk een centrale plaats in binnen zijn herinneringen aan het aardse bestaan voor de oorlog. Herinneringen die op de gekste momenten opborrelen, maar die hij eigenlijk niet meer kan hebben omdat zijn geheugen is gewist. Het nieuwsgierige aagje gaat hierop op onderzoek uit, wat tegen het zere been is van zijn gezagsgetrouwe partner Victoria. Het acteerwerk is oké (fijn om oude vos Morgan Freeman ook nog even in actie te zien), maar Julia is de gamechanger in de film. De liefde van Victoria brokkelt hierna snel af, wat tevens gezegd kan worden van de verhaalstructuur.

Een narratief kaartenhuis dat eruitziet als een sprookjesvilla: Oblivion laat je achter met dubbele gevoelens. Ik hou trouw vast aan het Blik Op Film-concept door niet te veel te verklappen, maar eerlijk is eerlijk: ik kon ik er na driekwart film geen touw meer aan vastknopen. Ontzettend jammer, want de vormgeving en de werkelijk epische soundtrack (het fantastische resultaat van de samenwerking tussen de Franse band M83 en componist Joseph Trapanese) hadden een verhaal met smoel verdiend. Werk aan de schrijfwinkel, meneer Kosinski.

Regie: Alice Winocour | Duur: 107 minuten | Taal: Engels, Frans, Russisch & Duits | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Ruimtefilms staan dikwijls garant voor rampspoed, robuuste actie en vlotte visuals. Maar Proxima valt niet te betrappen op die blockbusterkwalen. De film is ‘easy going’ en speelt zich bovendien af op de grond. Tot zover het goede nieuws. Minder prettig: regisseur Alice Winocour slaagt er niet in om van Proxima een pakkend drama te maken.

De Franse astronaute Sarah (Eva Green) wordt geselecteerd voor een ruimtemissie. Ter voorbereiding moet ze een pittige training afwerken en krijgt ze te maken met een door mannen gedomineerde werkomgeving. Maar vooral de wetenschap dat ze haar achtjarige dochtertje Stella (Zélie Boulant) een jaar lang zal moeten missen, doet haar hart bloeden.

Verwachtingen had ik volop, maar jeetje wat kom ik sip de bioscoop uit. Eva Green, lovely Eva Green. Ik viel als een blok voor haar spel als Bondgirl in Casino Royale (2006). Had ik mijn levendige herinneringen aan de mysterieuze Vesper Lynd maar geschrapt voordat ik aan Proxima begon; een leermomentje. Niet dat Green er ineens weinig van bakt, maar serieus getest wordt ze evenmin.

Tergend langzaam de navelstreng doorknippen. Ik besef dat dit beeld niet erg smakelijk is, maar het is wel het euvel waar Proxima onder lijdt. Eigenlijk draait de film om maar één ding: het naderende afscheid tussen moeder en dochter. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven hun relatie. En behalve het eenzijdige plot is de sfeer behoorlijk landerig. Bijna honderd minuten verstrijken tot Sarahs werkelijke vertrek vanaf de raketlanceerbasis in Bajkonoer. Die eeuwige aftelprocedure is een uitstekend slaapmiddel.

De honderd minuten draaien hoofdzakelijk om de dynamiek tussen een volwassen vrouw en een jong kind. Sarahs moederinstinct en schurende dilemma zijn uiteraard perfect voorstelbaar. Een halfuur lang is het verhaal dan ook nog aardig te verteren. Daarna krijgt zeurderigheid de overhand. Moeder kan kind niet loslaten, kind kaatst het balletje terug. Kind boos, moeder verdrietig. Kind verdrietig, moeder boos. Hun ongezonde symbiose is niet leuk om naar te kijken. Op het vervelende af.

Bijna vergeet je dat Sarah ook nog een ambitieuze astronaute is. Alhoewel: fysiek en mentaal wordt de training haar op den duur te veel. Collega-astronaut Mike Shannon (Matt Dillon) werpt zich maar wat graag op als een soort beschermheer, maar in haar beperkte universum is er nauwelijks plek voor hem. Niet zo vreemd, bedenk ik na een uur, dat ze tevens gescheiden is van haar Duitse echtgenoot Thomas, een astrofysicus die trouwens ook niet van het doek spat.

Wat dan wél leuk is aan Proxima? De bescheiden bijdrage van Aleksey Fateev. Het is het spaarzame hoogtepuntje in een film die zich in drie woorden laat samenvatten: missie niet volbracht. Pff, wat hunker ik na dit weke melodrama naar een ruimtefilm waarin, heerlijk ouderwets, op volle toeren de gehaktmolen draait.

Regie: Debra Granik | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Mijn pen stokt tijdens Leave No Trace. Na de film blijf ik prettig verdoofd achter en staart nagenoeg wit papier mij aan. Terug op aarde reflecteer ik hardop: ze gaan door voor hulpbehoevend omdat ze dakloos zijn, maar voelen zich er juist thuis. Ze zíjn er thuis. Hoe anders is die andere realiteit? Het functionele hart van onze beschaving genoemd. Een biotoop opgetrokken uit staal, asfalt en beton. Bevolkt door krioelende eilandjes die anticiperen op een serieuze nekhernia omdat ze getrouwd zijn met hun smartphone.

In Leave No Trace maken we kennis met Will (Ben Foster) en de 13-jarige Tom (Thomasin McKenzie). Vader en dochter. Ze wonen in de periferie van de Brave New World: het Forest Park van Portland (Oregon), een uitgestrekt natuurreservaat in het noordwesten van de VS. Op een dag worden ze ontdekt door een jogger, waarna de autoriteiten voor hen op zoek gaan naar andere huisvesting.

Leave No Trace is een film met een voorgeschiedenis. In 2004 las schrijver Peter Rock namelijk in de krant over een vader (Frank) en diens dochter (Ruth) die hun jarenlange verblijf in het bewuste park abrupt beëindigd zagen worden. Vijf jaar later publiceerde Rock zijn roman My Abandonment. Het verhaal greep de Amerikaanse regisseur Debra Granik (1963) bij de keel, geïntrigeerd als ze is door mensen die ‘off the grid’ leven.

Ook oorlogsveteraan Will treft dat lot. Granik is begaan met de militairen die ooit, in oorlogstijd, als nationale helden door het leven gingen om erna een bestaan in de marge te leiden. Arm, afgedankt en niet zelden zwaar aan de medicatie. Kijk naar haar documentaire Stray Dog uit 2014. Wat doet het beeld of geluid van een helikopter met je als je in Vietnam, Irak of Afghanistan hebt gediend en terugkeert met een posttraumatische stressstoornis?

Het verklaart Wills vluchtgedrag, zijn non-conformisme. Is Moeder Natuur dan niet de meest helende omgeving die je je kunt wensen? Ja, fluistert Granik ons op fluwelen wijze in. Het openingsshot is meteen al een plaatje; de eerste slok uit een volle kelk groen, de overheersende kleur in Leave No Trace. Kleur van het hart. Van het in harmonie leven met elkaar en de omgeving, zoals vader en dochter dat doen. Zelf vuur maken, eten zoeken of water opvangen. Een boek lezen. Een potje schaken. De sterretjes in Toms ogen als ze naast het bospad een fonkelend halskettinkje ziet liggen. Geluk halen uit de meest simpele dingen.

Valt er, behalve jongeren die selfies maken – wat een debiel gedoe, deelt Granik haar verwondering met ons –, dan niets positiefs te melden over die andere realiteit? Gelukkig wel. Neem de twee maatschappelijk werkers die Will en Tom begeleiden richting een nieuwe start. Ze doen dat uiterst liefdevol. Neem pastoor Spencer die eerst zijn toehoorders in de zaal aanspoort om elkaar te begroeten, en vervolgens met trots de ‘For His Glory Dance Troop’ aankondigt. Wat volgt is vertederend. En ook een beetje hilarisch. Wat zijn mensen toch schattige wezens.

“We can still think our own thoughts”, relativeert Will de totaal nieuwe situatie waarin het onafscheidelijke duo na de verhuizing is beland. Maar die situatie fungeert als splijtzwam. Vooral sociaal gezien gaat er voor Tom namelijk een wereld open, terwijl Will doodongelukkig is. Behalve dat Leave No Trace existentialistische thema’s aankaart, krijgt de film vanaf dan ook steeds nadrukkelijker een coming-of-age-element. Gaat Tom haar eigen weg en laat Will haar gaan? Dat proces der ‘ontkoppeling’ vangt Granik in een scène waarbij je even moet slikken. Een tien voor het acteerwerk en zonder twijfel het hoogtepunt van een sereen filmdrama dat zijn sporen nalaat.

Ter nagedachtenis aan
Philip Engelen 
1938 – 2010

 Regie: Joe Penna | Duur: 98 minuten | Taal: Engels, Deens | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

In de Los Angeles Times betitelt de Deense acteur Mads Mikkelsen (1965) ze als “the most difficult” uit zijn loopbaan: de opnames voor Arctic. Het overlevingsdrama uit 2018 is het regiedebuut van de Braziliaanse muzikant en YouTuber Joe Penna. En Penna mag met recht trots zijn op zichzelf: Artic gaat je beslist niet in de koude kleren zitten.

Mikkelsen speelt Overgård, een man die met zijn vliegtuigje is neergestort op de Noordpool. Meer smaken dan overleven en wachten op redding heeft hij niet. Op een dag wordt hij tot zijn vreugde door een helikopter opgemerkt, maar bij slecht weer boort ook die zich in de sneeuw. Zonder aarzelen bekommert hij zich vervolgens om de gewond geraakte copilote (Maria Thelma Smáradóttir).

Onder de begintitels wordt de gierende wind hoorbaar, die overgaat in een hakkend geluid. Op enige afstand zien we Mikkelsen bezig. Ploeterend. Dat eerste shot (vast camerastandpunt) duurt een seconde of veertig. Perfect. Even later (mooi shot) blijkt de omvang van het karwei waar hij mee bezig is. Hij moet daar dus al een tijdje zijn. Meer informatie krijg je niet.

Het ontbreken van referentiepunten maakt Arctic tot een uiterst boeiende expeditie, meesterlijk geleid door Mads ‘in de rats’ Mikkelsen. Overgårds dagelijkse bezigheden op de ijzige poolvlakte (IJsland vormt het decor) hangt van routineklusjes aan elkaar. Met de crash van de helikopter lijkt zijn lot bezegeld te zijn. Niets is minder waar. Mikkelsen: “There is a difference between surviving and being alive, and there was no life left in him until then.”

De gewonde dame, nauwelijks aanspreekbaar, is ironisch genoeg zijn reddingsboei. Als vanzelf schakelt Overgård een versnelling hoger. Het feit dat hij plots de zorg over iemand anders heeft, doet hem besluiten aan een levensgevaarlijke tocht dwars door de diepvries te beginnen. Tjonge, wat is Mikkelsen in bloedvorm. Je hoeft Arctic niet te kijken vanwege het plot (veel gebeurt er niet), wél als je van doorleefd spel houdt. Gortdroge noedels die smaken naar kaviaar? Mikkelsen doet het je geloven.

Op het filmfestival van Cannes ontving Arctic een staande ovatie van tien minuten. Uiteraard veel lof voor Mikkelsen (Oscarwaardige performance) en voor Joe Penna, maar vergeet ook niet de topprestatie van de overige crewleden. Een productie onder de meest barre omstandigheden. Daarom ook brandt mij de vraag op de lippen: wat moet Penna in vredesnaam meegemaakt hebben om tot zo’n film te (kunnen) komen? Welk intens gevecht ligt ten grondslag aan deze adembenemende galavoorstelling op ijs?

 

 Regie: James Gray | Duur: 123 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Maanpiraten die met scherp schieten en een bloeddorstige aap die een ruimtelab op stelten zet. Niet voor niets concludeert astronaut Roy McBride in Ad Astra dat de mens van het heelal net zo’n bende maakt als van “the big blue marble”. Jammerlijk bovendien is dat Ad Astra nogal zweeft. Uiteraard omdat het SF-drama het eindeloze niets als setting heeft, maar vooral omdat de goede bedoelingen van regisseur James Gray uitmonden in een potpourriplot.

Een flitsend begin heeft Ad Astra wel. Roy (Brad Pitt) is bezig met werkzaamheden aan een ‘ruimtespeld’, een kilometers hoge, met het aardoppervlak verbonden smalle toren. Wanneer deze getroffen wordt door The Surge (De Piek, een geheimzinnige elektrische puls), moet hij lossen en zijn meerdere erkennen in de zwaartekracht. De Piek blijkt van Neptunus te komen, de planeet waar ooit zijn voor dood aangenomen vader Clifford (Tommy Lee Jones) de leiding had over het zogenaamde Lima Project. Is het een SOS van zijn vader? Zou hij dan toch nog in leven zijn? Gerekruteerd door kolonel Pruitt (Donald Sutherland) begint Roy aan een missie naar de rand van ons zonnestelsel.

Het is de nabije toekomst, een era van “conflict and hope”, leren de openingstitels. Tja, welk tijdperk is dat niet? Van positivisme of hoop is echter geen sprake in Ad Astra; de film ademt een en al zwaarmoedigheid. Exemplarisch daarvoor is Roy, de ietwat autistische zoon van de pionier waar zijn verdwenen vader voor doorgaat. Roy is geen prater en de meeste van zijn overpeinzingen komen dan ook via de voice-over tot ons. Het instrument neemt Pitt eigenlijk het werk uit handen; een fonkelende ster is hij in deze film in ieder geval niet. Het helpt ook niet dat zijn personage flets is. En blijft. Monotoon stemgeluid, stoïcijnse expressie, statische motoriek.

Wat betreft het trio sidekicks van formaat in Ad Astra (Donald Sutherland, Tommy Lee Jones en Liv Tyler): ook zij brengen niet de broodnodige schwung. Sutherland wekt de indruk naar het bejaardentehuis te verlangen en Tylers duit in het zakje is zo minimaal dat, mocht je de zaal even verlaten omdat je naar de wc moet, je haar melkwitte snoetje zou kunnen mislopen. Tommy Lee Jones ten slotte speelt een enorme zuurpruim die amper ontdooit als hij, vele jaren later, ineens oog in oog staat met zijn zoon. Het slot van Ad Astra raakt kant noch wal. Melodrama.

Pover spel en doodlopende verhaallijnen. Waarom versteent kapitein Tanner als de daling naar Mars wordt ingezet? Geen idee. Wat behelst het Lima Project precies? Geen idee. Wie of wat veroorzaakt nou die stroomstoten? Geen idee. Strakke visuals en een paar acteerkanonnen dichten niet per se alle gaten, laat dat duidelijk zijn. Treur echter niet: Hoyte van Hoytema is de cameraman van dienst en de soundtrack is erg oké. Toch nog twee sterren aan een grijs firmament.