Regie: Denis Villeneuve | Duur: 155 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Dune is een bont aangeklede prent die je een andere wereld in slingert. “Een soort Star Wars voor volwassenen”, zegt regisseur Denis Villeneuve over zijn nieuwste film die, zo drukt hij ons filmfans op het hart, het best tot zijn recht komt in de bioscoop. Klopt als een bus, en het witte doek kan niet groot genoeg zijn. Toch kom ik na ruim 2,5 uur filmgeweld niet betoverd de zaal uit.

De film is gebaseerd op het werk van Frank Herbert (1920-1986). De Amerikaanse sciencefictionschrijver verwierf grote bekendheid met zijn roman Dune uit 1965, het eerste deel van een zesdelige boekenreeks en het best verkochte SF-boek ooit. Van de hand van David Lynch verscheen in 1984 een eerste verfilming van Herberts boek, met onder anderen Star Trek-icoon Patrick Stewart in de gelederen. Critici waren niet mild in hun oordeel over wat men desalniettemin betitelde als een visueel geslaagde film.

Dune speelt zich af in de verre toekomst, in het jaar 10191. Paul Atreides (Timothée Chalamet) is erfgenaam van het Huis Atreides en voorbestemd om zijn familie en het volk van zijn thuiswereld Caladan te redden van de ondergang. Daartoe onderneemt hij met zijn vader Leto (Oscar Isaac) en zijn moeder Jessica (Rebecca Ferguson) een gevaarlijke reis naar de woestijnplaneet Arrakis. Arrakis, biotoop van de Vrijmans, is rijk aan het zeer kostbare Specie, een grondstof die nergens anders in het universum voorhanden is.

Dune is prachtig gefilmd en vormgegeven, daar valt niet over te twisten. Drie zaken springen er naar mijn mening positief uit: de fraai getailleerde kostuums, de ‘thopter’ (een luchtvaartuig dat op een reusachtige libelle lijkt die een zwaar, propellerachtig geluid produceert) en de op Arrakis levende zandwormen. Kolossale kruipers met een bekkie waar een flinke hap in past. En die ook nog eens pijlsnel zijn, ondanks dat ze zich ondergronds verplaatsen.

Maar Dune is plomp, plomp en nog eens plomp. Ik kan daar mee leven, mits van tijd tot tijd ook mijn ziel wordt gestreeld. Helaas is dat niet het geval. Het verhaal is zeer gericht op de klassieke strijd tussen het goed en het kwaad. Prima, maar de pionnen op het feodale schaakbord zijn nogal flets; inzoomen op de personages zelf is er (te) weinig bij. Op het acteerwerk is niets aan te merken, maar hoofdpersoon Paul is mij in de dagen na mijn biosbezoek niet bijgebleven als de onvergetelijke held, als steunpilaar van het plot.

Ik wil (een) film graag beléven. Essentieel is dan dat ik de personages doorvoel. De good guys en de bad guys. Van alle good guys is de stoere Duncan (Jason Momoa) een van de weinige personages die me raakt. Van de bad guys doet Stellan Skarsgård dat. Als stamhoofd van de wrede Harkonnen biedt de Zweedse acteur een inkijkje in het zenuwcentrum van het kwaad. Toch mis ik in Dune de intensiteit, de oprechtheid, van de clash tussen de twee polaire krachten, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is in The Lord of the Rings-films. Goed en kwaad hebben weliswaar beide een gezicht in Dune, maar de twee uitersten ontberen charisma.

Bovendien had het decor optimaler gebruikt kunnen worden. De woestijn leent zich uitstekend om het heroïsche een mystiek randje te geven. Waarom niet eerst ruim de tijd nemen om door de felblauwe kijkers van de Vrijmans het geheimzinnige Arrakis te verkennen? Waar zijn de langdurige shots van de omgeving? Waarom stroopt de camera niet traag het landschap af? Waar is de spiritualiteit in het geheel? Ik mis de rust en subtiliteit. En ook de muziek (nogal bonkig) van Hans Zimmer wordt me op den duur te veel. Na twee uur Dune heb ik het derhalve wel gezien. En gehoord.

Nee, Dune vind ik geen epos. Vermakelijke Hollywood-kost met een dijk van een cast, ongetwijfeld, maar de stoomwals voor de zintuigen staat te veel op zich. Een spelbreker is verder dat er vrijwel niets te lachen valt en je 155 filmminuten later pas halverwege het verhaal bent. Is er nou wel of geen liefde in het spel tussen Chani en Paul? Het antwoord volgt geheid in Dune 2, waarbij ik hoop dat Villeneuve er voor alles een krachtmeting der karakters van maakt.

 

Regie: John Krasinski | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

John Krasinski keert terug als acteur in A Quiet Place Part II. Het is een kortstondig optreden van de man die ook weer de regie in handen heeft, want zijn personage (Lee Abbott) sterft in A Quiet Place (2018) een heldhaftige dood. Hoe hij dan toch van de partij kan zijn? Omdat deze sequel begint met dag 1, terwijl deel 1 met dag 89 opent. Deel 2 start met de dag waarop de aliens de aardbol aandoen. En dat gaat bepaald niet geruisloos.

Daarmee tapt dit vervolg direct uit een ander vaatje: binnen 5 minuten is de chaos namelijk compleet. Voordeel is dat je wordt meegezogen in het verhaal. Maar waar het nu direct ‘even Apeldoorn bellen’ geblazen is, duurt het in de eerste film feitelijk tot de slotscène eer de scherphorende wezens zich in vol ornaat tonen. Het gemis van zo’n lange, onheilspellende aanloop is de voornaamste reden dat part II minder intrigeert dan het eerste deel.

Na ongeveer 15 minuten behoren de gebeurtenissen van dag 1 tot het verleden en gaat het verhaal verder waar deel 1 eindigde: in het huis van de Abbotts. Al snel verplaatst het decor zich vervolgens, want het tot vier leden gereduceerde gezin (moeder Evelyn, haar baby en haar twee kinderen Regan en Marcus) besluiten hun heil elders te zoeken. Maar uiteraard zit het buitenaardse geboefte hen binnen de kortste keren op de hielen. Waarmee deel 2 zich ontvouwt tot een soort kat-en-muisspel, terwijl het in deel 1 vooral ging om ‘verstoppertje spelen’.

Cillian Murphy (als Emmett) vervangt in zekere zin de weggevallen Krasinski, maar Emmett is niet te vergelijken met Lee. Murphy vertolkt geen vaderfiguur, eerder een zwerver die Evelyn en haar kroost tijdelijk duldt in het hol waar hij zit ondergedoken. Wanneer Regan een list bedenkt om de aliens te slim af te zijn, vangt ze dan ook bot bij Emmett. Dan maar alleen op pad, denkt de dappere dame. De parallel met deel 1 is evident: ook nu valt het gezin uit elkaar, maar dat gegeven voelt beduidend minder dramatisch aan omdat de emotionele band tussen Emmett en de Abbotts afwezig is. Emmett is een bange zeur, niet de liefhebbende vader die Lee was.

Murphy’s spel is oké, maar meer ook niet. Emily Blunt (Evelyn), Millicent Simmonds (Regan) en Noah Jupe (Marcus) zijn daarentegen wel ‘eyecatchers’. Blunt doet haar geweldige spel nog eens dunnetjes over. En Simmonds, als kind reeds doof door een overdosis medicatie, staat nu meer centraal dan in de eerste film, maar ze betaalt die eer ruimschoots terug. Knap wat de jonge actrice laat zien in een rol die aan Lee doet denken: die van het krachtige gezinshoofd. Het is dankzij een een-tweetje tussen haar en Marcus, op het einde van de film, dat de wezens het nakijken hebben. Voorlopig dan, want deel 3 zit in de pijplijn.

Héél stil ben ik niet van A Quiet Place Part II. De film zal je niet bijblijven vanwege het plot, noch door de ontknoping ervan (die een belletje doet rinkelen). Maar ga toch naar de bios, want er is genoeg moois te zien. Goed acteerwerk, een paar knetterende jump scares en ook de locaties spreken tot de verbeelding. Een krakend huis, weggestopt tussen de maïsvelden, werkte al prima. Maar het sinistere decor waar de arme Abbotts dit keer terechtkomen? Brr.

 

Regie: Joseph Kosinski | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

‘Earth is a memory worth fighting for’. Dat is de slagzin van de SF-film Oblivion van Amerikaans filmmaker Joseph Kosinski. Oblivion (‘vergetelheid’) is de verfilming van Kosinski’s graphic novel met dezelfde titel. Dat de film geen hoge ogen gooide, komt vooral door het plot waar van alles mis mee is. Waar helemaal niets mis mee is, is het production design. Ander dik pluspunt: de soundtrack.

Het jaar 2077. Na een invasie door buitenaardse wezens (Scavengers) en de nucleaire tegenaanval van de mens is de aarde onbewoonbaar geworden. Overlevenden wonen inmiddels op Titan, een maan van de planeet Saturnus. Slechts een handjevol mensen waagt zich nog op het aardoppervlak. Een van hen is Jack Harper (Tom Cruise). De technicus repareert de drones die worden ingezet tegen de ‘Scavs’. Jack wordt daarbij geholpen door zijn verbindingsofficier Victoria (Andrea Riseborough). Hun missie zit er bijna op, totdat Jack op een dag een mysterieuze vrouw redt uit een neergestort ruimteschip.

Oblivion is de moeite waard vanwege het jasje waarin de film is gestoken. Zeg maar jas, want kosten noch moeite zijn gespaard. Een behoorlijk deel van het totale budget (zo’n 120 miljoen dollar) is gaan zitten in het op schaal nabouwen van het bubbleship, het wendbare vehikel waarin Jack tussen hemel en aarde pendelt. Zeer geslaagd is tevens de strak ontworpen sky tower, woning en kantoor tegelijk, welke middels een smalle pin met de aarde is verbonden. Je waant je in Oblivion letterlijk in de wolken, want de luchten die het zweefhuis van Jack en Victoria omgeven zijn puur natuur; ze zijn geschoten vanaf een vulkaan op het eiland Maui (Hawaï). Avond- en ochtendrood verzachten zo de kille blauw-, grijs-, en wittinten van hun residentie en hun outfits. Een fabelachtig mooie filmset.

Minder hemels is de aanblik van Moeder Aarde op zeeniveau. Stofvlaktes, kraters en resten van de menselijke beschaving, zoals enorme scheepswrakken en skeletten van bouwwerken, geven haar een troosteloos aanzien. Ook het Pentagon en het stadion van de New York Yankees liggen in puin. De verwoesting lijkt totaal, maar een paar groene berghellingen fleuren de doodse korst wat op. Er is dus nog leven! Wat een bizarre realiteit schept Kosinski in Oblivion. “Beautiful desolation” typeert de begenadigd plaatjesdenker het treffend.

Artistiek gezien staat Oblivion als een huis, maar het verhaal ontspoort op den duur. Tot het moment waarop Julia (de mysterieuze vrouw, gespeeld door Olga Kurylenko) hardhandig kennismaakt met het fenomeen zwaartekracht, is het allemaal prima te volgen. Wel daarbij de volgende kanttekening: het is niet handig van Kosinksi om al in de openingsscène voor te sorteren op Julia’s entree. Bedoeld als teaser? Het heeft het effect van een spoiler. En aan Olga Kurylenko het verzoek om ook eens míjn tuin als crashsite uit te kiezen; dan kijk je later toch een stuk prettiger terug op de lockdown. Grinnik.

Julia schudt Jack nog verder wakker. Ze neemt namelijk een centrale plaats in binnen zijn herinneringen aan het aardse bestaan voor de oorlog. Herinneringen die op de gekste momenten opborrelen, maar die hij eigenlijk niet meer kan hebben omdat zijn geheugen is gewist. Het nieuwsgierige aagje gaat hierop op onderzoek uit, wat tegen het zere been is van zijn gezagsgetrouwe partner Victoria. Het acteerwerk is oké (fijn om oude vos Morgan Freeman ook nog even in actie te zien), maar Julia is de gamechanger in de film. De liefde van Victoria brokkelt hierna snel af, wat tevens gezegd kan worden van de verhaalstructuur.

Een narratief kaartenhuis dat eruitziet als een sprookjesvilla: Oblivion laat je achter met dubbele gevoelens. Ik hou trouw vast aan het Blik Op Film-concept door niet te veel te verklappen, maar eerlijk is eerlijk: ik kon ik er na driekwart film geen touw meer aan vastknopen. Ontzettend jammer, want de vormgeving en de werkelijk epische soundtrack (het fantastische resultaat van de samenwerking tussen de Franse band M83 en componist Joseph Trapanese) hadden een verhaal met smoel verdiend. Werk aan de schrijfwinkel, meneer Kosinski.

Regie: Alice Winocour | Duur: 107 minuten | Taal: Engels, Frans, Russisch & Duits | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Ruimtefilms staan dikwijls garant voor rampspoed, robuuste actie en vlotte visuals. Maar Proxima valt niet te betrappen op die blockbusterkwalen. De film is ‘easy going’ en speelt zich bovendien af op de grond. Tot zover het goede nieuws. Minder prettig: regisseur Alice Winocour slaagt er niet in om van Proxima een pakkend drama te maken.

De Franse astronaute Sarah (Eva Green) wordt geselecteerd voor een ruimtemissie. Ter voorbereiding moet ze een pittige training afwerken en krijgt ze te maken met een door mannen gedomineerde werkomgeving. Maar vooral de wetenschap dat ze haar achtjarige dochtertje Stella (Zélie Boulant) een jaar lang zal moeten missen, doet haar hart bloeden.

Verwachtingen had ik volop, maar jeetje wat kom ik sip de bioscoop uit. Eva Green, lovely Eva Green. Ik viel als een blok voor haar spel als Bondgirl in Casino Royale (2006). Had ik mijn levendige herinneringen aan de mysterieuze Vesper Lynd maar geschrapt voordat ik aan Proxima begon; een leermomentje. Niet dat Green er ineens weinig van bakt, maar serieus getest wordt ze evenmin.

Tergend langzaam de navelstreng doorknippen. Ik besef dat dit beeld niet erg smakelijk is, maar het is wel het euvel waar Proxima onder lijdt. Eigenlijk draait de film om maar één ding: het naderende afscheid tussen moeder en dochter. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven hun relatie. En behalve het eenzijdige plot is de sfeer behoorlijk landerig. Bijna honderd minuten verstrijken tot Sarahs werkelijke vertrek vanaf de raketlanceerbasis in Bajkonoer. Die eeuwige aftelprocedure is een uitstekend slaapmiddel.

De honderd minuten draaien hoofdzakelijk om de dynamiek tussen een volwassen vrouw en een jong kind. Sarahs moederinstinct en schurende dilemma zijn uiteraard perfect voorstelbaar. Een halfuur lang is het verhaal dan ook nog aardig te verteren. Daarna krijgt zeurderigheid de overhand. Moeder kan kind niet loslaten, kind kaatst het balletje terug. Kind boos, moeder verdrietig. Kind verdrietig, moeder boos. Hun ongezonde symbiose is niet leuk om naar te kijken. Op het vervelende af.

Bijna vergeet je dat Sarah ook nog een ambitieuze astronaute is. Alhoewel: fysiek en mentaal wordt de training haar op den duur te veel. Collega-astronaut Mike Shannon (Matt Dillon) werpt zich maar wat graag op als een soort beschermheer, maar in haar beperkte universum is er nauwelijks plek voor hem. Niet zo vreemd, bedenk ik na een uur, dat ze tevens gescheiden is van haar Duitse echtgenoot Thomas, een astrofysicus die trouwens ook niet van het doek spat.

Wat dan wél leuk is aan Proxima? De bescheiden bijdrage van Aleksey Fateev. Het is het spaarzame hoogtepuntje in een film die zich in drie woorden laat samenvatten: missie niet volbracht. Pff, wat hunker ik na dit weke melodrama naar een ruimtefilm waarin, heerlijk ouderwets, op volle toeren de gehaktmolen draait.

 Regie: James Gray | Duur: 123 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Maanpiraten die met scherp schieten en een bloeddorstige aap die een ruimtelab op stelten zet. Niet voor niets concludeert astronaut Roy McBride in Ad Astra dat de mens van het heelal net zo’n bende maakt als van “the big blue marble”. Jammerlijk bovendien is dat Ad Astra nogal zweeft. Uiteraard omdat het sf-drama het eindeloze niets als setting heeft, maar vooral omdat de goede bedoelingen van regisseur James Gray uitmonden in een potpourriplot.

Een flitsend begin heeft Ad Astra wel. Roy (Brad Pitt) is bezig met werkzaamheden aan een ‘ruimtespeld’, een kilometers hoge, met het aardoppervlak verbonden smalle toren. Wanneer deze getroffen wordt door The Surge (De Piek, een geheimzinnige elektrische puls), moet hij lossen en zijn meerdere erkennen in de zwaartekracht. De Piek blijkt van Neptunus te komen, de planeet waar ooit zijn voor dood aangenomen vader Clifford (Tommy Lee Jones) de leiding had over het zogenaamde Lima Project. Is het een SOS van zijn vader? Zou hij dan toch nog in leven zijn? Gerekruteerd door kolonel Pruitt (Donald Sutherland) begint Roy aan een missie naar de rand van ons zonnestelsel.

Het is de nabije toekomst, een era van “conflict and hope”, leren de openingstitels. Tja, welk tijdperk is dat niet? Van positivisme of hoop is echter geen sprake in Ad Astra; de film ademt een en al zwaarmoedigheid. Exemplarisch daarvoor is Roy, de ietwat autistische zoon van de pionier waar zijn verdwenen vader voor doorgaat. Roy is geen prater en de meeste van zijn overpeinzingen komen dan ook via de voice-over tot ons. Het instrument neemt Pitt eigenlijk het werk uit handen; een fonkelende ster is hij in deze film in ieder geval niet. Het helpt ook niet dat zijn personage flets is. En blijft. Monotoon stemgeluid, stoïcijnse expressie, statische motoriek.

Wat betreft het trio sidekicks van formaat in Ad Astra (Donald Sutherland, Tommy Lee Jones en Liv Tyler): ook zij brengen niet de broodnodige schwung. Sutherland wekt de indruk naar het bejaardentehuis te verlangen en Tylers duit in het zakje is zo minimaal dat, mocht je de zaal even verlaten omdat je naar de wc moet, je haar melkwitte snoetje zou kunnen mislopen. Tommy Lee Jones ten slotte speelt een enorme zuurpruim die amper ontdooit als hij, vele jaren later, ineens oog in oog staat met zijn zoon. Het slot van Ad Astra raakt kant noch wal. Melodrama.

Pover spel en doodlopende verhaallijnen. Waarom versteent kapitein Tanner als de daling naar Mars wordt ingezet? Geen idee. Wat behelst het Lima Project precies? Geen idee. Wie of wat veroorzaakt nou die stroomstoten? Geen idee. Strakke visuals en een paar acteerkanonnen dichten niet per se alle gaten, laat dat duidelijk zijn. Treur echter niet: Hoyte van Hoytema is de cameraman van dienst en de soundtrack is erg oké. Toch nog twee sterren aan een grijs firmament.

 Regie: Wes Anderson | Duur: 101 minuten | Taal: Engels & Japans | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Wes Anderson is de naam. Schilder onder de cineasten. Zijn films zijn feeëriek, ongrijpbaar, vaak ook een tikkeltje rauw. En vooral wonderbaarlijk fraai gestileerd. Denk aan Fantastic Mr. Fox (2009), Moonrise Kingdom (2012) of het knotsgekke The Grand Budapest Hotel (2014). Met zijn nieuwste creatie overtreft hij zichzelf nog maar eens: de stopmotionanimatiefilm Isle of Dogs doet je beslist als een ‘WAF’ (Wes Anderson-Fan) huiswaarts keren.

Isle of Dogs speelt zich af in het dystopische Megasaki, een stad in Japan. Na het uitroepen van de noodtoestand verbant de corrupte burgemeester Kobayashi alle honden in de stad naar een vuilnisstort, Trash Island genaamd. Ook Spots, de waakhond van Kobayashi’s 12-jarige pleegkind Atari, ontkomt niet aan het decreet. Maar Atari laat zich niet kennen en reist in een propellervliegtuigje af naar de troosteloze dumpplek. Geholpen door vijf honden begint hij vervolgens aan de zoektocht naar zijn trouwe viervoeter.

Anderson, tijdens de persconferentie op de Berlinale: “Ik wilde iets met hondjes op een vuilnisbelt en iets met Japan, vooral vanwege mijn liefde voor de films van Akira Kurosawa en de animatiefilms van Hayao Miyazaki.” Isle of Dogs is deels een hommage aan de twee meesters van de Japanse cinema. Het verhaal is simpel, maar van pure schoonheid; je ogen kunnen de beeldenpracht nauwelijks bijbenen. De stijl is Wes Anderson ten voeten uit. Eigenzinnige personages die op de bres springen voor rechtvaardigheid, veel gevoel voor symmetrie (frontale shots met het doelobject keurig in het midden van het beeld), houterige dialogen en een uitermate scherp oog voor detail. Wat dat laatste betreft: zelfs het ongedierte in de haren van de uitgemergelde honden is te zien, als je goed kijkt tenminste. Niets laat controlfreak Anderson aan het toeval over.

Bovendien heeft Isle of Dogs een sterstemmencast. U hoort onder anderen Edward Norton, Jeff Goldblum en Greta Gerwig. En Bill Murray natuurlijk, die in acht van Andersons negen films speelde. “We voelden ons echt jachthonden”, zegt Murray. “Het werd al gauw heel komisch. We keken elkaar aan met een blik van: hoe speel jij eigenlijk een hond? We probeerden elkaar voortdurend af te troeven in het niveau van hond.” Hoe uitstekend ze daarin zijn geslaagd, moet u echt gaan zien en horen in het beeldschone hondenleven dat Isle of Dogs is geworden.

 Regie: John Krasinski | Duur: 90 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Ze geeft geen kik, Evelyn Abbott. Niet wanneer ze een kind baart, niet wanneer een spijker haar voet doorboort. Uiteraard kan ze het wel uitgillen halverwege A Quiet Place, maar dat zou ongenode gasten lokken. Als kijker ga je anderhalf uur lang ademloos mee in de leefregel die de Abbotts strikt moeten naleven. Doen ze dat niet, dan riskeren ze keihard voor de bijl te gaan.

A Quiet Place speelt zich af in een postapocalyptische wereld. Tot de overlevenden van de ramp behoren Lee Abbott (John Krasinski), zijn vrouw Evelyn (Emily Blunt) en hun drie kinderen. Ze moeten in absolute stilte leven omdat ze anders worden verslonden door geheimzinnige wezens die jagen op hun hoogontwikkelde gehoor.

Een omgevallen stoplicht, desolate straten en bomen die hun blad verliezen – de eerste paar shots in A Quiet Place zijn helaas ietwat aan de korte kant, maar goed. In een verlaten supermarkt is Evelyn op zoek naar medicatie voor hun zoontje Marcus (Noah Jupe). Wanneer het gezin vervolgens huiswaarts keert, gaat het gruwelijk mis. Had die klotebatterijen dan ook méégenomen, Lee!

De boeiende proloog zet de toon voor ouderwets nagelbijten. Niet zozeer door het aantal jump scares (die je telkens duidelijk ziet aankomen), maar meer doordat je vanaf de allereerste tel wordt meegezogen in de staat van angst waarin het gezin verkeert. Stel je voor continu alert te moeten zijn. Te moeten letten op elke beweging die je maakt, op elk geluid dat daaruit voortvloeit.

Dat strakke korset wordt ijzersterk verbeeld door het kwartet acteurs. Vooral de twee actrices vallen op: de 15-jarige en dove Millicent Simmonds (Wonderstruck, 2017) is subliem als het pubermeisje Regan dat zichzelf, in het vervolg van de film, de tragedie uit de eerste scène verwijt. En Blunt, die overigens getrouwd is met acteur-regisseur John Krasinski, levert al helemaal een tour de force af. Met name de badkuipscène is regelrecht Oscarmateriaal.

De camera is oog, oor en tong tegelijk in Krasinski’s intense horrordebuut A Quiet Place. De decibelmeter slaat nauwelijks uit, de spanningsmeter des te meer. De film verplicht elke bioscoopganger om muisstil te zijn. Consumeer dus niet, voor één keer alstublieft. Niets zo irritant als de terreur die popcorn heet.

 Regie: Dean Devlin | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Overvloedige neerslag, oprukkend woestijnlandschap en ijskappen die in rap tempo smelten: op Donald Trump en consorten na weet iedereen dat klimaatverandering géén storm in een glas water is. Wat de menselijke invloed op het klimaat betreft, doet de actiethriller Geostorm er nog een schepje bovenop.

Struisvogelpolitiek heeft de aarde tot aan de rand van de afgrond gebracht. Daarom hebben de wereldleiders Dutch Boy laten bouwen, een netwerk van satellieten waarmee het weer beheerst kan worden. Maar op zeker moment valt het systeem onze planeet aan en dreigt er een catastrofe zonder weerga. Hierop stuurt men meteoroloog Jake Lawson de ruimte in. Samen met zijn broer Max moet hij de apocalyps zien te voorkomen.

Ga je voor popcorn naar de bioscoop? Voor een colaatje? Nee, je gaat voor mooi acteerwerk, of voor een piekfijn plot. Slecht nieuws: tijdens Geostorm geniet u waarschijnlijk meer van uw versnaperingen dan van de film. Want zowel plot als acteerwerk zijn om te janken. Het zegt veel dat Talitha Bateman (nota bene het jongste castlid) als enige een voldoende scoort; de rest speelt zonder bezieling. Gerard Butler (Jake) is het meest bedroevend van allemaal. Hij opereert niet of nauwelijks als het slimme brein dat de mensheid moet redden, eerder als brommende bouwvakker. Over het spel van Jim Sturgess (Max), Abbie Cornish (Sarah), Andy Garcia (president van Amerika) en Ed Harris (Dekkom) kunnen we ook kort zijn: vlees noch vis.

Dan het verhaal. Amerika fixt het wel even, ook nu weer natuurlijk. Het rafelige plot (matig uitgewerkte verhaallijnen) is doortrokken van een broedertwist. Max snijdt in de tweede scène de oudere Jake namelijk de pas af, waarmee we zijn vertrokken voor een portie melodramatisch gereutel. Niet één dialoog blijft je bij. Weinig inspirerend is ook de stiekeme relatie tussen Max en zijn vriendin Sarah. Mevrouwtje ‘ik-wil-wel-maar-ik-mag-niet’ hangt voortdurend de coole chick uit. En die arme Max maar bedelen om haar gunst. Absoluut dieptepunt is de slotscène, waarin een schattig meisjesstemmetje het wij-gevoel bezingt. Jeuk.

Geostorm, het regiedebuut van Dean Devlin, is tenenkrommend. De ramp(en)film hangt van oppervlakkigheden aan elkaar; de aardige visuals zijn slechts een doekje voor het bloeden. Blijf dus thuis en ga lekker rummikuppen. Of popcorn maken, altijd leuk!

 Regie: James Cameron | Duur: 137 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

“I’ll be back”, sprak Arnold Schwarzenegger resoluut in The Terminator (1984). En de dodelijke kleerkast hield woord. In 1991 keerde hij terug in het succesvolle vervolg Terminator 2: Judgment Day, waarvan het budget trouwens ruim 100 miljoen dollar bedroeg (tegen amper 6.5 miljoen voor The Terminator). De film sleepte vier Oscars in de wacht en bracht wereldwijd een half miljard dollar in het laatje. Het leukste weetje is echter dat hij opnieuw is te zien, in 3D.

Hoe zat het ook alweer? In de eerste film is de jonge Sarah Connor (Linda Hamilton), moeder van toekomstig verzetsleider John (Edward Furlong), doelwit van een cyborg (Schwarzenegger) die naar het verleden is gestuurd om haar te elimineren. Dat mislukt, waarna Schwarzenegger het in deel 2 opneemt tegen een nog dodelijker Terminator-model: de T-1000 (Robert Patrick) die het dit keer op John Connor zelf heeft voorzien.

Jeugdsentiment voor de een, een noviteit voor de ander. Het maakt niet uit: Terminator 2: Judgment Day is en blijft een vette prent. Een paar momenten daargelaten voegt de 3D-bewerking weinig toe, maar dat mag de pret niet drukken. Waar een gemiddelde blockbuster niet zelden migraine-materiaal is, neemt regisseur James Cameron juist de tijd om het verhaal te laten ontstaan. Het simpele plot draait om het kat-en-muisspel tussen de twee mensachtige robots, met actie die je naar adem doet happen. Grootste verdienste ten opzichte van The Terminator is dat hij minder luguber is, minder bloedig. Er is meer ruimte voor dialogen en humor. Vooral de interactie tussen Schwarzenegger en Furlong is prachtig. De knul slaagt erin de machine menselijkheid bij te brengen. “No problemo” en “hasta la vista, baby”, in plaats van “negative” of  “affirmative”.

Sequels zijn vaak minder indrukwekkend dan hun voorganger, maar Terminator 2: Judgment Day is een uitzondering op die regel. Het geweldige camerawerk, de montage en de effecten zijn nog een paar redenen om de klassieker te gaan zien. Bedenk daarbij dat de toegetakelde Schwarzenegger (laatste scène) het uitzonderlijk knappe resultaat is van vijf uur werk van een peloton aan grimeurs. Eindoordeel: tof dat je terug bent, Arnie!

Regie: Kyle Balda, Pierre Coffin & Eric Guillon | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

In Despicable Me (2010) is Gru schurk en surrogaatpapa tegelijk en in Despicable Me 2 (2013) stapt hij ook nog eens in het huwelijksbootje. Zijn vrouw Lucy (stem van Kristen Wiig) en dochtertjes Margo, Edith en Agnes keren allen terug in Despicable Me 3. Aan kolderieke momenten en halsbrekende toeren geen gebrek in deze sequel, waarmee het enige pluspunt meteen is genoemd.

Gru’s vredige bestaan wordt verstoord wanneer zijn krengerige moeder hem vertelt dat hij een tweelingbroer heeft: Dru. Met enige moeite weet hij Gru te verleiden tot een laatste boevenstreek: het stelen van een reusachtige diamant. Daarbij krijgen ze concurrentie van Balthazar Bratt, een voormalig kindsterretje dat uit de gratie is geraakt.

Despicable Me 3 is feitelijk een herhaling van zetten. Zo lijkt Balthazar Bratt erg op nerdy kwajongen Vector, Gru’s kwelgeest in de eerste film. Middels enorme bellen klapkauwgom – hoe verzin je het? – dwarsboomt de gefrustreerde vlegel zijn tegenstanders, waarbij ook Hollywood het moet ontgelden. Verder is kopstuk Gru minder prominent aanwezig omdat Dru zijn rol overneemt; het was slimmer geweest om stemacteur Steve Carell voor alléén Gru te reserveren. En dan is er nog Agnes, wier eindeloze eenhoorn-obsessie maakt dat ze in dit derde deel niet meer dat knuffelkindje van weleer is. Zint haar iets niet, dan gaat ze (bekend inmiddels) keihard gillen. Ten slotte zorgen ook de gele knechtjes voor weinig vertier. Ze blijven nogal op de achtergrond en opereren vooral als collectief. Hun onderlinge grollen, op de vingers van één hand te tellen, zijn slap.

Negentig minuten lang is het verdacht stil in de bioscoopzaal, waar originaliteit en humor de grote afwezigen zijn op het witte doek. Is het gezapige Despicable Me 3 een incident of is de toverformule nu echt uitgewerkt? Volgend jaar zomer volgt deel 4, maar het plot ervan riekt opnieuw naar oude wijn in nieuwe zakken.