Regie: Martijn de Jong | Duur: 110 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

“Ik beschouw vrouwen als het sterke geslacht.” Aldus regisseur Martijn de Jong in de Filmkrant, eind december 2014 in het kader van zijn korte film Vrij. “Omdat ik denk dat ze makkelijker bij hun gevoel kunnen komen.” Daar heeft hij een punt. Maar hoe gaat dat hoofdpersoon Merel af in Narcosis, het speelfilmdebuut van De Jong? De Nederlandse inzending voor de Oscars, winnaar van drie Gouden Kalveren op het Nederlands Film Festival, wordt gedragen door actrice Thekla Reuten.

Narcosis gaat over een hecht gezin waarvan vader John (Fedja van Huêt) wegvalt. Bij een duik in een van de diepste onderwatergrotten ter wereld komt hij namelijk niet meer boven. Geen lichaam, geen begrafenis, geen afscheid. Vertwijfeld blijft Merel (Reuten) met haar twee jonge kinderen Boris en Ronja achter. Hoe dit enorme verlies te verwerken? Waar haar kinderen het verlies willen aangaan, vlucht Merel juist in de ontkenning. Hierdoor raakt het gezin nog verder ontwricht.

In 1998 won Karakter (1997), met Fedja van Huêt, bij de uitreiking van de Academy Awards het beeldje voor de Beste Buitenlandse Film. Een paar jaar later, in 2004, was een Nederlandse productie (De Tweeling, 2002) opnieuw in de race voor dezelfde prijs. Een film waarin Thekla Reuten schittert. Je zou zeggen dat met zowel Reuten als Van Huêt in de gelederen het bij voorbaat appeltje-eitje is: de Oscar voor de Beste Buitenlandse Film gaat volgend jaar maart naar Narcosis. Wat betreft het acteerwerk zou dat dan vooral de verdienste van Reuten zijn.

Zet Reuten (1975) de sterke vrouw neer die De Jong vaak in zijn films portretteert? Daar kun je over twisten. Een aanzienlijk deel van Narcosis zien we een Merel die logischerwijs in de war is. Reuten overtuigt als een vrouw bij wie gevoel en emotie verstopt gaan onder een laag vernis. Alsof ze onder narcose is en de realiteit daardoor maar moeilijk doordringt. Tegelijkertijd, stel ik na de zoveelste peinzende blik vast, wekt haar houding ook lichtelijk wrevel op: de stille schreeuw van haar kinderen om samen te rouwen, negeert ze grotendeels.

Dochter Ronja en zoon Boris trekken dan ook steeds harder aan de bel. Is er sinds het verlies nog geen openhartig gesprek geweest tussen Merel en haar kinderen? Had dat niet juist voor de hand gelegen? Een ouder valt plots weg, waarbij de fysieke sporen van de tragedie ook nog ontbreken. Ik vraag me af wat er is gebeurd in de periode van een jaar, tussen de mysterieuze verdwijning van John en het moment dat het verhaal verdergaat. Scenaristen Martijn de Jong en zijn vriendin Laura van Dijk laten dat in het midden.

Een Oscar zal de achtjarige Lola van Zoggel (Ronja) niet winnen, maar de piepjonge dame is hartstikke goed als een meisje dat via een ouderwetse draadtelefoon contact zoekt met haar overleden pap. Een telefoonkabel als een verbinding tussen de fysieke en niet-fysieke werkelijkheid is leuk bedacht. Maar de introductie van de telefooncel zelf komt uit de lucht vallen. Waar komt mijn vent nu mee aanzetten?, vraagt Merel zich verbaasd af. Ik ook. Meer houvast (context) was prettig geweest. Was John éérst geschetst als iemand met een neusje voor antieke zaken, dan had het filmmotief meer tot de verbeelding gesproken.  

Een belangrijke rol is weggelegd voor Boris, knap vertolkt door Sepp Ritsema. Vader en zoon zijn dol op elkaar, dat spat van het doek. Boris stikt dan ook van het verdriet en vindt het moeilijk het onvermijdelijke te accepteren. De knul troost zichzelf door John meermaals onder water (in vijvers, maar ook in bad) ‘op te zoeken’. Op die manier leeft vader voort in de zoon. Daarnaast schuwt hij de confrontatie met zijn moeder niet. Boris is verdrietig én boos. Afkeurende blikken in haar richting. Nukkig. Papa’s dood roept vragen op, maar waar blijven de antwoorden toch?

Die antwoorden liggen voor het grijpen, ware het niet dat Narcosis op het moment suprême niet doet wat volgens mij een inkoppertje was geweest, en wat tevens een boeiende wending aan het verhaal had kunnen geven. Merel is namelijk medium en kan in die hoedanigheid contact leggen met overledenen. Maar op Boris’ vragen gericht aan zijn vader moet ze helaas passen. “Ik durf het niet.” De mogelijkheid om het rouwproces samen aan te gaan en daarmee de groeiende kloof tussen moeder en zoon te dichten, wordt niet aangegrepen.

Toch komt die emotionele ontlading. De weg ernaartoe is niet de meest sierlijke (via opnieuw een ongeluk), maar in de slotminuten geschiedt eindelijk wat ik graag eerder had gezien: moeder, zoon en dochter omarmen gedrieën hun verdriet. Als een hecht gezin. Merel is dan op z’n sterkst; het zijn Reutens beste acteerminuten in Narcosis. Prachtig is het nummer Look At You, van de Canadese singer-songwriter Patrick Watson onder de slotbeelden, met Merel aan de piano. Het zijn subtiele toonladders, die lieflijk ‘meanderen’ door de hele film heen.

Meanderen, tussen het heden en verleden, doet ook het verhaal. De scène waarin Johns duikmakker Sjoerd (Vincent van der Valk) verstoppertje speelt met Ronja en Boris, is vervlochten met het stuk waarin het John zelf is die verstoppertje met hen speelt. Knappe editing. Minder goed is dan weer de scène waarin een schade-expert Merel bevraagt; jammer dat het roerei aan beelden ook nog eens eindigt met een pisnijdige Merel. Het meest opmerkelijk aan dat stuk is wel de muziek: mij valt de analogie op tussen The Undeniable Truth en het onvergetelijk mooie main theme van Interstellar (2014).

De soundtrack als geheel is een beauty en klopt volledig met de thematiek, maar viel niet in de prijzen. Erg spijtig. Gelukkig was er wel een Gouden Kalf voor de veelzijdige cameravoering van Martijn van Broekhuizen. En eentje voor Thekla Reuten. Dat is verdiend, hoewel ik de stellige indruk heb dat ze in Narcosis niet eens op de toppen van haar kunnen acteert. Omdat ze lange tijd nou juist niet de sterke vrouw neerzet die Martijn de Jong ooit treffend omschreef in de Filmkrant.

Regie: James Cameron | Duur: 140 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Bij het schrijven over The Abyss moest ik denken aan een ander citaat dan waar de film mee begint, namelijk aan de woorden van de jonge Cole Sear in de geheimzinnige thriller The Sixth Sense (1999): “De profundis clamo ad te, Domine.” Cole’s smeekbede komt uit Psalm 130 en verwijst, met enige fantasie, naar de plek waar The Abyss zich afspeelt. De film van regisseur James Cameron kreeg vier Oscarnominaties. De filmpers was echter niet overdreven enthousiast: de metascore van slechts 6,2 is mijns inziens een regelrechte belediging aan het adres van de crew.

De bemanning van een booreiland wordt gevraagd te assisteren bij de berging van een Amerikaanse nucleaire onderzeeër die onder mysterieuze omstandigheden is gezonken. Terwijl men boven water vreest voor een escalatie van het incident tussen Amerika en Rusland, daalt een groep boorlieden onder leiding van hun voorman Bud Brigman (Ed Harris) af naar de diepste spelonken van de oceaan. Daar merken ze tot hun schrik dat ze niet alleen zijn.

Wat was, geopolitiek gezien, de wereld vroeger toch een relatief overzichtelijk oord, nietwaar? Een schaakbord met daarop twee grootmachten die elkaar decennialang in een houtgreep hielden, wat een era van gespannen rust opleverde. The Abyss speelt zich af tijdens de laatste stuiptrekkingen van de Koude Oorlog. Aan het einde van de film krijgt de kijker evenwel een ongemakkelijk lesje historisch besef: we maken er een zooitje van, wat meer vredelievendheid zou dus fijn zijn. Maar kennelijk moeten we diep zakken eer dat besef indaalt.

En diep zakken doen ze, Bud en zijn collega’s. Waarbij de problemen zich opstapelen. Orkaan Fred gaat vreselijk tekeer en bovendien telt het schip meerdere kapiteins. SEAL-luitenant Coffey (Michael Biehn) voert het bevel over de reddingsoperatie, maar de rigide engerd heeft geen kaas gegeten van goed communiceren. Daarnaast komt tot Buds afschuw zijn ex-vrouw Lindsey (Mary Elizabeth Mastrantonio) langs om een en ander in goede banen te leiden, en net als Coffey duldt ze weinig tegenspraak. De spanningen lopen nog verder op als een van de boorlieden op een levensvorm stuit die hem de stuipen op het lijf jaagt.

Dijk van een cast, ijzersterk acteerwerk. Behalve Harris, Mastrantonio en Biehn zijn er heerlijke bijrollen van Leo Burmester (als de robuuste ‘Catfish’) en Todd Graff (als ‘Rat boy’, de grapjas van het stel). The Abyss is een beetje de onderwatervariant van Twister (1996), waarin een kleurrijke verzameling weerpiraten als jonge honden de woeste weergoden trotseren. Ze beginnen als goede collega’s en eindigen als dikke vrienden, dankzij een ‘close encounter’ in de ijskoude diepzee. Met de vijand? Coffey denkt van wel. “You have to look with better eyes than that”, raakt Lindsey aan de essentie van de film.

Visueel is The Abyss een knap staaltje vakmanschap, ik kom daar later op terug. Nu eerst een paar woorden over het liefdesdrama dat de film ook is. Bud en Lindsey zijn niet voor elkaar bestemd, dat is na een half uur hartstochtelijk gekibbel wel duidelijk. Bud koestert gevoelens (meneer draagt nog altijd zijn trouwring), maar kan haar tegelijkertijd wel schieten. Lindsey is op haar beurt zeer kil naar Bud. Alsof hij in haar hoofd en hart al lang voltooid verleden tijd is. Not. Onder hoge druk wordt immers alles vloeibaar, dus ook vastgeroeste haatgevoelens tussen twee kemphanen, ooit tortelduifjes.

De liefde en de dood. Wat als die twee universele ‘grootmachten’ oog in oog staan? In een reeks van bloedstollende gebeurtenissen waaruit de film bestaat, is er één segment die het verdient om in een filmencyclopedie opgenomen te worden. In het voorwoord ervan. Een scène die Harris en Mastrantonio een Oscar had moeten opleveren. Waarin Bud tot het uiterste moet gaan om zijn Lindsey, waar hij even daarvoor afscheid van heeft moeten nemen, weer terug te halen. Bekijk hier wat Martin Koolhoven zegt (fraaie analyse) over een scène waarin Mastrantonio rake klappen krijgt te verduren.

Tien miljoen gallon, wat neerkomt op zo’n 38 miljoen liter. Dat was de hoeveelheid water die nodig was om de twee tanks te vullen die dienst deden als filmset. De tanks waren onderdeel van een kerncentrale in de buurt van Gaffney (South Carolina), een energieproject dat begin jaren 80 om budgettaire redenen strandde. Ene Earl Owensby kocht vervolgens in januari 1986 de vervallen tanks op en toverde ze om tot een filmstudio. Behalve in de reuzentobbes van Gaffney filmde men ook in Missouri, waar zich ‘s werelds grootste onderwatermeer bevindt, een met regen- en bronwater volgelopen ex-loodmijn.

Help, ik word in een bierblikje gepropt! The Abyss doet mij het überclaustrofobische Das Boot (1981) herbeleven. Dat is vooral te danken aan de vaste hand van de Deense cinematograaf Mikael Salomon, terecht onderscheiden met een Oscarnominatie. Het meer technisch getinte, visuele ‘geweld’ komt op naam van een kwartet heren: Dennis Skotak, John Bruno, Hoyt Yeatman en Dennis Muren. Gezamenlijk ontvingen ze de Oscar voor de Beste Visuele Effecten. Onthoud vooral Dennis Muren, een pionier op dit gebied en verzamelaar van Oscars (hij won er 6). Het digitale hoogtepunt van The Abyss is zonder twijfel het watertentakel waarvan het uiteinde het gezicht van Lindsey en Bud aanneemt.

Werkweken van 70 uur, zes maanden aan een stuk. “Dit nóóit meer”, zei Cameron na de voltooiing van zijn sciencefictiondrama The Abyss, een kletsnat spektakelstuk dat je de adem beneemt. Het moet een van de zwaarste filmklussen ooit zijn geweest. Filmen óp water is al afzien geblazen, laat staan eronder. “When you look into an abyss, the abyss also looks into you,” leren we van Friedrich Nietzsche aan het begin van de film. The Abyss is een in de vergetelheid geraakt meesterwerk dat ten diepste draait om de manier van kijken – hoe je kijkt bepaalt immers wat je ziet – en waarin uiteindelijk de liefde komt bovendrijven.

Regie: Eskil Vogt | Duur: 117 minuten | Taal: Noors | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Wat een kutkind zeg, Ida. En de jonge dame is niet de enige die een pak rammel verdient in The Innocents, een film die je een unheimisch gevoel bezorgt. De weg daarnaartoe wordt listig geplaveid door om te beginnen de Noorse scenarist-regisseur Eskil Vogt, vorig jaar nog onderscheiden met een Oscarnominatie voor het script van The Worst Person in the World (2021). Ontzettend goed zijn de optredens van alle vier de kinderen in The Innocents. Verder is het camerawerk een lust voor het oog, en het sound design een lust voor het oor.

De negenjarige Ida (Rakel Lenora Fløttum) verhuist met haar ouders en autistische zus Anna (Alva Brynsmo Ramstad) naar een buitenwijk van Oslo. In de directe omgeving ervan maakt ze kennis met twee andere kinderen: Ben (Sam Ashraf) en de zachtaardige Aisha (Mina Yasmin Bremseth Asheim). Beiden blijken over speciale gaven te beschikken. Steeds vaker gaan Ida en Anna naar buiten om met hen te spelen, maar hun aanvankelijk onschuldige pret krijgt meer en meer een duister karakter.

Het hallucinante Midsommar (2019) en het unieke vampierdrama Let the Right One In (2008): van beide werken (een must voor een beetje cultfanaat) zit een mespuntje in The Innocents. Telkens valt op hoe betrekkelijk weinig Scandinavische filmmakers nodig hebben voor prikkelende cinema. Dat geldt ook voor The Innocents, waarin de kijker op vileine wijze het kinderbrein wordt ingeleid. En wat blijkt? Het onschuldige kind is een mythe. De openingsscène, met hypnotische, Midsommar-achtige muziek, licht reeds een tipje van die sluier op.

Als jong kind je draai zien te vinden in een onbekende leefomgeving is natuurlijk niet gemakkelijk. Daar komt bij dat Ida’s nieuwe habitat niet erg sprankelend is – ziehier een parallel met Let the Right One In. Het kleurloze appartementencomplex heeft men getracht wat op te leuken met de aanleg van een ondiepe plas water en een speeltuin, maar ook bij hoogzomer (wat het in de film is) nodigt het geheel niet uit tot de meest dolle avonturen. Een kinderhand is echter snel gevuld: Ida ontmoet in de oudere Ben een, zo lijkt het althans, vriendelijke jongen die haar een beetje wegwijs maakt.

Het (samen)spel van het kwartet kids is verbluffend. Het koude zweet breekt je bij momenten uit. Dat komt vooral door Sam Ashraf, die de minst benijdenswaardige rol heeft. Het joch acteert eng goed. Bens telekinetische krachten doen in eerste instantie vrij onschuldig aan, maar aan alles voel je dat hij niet pluis is. Een psychopaat in een jong jasje. Die de grens steeds verlegt. Zijn mentale kracht is namelijk zo sterk dat hij in staat is om andere mensen dingen te laten doen. En daarbij is de onschuld ver te zoeken. Ida, naïef en nieuwsgierig in het begin, komt in het vervolg echter serieus in opstand tegen Ben.

Een boosaardig vriendje, en dan ook nog een grote zus die veel aandacht vraagt. Ida moet haar continu in de gaten houden. Anna’s handicap is dat ze zich niet begrijpelijk kan uiten. Uit haar openstaande mond ontsnapt louter gemummel. Twee glazige ogen in een scheef koppie kijken daarbij vooral weg van de wereld. Om te janken zijn de kleren waarin ze is gehesen. Heeft mama die zelf gemaakt? Van lappen stof gekocht op een Bulgaarse rommelmarkt? Arm kind. Ook haar kapsel is zo dood als een pier. Alva Brynsmo Ramstad speelt voortreffelijk, maar ze hebben er wel álles aan gedaan om de sprietige meid suffer dan suf neer te zetten.

Ben is het gezicht van het kwaad in The Innocents, Aisha is de ‘Goede Fee’. Een soort mini-gebedsgenezeres. Mina Yasmin Bremseth Asheim speelt een sleutelrol in de film. Aisha is helderhorend en –voelend en gaat de strijd aan met ‘Boze Ben’. Daarbij werkt ze samen met, jawel, Anna. De spriet bungelt er lange tijd maar wat bij; ze dwingt vooral medeleven af en lijkt geen rol van betekenis te spelen. Niets is minder waar. Achter haar autistische pantser gebeurt verrassend veel. Met hulp van Aisha (communicatief gezien vormen zij en Anna een ‘twee-onder-een-kap’) brengt Anna haar moeder van blijdschap tot tranen. Maar lukt het de tandem ook om Ben op de knieën te krijgen?

Typische horrortaferelen biedt The Innocents niet. Pessi Levanto, de Finse componist van de mystieke soundtrack (digitaal bewerkte muziek van akoestische instrumenten, bijzonder knap gedaan) noemt Vogts werk een ‘Scandinavische arthousethriller’. Kan ik me prima in vinden. Het is fijnzinnige cinema, ingetogen. Wat met name blijkt uit de positie van de camera: die is steeds precies goed. Geen bruuske bewegingen, maar doordacht in- en uitzoomen. Kloppende close-ups. Met de lens dringt Sturla Brandth Grøvlen zo door tot in het binnenste van de vier kinderen, hun belevingswereld. Geen kinderspel hoor, die wereld.

Regie: Florian Zeller | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

Ik val met de deur in huis: ik houd het niet droog tijdens de slotscène van The Father, waarin Anthony zich hardop afvraagt wie hij eigenlijk is. “I feel as if I’m losing all my leaves”. Je bent terug bij af, lieve Anthony. Je bent weer kind. Huil maar, mama is bij je. De kroon op dit filmjuweel is het laatste shot. De camera draait langzaam naar het venster, zoomt tegelijk in en stopt wanneer dat frontaal in beeld is. Door het glas zien we bomen die vol in blad staan. Wuivend groen blad.

Sir Philip Anthony Hopkins is van 31 december 1937. Nu drieëntachtig jaar oud is zijn rol in The Father misschien wel zijn zwanenzang op het witte doek. In dit drama van de Franse schrijver en regisseur Florian Zeller, gebaseerd op diens toneelstuk Le Père uit 2012, speelt Hopkins een hoogbejaard heerschap met dezelfde naam. Toeval? Hoe dan ook schreef de Welshman op 25 april dit jaar geschiedenis: hij werd de oudste Oscarwinnaar ooit, dankzij zijn spel in The Father.

Het verhaal is simpel. Anthony woont zelfstandig en naar volle tevredenheid in zijn ruime flat in Londen. Probleem is echter dat hij dementerende is en daarom stelt zijn dochter Anne (Olivia Colman) alles in het werk om een geschikte verpleegster voor hem te vinden. Ook omdat ze binnenkort met haar echtgenoot naar Parijs verhuist. Maar keer op keer wijst Anthony alle hulp af.

De beste film over de tol der vergankelijkheid sinds het Franse drama Amour (2012). Zo oordeelt The Hollywood Reporter over The Father. Nu ben ik het lang niet altijd eens met de gevestigde filmcritici, maar dit keer kan ik alleen maar volstaan met een instemmend ‘amen’. De film van het jaar, wat mij betreft. Gaat niet meer overtroffen worden, onmogelijk.

Hoe voelt het om langzaam alle grip op de realiteit te verliezen? Om nomade te zijn in je brein? The Father biedt een indringende inkijk. De enorme kracht van de film zit ‘m in het gegeven dat je Anthony’s cognitieve verval beleeft vanuit Anthony zelf. Dat is het uitgangspunt binnen het formidabele script. Bijzonder goed zijn bovendien het acteerwerk en de montage. Die elementen maken The Father tot een memorabele (excusez le mot) kijkervaring.

Laat The Father alsjeblieft Hopkins’ laatste acteerklus zijn. Stop nu, Anthony. Op je hoogtepunt. De acteur zet namelijk een magistrale vertolking neer van een man die hopeloos verstrikt raakt in een labyrint. En dat ook steeds meer beseft. De remedie? Krampachtig houvast zoeken. Vluchten in rituelen. Zo is de tijd een essentieel motief in de film. Als hij zijn horloge maar (om) heeft. Want aan die constante valt niet te tornen, daar kan hij tenminste op bouwen.

Een ander ritueel is uit het raam kijken. Een glimp van het leven opsnuiven, het echte leven. Furieus opent hij de gordijnen, daar de ‘gevangene’ zo graag wil proeven van de vrijheid. Eén shot in het bijzonder valt op: Anthony (zijaanzicht, mooie belichting) observeert daarbij een jongen op straat. De knul dolt met een plastic zak die speelbal is van de wind. De onschuld van het tafereel sorteert een vluchtige glimlach op het gezicht van Anthony. Het zijn verkapte tranen.

Maar indien je denkt dat de knul in de oude man dood en begraven is, dan vergis je je deerlijk. Wanneer verpleegster nummer zoveel zich aandient, Laura (Imogen Poots, schitterend rolletje), is daar plots een heel andere Anthony: meneer de charmeur. In een ijzersterke scène zien we hoezeer zijn persoonlijkheid gespleten is. Hoe ‘naakt’ hij opereert. Geen emotionele remmingen meer, geen gevoel voor verhoudingen, voor sociale context. Hij versiert Laura, om haar even later genadeloos te schofferen. Hij is een locomotief op drift. Machinist afwezig.

Met name tijdens die scène valt ook op hoe waanzinnig sterk Olivia Colman acteert. Een actrice die nooit teleurstelt. Anne leeft ook in meerdere werelden, maar dan wel bij vol bewustzijn; misschien maakt het dat nog pijnlijker. Het ene moment door je eigen vader gefileerd worden, het andere moment van hem horen dat je haar zo leuk zit. Veel erger is dat Anthony zijn dochter steeds moeizamer herkent. Zie het ongeloof in haar ogen, het verdriet. En ondanks alles blijft ze in de liefde naar hem. Hoe knap. Ook Colman zorgt voor kippenvel.

Nog meer superlatieven, ter afsluiting. Yorgos Lamprinos moet genoemd worden. De editor van The Father, die ook werd genomineerd voor een Oscar. De Griek (bij het lezen van het scenario kreeg hij al tranen in de ogen) ontving carte blanche van Zeller om zíjn point of view te integreren in Zellers oorspronkelijke werk. Dankzij Lamprinos houdt de kijker zicht op de hoofdlijn van het confuse narratief dat The Father is. En identificeer je je daardoor moeiteloos met elk van de personages.

Het slotakkoord wijd ik aan de Italiaanse componist Ludovico Einaudi (65). Het genie op de piano. Na Intouchables (2011) laat hij in The Father opnieuw van zich horen. Wow zeg, wat een soundtrack. In 2019 verschenen zeven cd’s van zijn hand, Seven Days Walking getiteld. Luister naar en huiver bij Low Mist Var. 2 (Day 1) en Low Mist Var. 1 (Day 5). Maar het meest fijnzinnig en mysterieus is Einaudi’s muziek onder de slotbeelden, als papaatje los is van tijd en plaats en alleen nog de finale reis voor de boeg heeft. Mindblowing stuff.

 

Regie: Sean Penn | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Het pakkende The Pledge van Sean Penn is gebaseerd op de roman Das Versprechen (1958) van schrijver Friedrich Dürrenmatt. De film was in de race voor de Gouden Palm op het Filmfestival van Cannes in 2001. Het is cinema van de oude stempel: een langzaam ontvouwend plot en sterke vertolkingen. We zien Jack Nicholson schitteren in de hoofdrol, maar ook de bijrollen (twee in het bijzonder) maken veel indruk. De muzikale dressing van Hans Zimmer en Klaus Badelt is bovendien om je vingers bij af te likken.

Politierechercheur Jerry Black (Nicholson) is slechts enkele uren verwijderd van zijn pensioen als in de omgeving van het in sneeuw gehulde Reno (Nevada) het levenloze, toegetakelde lichaam van een jong meisje wordt aangetroffen. De politie vat al snel de hoofdverdachte bij de kraag, maar die pleegt prompt zelfmoord. Zaak afgedaan? Niet voor Jerry. Met ziel en zaligheid stort hij zich op het misdrijf. Dit tot ergernis van zijn superieuren, die moeten toezien dat hij zijn plechtige belofte aan de moeder van het meisje bloedserieus neemt.

Ik begin met de dressing, de lekkerste druppel ervan. De film opent met een Jerry die de indruk wekt behoorlijk doorgedraaid te zijn. Je hoort het nummer The Angler, een combi van lichte snaarmuziek, percussie, piano en een hoge, zuivere vrouwenstem. Subtiel, mysterieus, onheilspellend. Er volgt een fade (trage beeldovergang), waarna duidelijk wordt wat een angler is: een hengelaar. Alsof Penn de kijker lanceert met de vraag: hoe eindigt hengelaar Jerry, dan nog in zijn element, twee uur later als een vis op het droge?

Het personage Jerry is op het lijf geschreven van drievoudig Oscarwinnaar Nicholson (1937), in wie ik sinds Wolf (1994) altijd een beetje die weerwolf ben blijven zien. IMDb vermeldt over hem: “Frequently works as a character with mental instability.” En inderdaad kruipt hij in The Pledge opnieuw in de huid van een labiel figuur. Jerry geniet autoriteit, maar heeft niet de clownsneus die Nicholson zijn personages vaak meegeeft. Jerry is ingetogen. Een observator. Hij slaat echter door in zijn obsessie om de dader te pakken. Belofte maakt schuld, is de overtuiging van de kettingrokende, celibatair levende bijna-pensionado. Maar daarbij overschrijdt hij in de tweede helft van de film wel een ethische grens.

Het is prettig om Nicholson rust te zien leggen in zijn optreden; het maakt de weg vrij voor anderen om ook hun kunsten te vertonen. Twee namen wil ik noemen, van acteurs die gezamenlijk amper tien filmminuten voor hun rekening nemen. Maar hoe knap is hun spel! De eerste is Mickey Rourke als James Olstad. Twintig jaar terug, toen ik The Pledge voor het eerst zag, blies Rourke mij met dat minirolletje van de bank. En nu weer. Zo ziet intens verdriet er dus uit. De tweede is Benicio Del Toro als Toby Jay Wadenah. Del Toro is bijna onherkenbaar als een geestelijk gehandicapte indiaan. Zijn voortreffelijke bijdrage had beloond moeten worden met een prijs, vind ik. Hij hield er slechts een nominatie voor de ALMA-award (Outstanding Supporting Actor in a Motion Picture) aan over.

Ook Chris Menges mag niet onbesproken blijven. De ervaren Brit (twee Oscars in zijn kast) verheft met de camera The Pledge tot een spannend schouwspel. Zijn kadrering is excellent. Een voorbeeld daarvan is het moment waarop het lichaam van het meisje wordt gevonden. Menges bouwt die sequentie meesterlijk op, vanuit het perspectief van een jongen wiens sneeuwscooter er plots mee ophoudt. Jammer alleen dat het afscheid van Jerry erdoorheen is gemonteerd. Heel treffend is ook zijn cameravoering als Jerry de ouders van het meisje het afschuwelijke nieuws moet brengen; let op het extreme long shot en de positie van de zwaailichten daarin.

Nicholson, Rourke, Del Toro. Maar ook Helen Mirrren, Aaron Eckhart, Sam Shepard, Vanessa Redgrave, Robin Wrigt Penn en zelfs een glimp van de inmiddels overleden Harry Dean Stanton: The Pledge schotelt u een respectabele dosis Hollywood voor. Een topcast in een geraffineerd gemaakte, lekker stroperig voortbewegende thriller met een donker randje. En waarin Penn durft af te wijken van de oer-Amerikaanse traditie die happy end heet.

 

Regie: Mark Pellington | Duur: 119 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

“We are not allowed to know”. Met die constatering slaat Alexander Leek de spijker op zijn kop in het boeiende The Mothman Prophecies. De film is losjes gebaseerd op de bizarre gebeurtenissen waar de Amerikaanse journalist John A. Keel over berichtte in zijn gelijknamige roman uit 1975. Bent u klaar voor een ritje op de vleugels van het occulte?

De vrouw van journalist John Klein (Richard Gere) komt op mysterieuze wijze om het leven. Haar woorden (“You didn’t see it, did you?”) laten hem in het vervolg maar niet los. Twee jaar later is hij voor een interview op weg naar Richmond (Virginia), maar belandt hij in het plaatsje Point Pleasant (West Virginia). Daar wordt hem beetje bij beetje duidelijk wat zijn vrouw gezien moet hebben.

Heerlijk, dit soort spooky stuff. De Amerikaanse filmpers is echter verdeeld, wat blijkt uit de ‘metascore’ van 5.2 op IMDb. Onbegrijpelijk. Maar kijk je vervolgens naar het gemiddelde van de bijna 75 duizend ‘user ratings’, dan staat er een 6.4. Eens te meer is het geluid van Jan met de pet een stuk positiever dan dat van de kritische geesten, die er verstand van zouden moeten hebben. Ahum. Ik sluit me in dit geval aan bij alle Jannen.

Want The Mothman Prophecies scoort over de hele linie een ruime voldoende. En dat ondanks Richard Gere, waar ik geen fan van ben. Hij is mij te glad en eigenlijk alleen geschikt als hij een man van aanzien mag neerzetten. Zoals advocaat Martin Veil in het ondergewaardeerde rechtbankdrama Primal Fear uit 1996. Of de topverslaggever van The Washington Post die hij in The Mothman Prophecies vertolkt. Typisch trouwens dat die krant toen erg te spreken was over deze film.

Het vuurwerk komt dus niet direct van Gere. Drie andere acteurs vallen wel op: Laura Linney als de sceptische politieagente Connie, Alan Bates als voormalig ‘ghostbuster’ Alexander Leek (fijn rolletje) en vooral Will Patton als Gordon, de man via wie het merkwaardige wezen uit de film op den duur een gezicht, een naam en zelfs een stem krijgt. Met dat gezicht kan ik leven, de rest had wat mij betreft niet gehoeven. Laat het mysterie lekker een mysterie blijven.

The Mothman Prophecies gaat over zaken die zich onttrekken aan de menselijke waarneming. Wat Mark Pellington (Arlington Road, 1999) goed heeft begrepen, is dat een thriller pas die naam mag dragen indien hij ook technisch slim in elkaar steekt. Pellington speelt behendig met licht en kleur; let bijvoorbeeld op de dominantie van de kleur rood. En mocht je hier en daar moeten wegkijken omdat je anders geen nagels meer overhoudt, spits dan je oren: de tintelende soundtrack en geraffineerde geluidseffecten zijn namelijk niet te missen.

 Regie: Robert Eggers | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Robert Eggers’ The Lighthouse is een freakshow die de kijker terugwerpt in de tijd. Willem Dafoe en Robert Pattinson schitteren in een film die ook technisch gezien ontzettend knap in elkaar steekt. Het beeldformaat springt het meest in het oog. The Lighthouse heeft namelijk een aspect ratio (beeldverhouding, de verhouding tussen de breedte en lengte) van 1,19:1. Een bijna vierkant beeld dus. Tel daarbij op dat de 35 mm-film in zwart-wit is geschoten, en je begrijpt waardoor The Lighthouse je doet ervaren hoe cinema er ruim een eeuw geleden uit zag.

Het verhaal speelt zich dan ook in die tijd af, zo rond 1890. Twee mannen, de ervaren vuurtorenwachter Thomas Wake (Dafoe) en voormalig houthakker Ephraim Winslow (Pattinson), zitten vier weken lang met elkaar opgescheept in een oord waar je echt niet wilt zijn: op een kaal, in permanent grijs gehuld eilandje voor de kust van New Engeland, in het uiterste noordoosten van de VS.

Waar houdt de fantasie op en begint de gekte? Na The Witch (2015) nodigt Eggers je in zijn tweede film opnieuw uit die vraag te beantwoorden. Zoek het lekker zelf uit, luidt zijn boodschap. Hij verschaft slechts het kader, door je op te sluiten in een soort visuele gevangenis. De scherpe begrenzing van het vierkante beeld voelt alsof je in een blokkendoos wordt gestopt. De zwartwitte schakeringen symboliseren daarbij de psychische gesteldheid van de twee mannen. De leegte vreet aan hen, stompt hen af. De afwezigheid van kleur prikkelt de fantasie van de kijker. En diens zintuigen. Het onvoorstelbaar ranzige voer, pannen vol urine waar drollen in drijven, zweet- en alcohollucht en een Thomas die aldoor scheten laat. Gadverdamme, wat is alles verschrikkelijk vies in The Lighthouse!

Het uniforme ‘blokkendoosbeeld’ werkt verdrukkend, en dus ga je op zoek naar een escape. Die is er niet, ervaren ook de twee tot elkaar veroordeelden, die elkaar slechts pruimen na overmatig drankgebruik. Schitterend hoe Ephraim en Thomas met elkaar op de vuist gaan. Eerst voornamelijk verbaal, later ook fysiek. De waanzinnige Thomas (een magistrale Dafoe) produceert de ene woordenwaterval na de andere en zadelt de kwetsbare Ephraim op met alle rotklusjes in en rondom de vuurtoren. En o wee als die zich durft te bemoeien met het licht; dat summum is louter en alleen gereserveerd voor Thomas.

Maar de introverte, seksueel hunkerende Ephraim – het is via hem dat Eggers zijn fantasie carte blanche geeft – laat zich dat niet zomaar ontzeggen. Significant in dat opzicht is de scène waarin hij zijn opgekropte woede koelt op een zeemeeuw; na dat kantelpunt zoekt hij steeds nadrukkelijker de confrontatie met de bazige Thomas. Aldus baant hij zich een weg naar het verlossende licht, naar dat gelukzalige ‘orgasme’ waarmee de film eindigt. Fantasie en gekte zijn dan definitief één.

Psychologische horror in een van drank doordrenkte zwijnenstal. Waarbij het geschal van de misthoorn, niet weg te denken in de film, fungeert als het refrein der waanzin. Misschien laat de fijnbesnaarde filmliefhebber The Lighthouse, een nachtmerrie voor een claustrofoob, beter aan zich voorbij gaan. Maar voor hen met een beetje eelt op de filmziel: zorg dat je deze fascinerende prent hebt gezien.

 

 Regie: James Gray | Duur: 123 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Maanpiraten die met scherp schieten en een bloeddorstige aap die een ruimtelab op stelten zet. Niet voor niets concludeert astronaut Roy McBride in Ad Astra dat de mens van het heelal net zo’n bende maakt als van “the big blue marble”. Jammerlijk bovendien is dat Ad Astra nogal zweeft. Uiteraard omdat het SF-drama het eindeloze niets als setting heeft, maar vooral omdat de goede bedoelingen van regisseur James Gray uitmonden in een potpourriplot.

Een flitsend begin heeft Ad Astra wel. Roy (Brad Pitt) is bezig met werkzaamheden aan een ‘ruimtespeld’, een kilometers hoge, met het aardoppervlak verbonden smalle toren. Wanneer deze getroffen wordt door The Surge (De Piek, een geheimzinnige elektrische puls), moet hij lossen en zijn meerdere erkennen in de zwaartekracht. De Piek blijkt van Neptunus te komen, de planeet waar ooit zijn voor dood aangenomen vader Clifford (Tommy Lee Jones) de leiding had over het zogenaamde Lima Project. Is het een SOS van zijn vader? Zou hij dan toch nog in leven zijn? Gerekruteerd door kolonel Pruitt (Donald Sutherland) begint Roy aan een missie naar de rand van ons zonnestelsel.

Het is de nabije toekomst, een era van “conflict and hope”, leren de openingstitels. Tja, welk tijdperk is dat niet? Van positivisme of hoop is echter geen sprake in Ad Astra; de film ademt een en al zwaarmoedigheid. Exemplarisch daarvoor is Roy, de ietwat autistische zoon van de pionier waar zijn verdwenen vader voor doorgaat. Roy is geen prater en de meeste van zijn overpeinzingen komen dan ook via de voice-over tot ons. Het instrument neemt Pitt eigenlijk het werk uit handen; een fonkelende ster is hij in deze film in ieder geval niet. Het helpt ook niet dat zijn personage flets is. En blijft. Monotoon stemgeluid, stoïcijnse expressie, statische motoriek.

Wat betreft het trio sidekicks van formaat in Ad Astra (Donald Sutherland, Tommy Lee Jones en Liv Tyler): ook zij brengen niet de broodnodige schwung. Sutherland wekt de indruk naar het bejaardentehuis te verlangen en Tylers duit in het zakje is zo minimaal dat, mocht je de zaal even verlaten omdat je naar de wc moet, je haar melkwitte snoetje zou kunnen mislopen. Tommy Lee Jones ten slotte speelt een enorme zuurpruim die amper ontdooit als hij, vele jaren later, ineens oog in oog staat met zijn zoon. Het slot van Ad Astra raakt kant noch wal. Melodrama.

Pover spel en doodlopende verhaallijnen. Waarom versteent kapitein Tanner als de daling naar Mars wordt ingezet? Geen idee. Wat behelst het Lima Project precies? Geen idee. Wie of wat veroorzaakt nou die stroomstoten? Geen idee. Strakke visuals en een paar acteerkanonnen dichten niet per se alle gaten, laat dat duidelijk zijn. Treur echter niet: Hoyte van Hoytema is de cameraman van dienst en de soundtrack is erg oké. Toch nog twee sterren aan een grijs firmament.

 Regie: Ari Aster | Duur: 147 minuten | Taal: Engels & Zweeds | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Alsof je stoned door een pretpark slalomt. Zo voelt Midsommar aan, de nieuwe film van regisseur Ari Aster, die in zijn jeugdjaren van menig videotheek de horrorsectie ‘plunderde’, en wiens gezinsdrama Hereditary (2018) lovend werd ontvangen. Over Midsommar zijn de meningen nogal verdeeld: de een vindt hem weerzinwekkend, een ander briljant. Aster: “Ik hoop dat mijn film de mensen enigszins in verwarring achterlaat.”

Dani (Florence Pugh) en haar vriend Christian (Jack Reynor) bezoeken in het Noord-Zweedse Hälsingland een midzomerfestival. Al snel blijkt dat de organisatoren van de feestelijkheden er bizarre gebruiken en wonderlijk ceremonieel vertoon op nahouden. Hun verblijf aldaar heeft vooral impact op Dani, die kort voor de happening haar zus en ouders heeft verloren.

Wat je ook van Midsommar vindt, de meeste kijkers zullen onderschrijven dat Aster je behoorlijk bij de neus neemt. De film begint met de tragedie die hoofdrolspeelster Dani te slikken krijgt. Haar bipolaire zus pleegt zelfmoord en betrekt pap en mam in haar wanhoopsdaad. Een indringende opening tijdens welke Florence Pugh laat zien over uitzonderlijk veel talent te beschikken.

Na dat heftige begin volgt een relatief rustig gedeelte. Daarbij wel aantekenend dat je het voortdurend voelt borrelen in je maag. Zo’n ongemakkelijk, sudderend gevoel. Dat ongemakkelijke heeft te maken met het feit dat de relatie tussen Dani en Christian op sterven na dood is. Er gaat een enorme zwaarte van hen uit, individueel en als koppel. Hoe komen we in godsnaam van elkaar af?

Het openluchtfestijn lijkt de reddingsboei voor hun geërodeerde liefde, maar ook de zuivere lucht en het ongerepte groen baten niet. Sterker, eenmaal aangekomen opent zich een nieuw universum voor Dani en wordt de afstand tussen haar en Christian alleen maar groter. Het is ook vanaf dan dat Midsommar een bizarre wending neemt. Cinematograaf Pawel Pogorzelski kondigt die wending aan op het moment dat de vriendengroep het festivalterrein nadert: het beeld maakt als het ware een salto – klaar voor de trip van je leven? Het zwierige camerawerk (Pogorzelski strooit met perspectieven) is uitmuntend.

Wonderbaarlijk goed is tevens de nog jonge Pugh (1996) als de zachtaardige, kwetsbare Dani, die liever zelf lijdt dan haar omgeving te kwetsen. Ze ondergaat een transformatie in Midsommar die eindigt in een allesbevrijdende glimlach. Beeld en muziek (het schitterende Fire Temple) zetten je tijdens die slotscène in vuur en vlam. Let verder ook op haar handen. Heel knap hoe ze daarmee speelt, hoe die elkaar opzoeken in een poging de balans te bewaren. Een Oscarnominatie voor haar performance, dat kan toch niet anders?

Break-upfilm meets folkhorror. Ari Asters Midsommar is een duidelijke verwijzing naar The Wicker Man (1973) van Robin Hardy, het magnum opus van een subgenre dat eind jaren 60 en begin jaren 70 in de lift zat. Een film die de keerzijde van de hippiescene verbeeldt, waar de zoektocht naar het goddelijke ontaardt in satanische rites, sektarisch geweld en, uiteindelijk, complete hysterie.

Vil de Dwaas. De Voorouderlijke Boom. Rubi Radr. En niet te vergeten: Attestupan. Midsommar is een belevenis waarbij een ritje in een Efteling-attractie zoiets is als koekhappen op een kinderfeestje. Weerzinwekkende of juist briljante cinema? Beide, met de nadruk op dat laatste. Een meesterlijke mindfuck die verstilt en verstikt. Gaat dat zien, gaat dat zien.

 Regie: Corin Hardy | Duur: 96 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Met The Nun heeft ze haar spin-off te pakken: de duivelse non uit The Conjuring 2 (2016) van horrorspecialist James Wan. De Australiër brak in 2004 door met Saw, een lowbudgetfilm die uitgroeide tot een lucratieve horrorfranchise. Met Dead Silence (2007) en Death Sentence (2007) gaf hij dat succes echter geen passend vervolg; beide films flopten. Maar Wan revancheerde zich met het alleraardigste The Conjuring (2013). En ook aan The Nun droeg hij zijn steentje bij, als schrijver en coproducer. Tevergeefs; de film is nauwelijks om aan te gluren.

Het is 1952. In de abdij van Sint-Carta (Roemenië) pleegt een jonge non onder mysterieuze omstandigheden zelfmoord. Het Vaticaan ontbiedt hierop eerwaarde Burke (Demián Bichir), die overigens geen smetteloos blazoen heeft. Met novice Irene (Taissa Farmiga) reist hij af naar de plek des onheils om de onderste steen boven te krijgen.

Aardedonkere vertrekken, prevelende nonnen, flikkerend kaarslicht, een verwaarloosd kerkhof, joekels van kraaien: The Nun leent zich niet echt voor knusse vakantiekiekjes. Tegelijkertijd is de spookachtige setting wel het enige goede element van de film. De rest? Oh My God. Bagger. Al na drie minuten weet je dat dit weer zo’n van-dik-hout-zaagt-men-planken-productie is. Waarom? Omdat het eerste lijk dan al een feit is. Lekker subtiel.

In het vervolg wordt het er niet beter op – understatement. Het plot heeft kop noch staart en het acteerwerk is ontzettend doorsnee. Alleen het optreden van Taissa Farmiga (de jongere zus van Vera Farmiga die Lorraine Warren speelt in de Conjuring-films) is nog enigszins het aanzien waard. Bichir daarentegen bakt weinig van zijn rol als geestelijke. Een spaghettiwestern, daar past-ie veel beter in. De dialogen missen iedere vorm van vernuft, fantasie. Clichés komen er voor in de plaats. “Wees voorzichtig, zuster.” Briljant advies. En nadat Burke door zuster Irene ternauwernood is bevrijd uit een doodskist, volgt de verpletterende conclusie dat er een “krachtig kwaad” actief is. Bibber.

“Finit hic, Deo.” Vrij vertaald: God eindigt hier. Die tekst staat in een houten deur gebrand. Je moet er toch niet aan dénken dat die deur ooit opengaat?! U begrijpt: hoe langer ik over The Nun nadenk, hoe meliger ik word. De Conjuring-franchise neemt plots een lachwekkende wending. Kan niet de bedoeling zijn als je juist de stuipen op het lijf gejaagd wil worden.