Regie: Joseph Kosinski | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

‘Earth is a memory worth fighting for’. Dat is de slagzin van de SF-film Oblivion van Amerikaans filmmaker Joseph Kosinski. Oblivion (‘vergetelheid’) is de verfilming van Kosinski’s graphic novel met dezelfde titel. Dat de film geen hoge ogen gooide, komt vooral door het plot waar van alles mis mee is. Waar helemaal niets mis mee is, is het production design. Ander dik pluspunt: de soundtrack.

Het jaar 2077. Na een invasie door buitenaardse wezens (Scavengers) en de nucleaire tegenaanval van de mens is de aarde onbewoonbaar geworden. Overlevenden wonen inmiddels op Titan, een maan van de planeet Saturnus. Slechts een handjevol mensen waagt zich nog op het aardoppervlak. Een van hen is Jack Harper (Tom Cruise). De technicus repareert de drones die worden ingezet tegen de ‘Scavs’. Jack wordt daarbij geholpen door zijn verbindingsofficier Victoria (Andrea Riseborough). Hun missie zit er bijna op, totdat Jack op een dag een mysterieuze vrouw redt uit een neergestort ruimteschip.

Oblivion is de moeite waard vanwege het jasje waarin de film is gestoken. Zeg maar jas, want kosten noch moeite zijn gespaard. Een behoorlijk deel van het totale budget (zo’n 120 miljoen dollar) is gaan zitten in het op schaal nabouwen van het bubbleship, het wendbare vehikel waarin Jack tussen hemel en aarde pendelt. Zeer geslaagd is tevens de strak ontworpen sky tower, woning en kantoor tegelijk, welke middels een smalle pin met de aarde is verbonden. Je waant je in Oblivion letterlijk in de wolken, want de luchten die het zweefhuis van Jack en Victoria omgeven zijn puur natuur; ze zijn geschoten vanaf een vulkaan op het eiland Maui (Hawaï). Avond- en ochtendrood verzachten zo de kille blauw-, grijs-, en wittinten van hun residentie en hun outfits. Een fabelachtig mooie filmset.

Minder hemels is de aanblik van Moeder Aarde op zeeniveau. Stofvlaktes, kraters en resten van de menselijke beschaving, zoals enorme scheepswrakken en skeletten van bouwwerken, geven haar een troosteloos aanzien. Ook het Pentagon en het stadion van de New York Yankees liggen in puin. De verwoesting lijkt totaal, maar een paar groene berghellingen fleuren de doodse korst wat op. Er is dus nog leven! Wat een bizarre realiteit schept Kosinski in Oblivion. “Beautiful desolation” typeert de begenadigd plaatjesdenker het treffend.

Artistiek gezien staat Oblivion als een huis, maar het verhaal ontspoort op den duur. Tot het moment waarop Julia (de mysterieuze vrouw, gespeeld door Olga Kurylenko) hardhandig kennismaakt met het fenomeen zwaartekracht, is het allemaal prima te volgen. Wel daarbij de volgende kanttekening: het is niet handig van Kosinksi om al in de openingsscène voor te sorteren op Julia’s entree. Bedoeld als teaser? Het heeft het effect van een spoiler. En aan Olga Kurylenko het verzoek om ook eens míjn tuin als crashsite uit te kiezen; dan kijk je later toch een stuk prettiger terug op de lockdown. Grinnik.

Julia schudt Jack nog verder wakker. Ze neemt namelijk een centrale plaats in binnen zijn herinneringen aan het aardse bestaan voor de oorlog. Herinneringen die op de gekste momenten opborrelen, maar die hij eigenlijk niet meer kan hebben omdat zijn geheugen is gewist. Het nieuwsgierige aagje gaat hierop op onderzoek uit, wat tegen het zere been is van zijn gezagsgetrouwe partner Victoria. Het acteerwerk is oké (fijn om oude vos Morgan Freeman ook nog even in actie te zien), maar Julia is de gamechanger in de film. De liefde van Victoria brokkelt hierna snel af, wat tevens gezegd kan worden van de verhaalstructuur.

Een narratief kaartenhuis dat eruitziet als een sprookjesvilla: Oblivion laat je achter met dubbele gevoelens. Ik hou trouw vast aan het Blik Op Film-concept door niet te veel te verklappen, maar eerlijk is eerlijk: ik kon ik er na driekwart film geen touw meer aan vastknopen. Ontzettend jammer, want de vormgeving en de werkelijk epische soundtrack (het fantastische resultaat van de samenwerking tussen de Franse band M83 en componist Joseph Trapanese) hadden een verhaal met smoel verdiend. Werk aan de schrijfwinkel, meneer Kosinski.

Regie: Alice Winocour | Duur: 107 minuten | Taal: Engels, Frans, Russisch & Duits | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Ruimtefilms staan dikwijls garant voor rampspoed, robuuste actie en vlotte visuals. Maar Proxima valt niet te betrappen op die blockbusterkwalen. De film is ‘easy going’ en speelt zich bovendien af op de grond. Tot zover het goede nieuws. Minder prettig: regisseur Alice Winocour slaagt er niet in om van Proxima een pakkend drama te maken.

De Franse astronaute Sarah (Eva Green) wordt geselecteerd voor een ruimtemissie. Ter voorbereiding moet ze een pittige training afwerken en krijgt ze te maken met een door mannen gedomineerde werkomgeving. Maar vooral de wetenschap dat ze haar achtjarige dochtertje Stella (Zélie Boulant) een jaar lang zal moeten missen, doet haar hart bloeden.

Verwachtingen had ik volop, maar jeetje wat kom ik sip de bioscoop uit. Eva Green, lovely Eva Green. Ik viel als een blok voor haar spel als Bondgirl in Casino Royale (2006). Had ik mijn levendige herinneringen aan de mysterieuze Vesper Lynd maar geschrapt voordat ik aan Proxima begon; een leermomentje. Niet dat Green er ineens weinig van bakt, maar serieus getest wordt ze evenmin.

Tergend langzaam de navelstreng doorknippen. Ik besef dat dit beeld niet erg smakelijk is, maar het is wel het euvel waar Proxima onder lijdt. Eigenlijk draait de film om maar één ding: het naderende afscheid tussen moeder en dochter. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven hun relatie. En behalve het eenzijdige plot is de sfeer behoorlijk landerig. Bijna honderd minuten verstrijken tot Sarahs werkelijke vertrek vanaf de raketlanceerbasis in Bajkonoer. Die eeuwige aftelprocedure is een uitstekend slaapmiddel.

De honderd minuten draaien hoofdzakelijk om de dynamiek tussen een volwassen vrouw en een jong kind. Sarahs moederinstinct en schurende dilemma zijn uiteraard perfect voorstelbaar. Een halfuur lang is het verhaal dan ook nog aardig te verteren. Daarna krijgt zeurderigheid de overhand. Moeder kan kind niet loslaten, kind kaatst het balletje terug. Kind boos, moeder verdrietig. Kind verdrietig, moeder boos. Hun ongezonde symbiose is niet leuk om naar te kijken. Op het vervelende af.

Bijna vergeet je dat Sarah ook nog een ambitieuze astronaute is. Alhoewel: fysiek en mentaal wordt de training haar op den duur te veel. Collega-astronaut Mike Shannon (Matt Dillon) werpt zich maar wat graag op als een soort beschermheer, maar in haar beperkte universum is er nauwelijks plek voor hem. Niet zo vreemd, bedenk ik na een uur, dat ze tevens gescheiden is van haar Duitse echtgenoot Thomas, een astrofysicus die trouwens ook niet van het doek spat.

Wat dan wél leuk is aan Proxima? De bescheiden bijdrage van Aleksey Fateev. Het is het spaarzame hoogtepuntje in een film die zich in drie woorden laat samenvatten: missie niet volbracht. Pff, wat hunker ik na dit weke melodrama naar een ruimtefilm waarin, heerlijk ouderwets, op volle toeren de gehaktmolen draait.

 Regie: Alexandre Aja | Duur: 87 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Crawl speelt zich voor een groot deel af in een kruipruimte van een in Florida gelegen huis. Een bijzondere setting voor een film en een zeer ongewone setting voor Florida, omdat huizen met een kelder er zeldzaam zijn. De Amerikaanse staat ligt namelijk op zeeniveau en bovendien bestaat de ondergrond vooral uit zand.

Een orkaan van categorie 5 koerst pal op Florida af. Haley (Kaya Scodelario) negeert echter het evacuatiealarm en gaat op zoek naar haar vader Dave (Barry Pepper), die ze telefonisch niet te pakken krijgt. Uiteindelijk treft ze hem gewond en bewusteloos aan in de kelder van zijn huis. Al snel wordt duidelijk dat het wassende water niet hun grootste probleem is.

Gezellige boel, daar in Florida. Hitte, muggen, orkanen en – o jee, wat kruipt en kronkelt daar nou? – reptielen. Monsters met een waffel waar een bus in past en met schubben waar Godzilla jaloers op zou worden. Dus nee, geen beestjes voor in een kooitje op de vensterbank. De krokodillen in Crawl zijn uiterst angstaanjagend, maar hebben wel nadrukkelijk de computer als wieg; het is een veeg teken dat krokodil 1 er vriendjes op nahoudt die volmaakt identiek aan hem zijn.

Een ander dingetje is de vrolijke muziek onder de aftiteling. See You Later, Alligator is ongetwijfeld grappig bedoeld, maar volstrekt niet in lijn met wat je zojuist gezien hebt. Want Crawl is vooral bloedstollend. En steekt, op een paar schoonheidsfoutjes na, goed in elkaar. In positieve zin vallen twee dingen op: het zeer volwassen spel van Maze Runner-meid Kaya Scodelario (enorm gegroeid als actrice), en de montage; je schrikt je hier en daar het apelazarus!

Nadeel is dan weer dat regisseur Alexandre Aja een Amerikaanse rampenfilm-traditie voortzet. Op het moment dat mensen het water aan de lippen staat (in Crawl is dat ook letterlijk het geval), vervallen we in sentimenteel gedoe. Zo heeft Dave plots de behoefte om familieperikelen te bespreken die de kloof tussen hem en Haley even moeten dichten. Los van zijn beroerde timing wil ik vaderlief bij deze adviseren dat voortaan lekker bij een knapperend haardvuur te doen, en niet terwijl je in een ranzig hol achtervolgd wordt door happend gespuis.

Een paar minnetjes dus, maar de plussen wegen zwaarder. Crawl is geen kraker van jewelste, maar gewoon degelijk gemaakt, zeer vermakelijk kijkvoer waar je verder niet te veel achter moet zoeken. Zet je verstand op nul en beleef een ondergrondse plons die je niet snel zult vergeten.

 

 

 Regie: David Kerr | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Ooit had ‘rubber face’ Rowan Atkinson (1955) de lachers nadrukkelijk op zijn hand, in de rol van antiheld Mr. Bean. Had hij zich maar tot dat succes beperkt. Het is jammer dat de Britse acteur zich heeft laten strikken voor de bleke parodies Johnny English (2003), Johnny English Reborn (2011) en Johnny English Strikes Again. Voor alle drie geldt dat protagonist Johnny English de mislukte afgeleide is van Mr. Bean, waardoor er niet veel te lachen valt.

In Groot-Brittannië breekt de pleuris uit wanneer na een cyberaanval de personalia van alle geheim agenten op straat komen te liggen. Ex-spion Johnny English wordt hierop ingeschakeld om het brein achter deze snode daad te ontmaskeren.

Waarom zit er acht jaar tussen Johnny English en Johnny English Reborn? En duurt het zeven jaar eer we met Johnny English Strikes Again de beroepskluns opnieuw aan het werk zien? Niet omdat de tijd ertussen aan grondig denkwerk is besteed. Een parapluutje aan de neus getuigt daar in ieder geval niet van. En werkt mij bovendien niet op de lachspieren. Niet meer. Evenmin grappig: een English die op de dansvloer uit zijn dak gaat. Nog flauwer is de actie waarmee hij een peloton Franse wielrenners een halt toeroept. Qua humor richt de film zich duidelijk op kleuters; volwassenen zullen zich al snel vervelen.

Uiteraard weerspiegelt ook Johnny English Strikes Again de wereld anno nu en botsen moderne snufjes met het tijdperk-Desmond Llewelyn (‘Q’ in de James Bond-films). Twee werelden die co-existeren; het is eigenlijk het enige geslaagde plotlijntje in de film. Zo moet English enerzijds geloven aan virtual reality, maar verkiest hij anderzijds een vuurrode Aston Martin boven een hybride auto. Aardig is verder dat hij de met een iPad uitgeruste babyface-schurk zelfs in een middeleeuws harnas te slim af is. Die gekke Britten toch. Traditie voor alles.

Daarmee is de koek wel op. Johnny English Strikes Again is een magere komedie die ook niet leuker wordt door de aanwezigheid van de gelouterde Emma Thompson en de oogverblindende Olga Kurylenko. In Thompson zien we de hysterische variant van ‘Prime Minister’ Theresa May, Kurylenko speelt de femme fatale. Overtuigend is het allemaal niet. Hopelijk zet men een dikke punt achter deze franchise. Zo niet, think again.

 Regie: Christopher McQuarrie | Duur: 147 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Heeft Tom Cruise de eeuwige jeugd? De Hollywoodster telt inmiddels zesenvijftig lentes, maar beweegt nog steeds als een jonge god over de filmset. Stuntje hier, stuntje daar. Natuurlijk gaat dat wel eens mis, zoals vorig jaar in Londen tijdens de opnames voor Mission: Impossible – Fallout. Een riskante sprong van een stellage op een gebouw moest hij bekopen met (slechts) een gebroken enkel. Halsbrekend is ook zijn rit in een helikopter, aan het einde van dit zesde Mission: Impossible-deel. Een vermakelijk deel vol straffe actie.

IMF-agent Ethan Hunt (Cruise) ziet in Berlijn een missie in de soep lopen, waardoor drie levensgevaarlijke plutoniumkernen in de handen van extremisten belanden. Samen met zijn trouwe partners Luther (Ving Rhames) en Benji (Simon Pegg) moet Hunt hierop serieus aan de bak. Op uitdrukkelijk verzoek van CIA-baas Erica Sloan (Angela Bassett) krijgen ze hierbij bovendien assistentie van agent Walker (Henry Cavill).

“Please don’t make me laugh” luidt het slotakkoord van de film. Daar slagen de makers van Fallout vrij aardig in. McQuarrie’s tweede Mission: Impossible-film loopt niet over van de humor. Jammer, maar dat weegt minder zwaar dan het feit dat het verhaal, overzichtelijk in het begin, na een uur uiteenspat als een fragmentatiebom. Erg veel plotlijntjes. En zoals wel vaker in dit soort films vechten die met de bulldozerende actie om de gunst van de kijker. Omdat de spanning daarnaast vrij vlak is, verslapt na twee uur filmgeweld de aandacht. Een paar oneliners had in dit verband uitkomst kunnen bieden.

Een beetje droog dus, maar gelukkig biedt ‘MI 6’ verder veel goeds. Het camerawerk is fantastisch, de montage zo scherp als een scheermes en op het acteerwerk is weinig aan te merken, hoewel niemand van de cast je echt zal bijblijven. Op Cruise na dan. Hij bungelt weer heerlijk hartstochtelijk aan bergwanden, knettert als een volleerde motormuis door de straten van Parijs en maakt het luchtruim van Kashmir (in werkelijkheid Nieuw-Zeeland) onveilig. De bijdragen van sidekicks Henry Cavill (niet heel charismatisch), Ving Rhames (zalig figuur) en de clownesk aandoende Simon Pegg zijn daarbij van voldoende niveau.

Franchise-moeheid is een valkuil; niet zelden vallen sequels nogal tegen. Dat geldt opvallend genoeg niet voor deze franchise, die sinds de derde film de opgaande lijn te pakken heeft. Mission: Impossible – Fallout scoort op IMDb zelfs dik boven de 8. Hmm, dat is iets te veel van het goede. Ondanks steady lefgozer Tom die de gekste capriolen uithaalt, maar nimmer grip op de situatie verliest. Cruisecontrol noem je zoiets.

 Regie: Dean Devlin | Duur: 109 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Overvloedige neerslag, oprukkend woestijnlandschap en ijskappen die in rap tempo smelten: op Donald Trump en consorten na weet iedereen dat klimaatverandering géén storm in een glas water is. Wat de menselijke invloed op het klimaat betreft, doet de actiethriller Geostorm er nog een schepje bovenop.

Struisvogelpolitiek heeft de aarde tot aan de rand van de afgrond gebracht. Daarom hebben de wereldleiders Dutch Boy laten bouwen, een netwerk van satellieten waarmee het weer beheerst kan worden. Maar op zeker moment valt het systeem onze planeet aan en dreigt er een catastrofe zonder weerga. Hierop stuurt men meteoroloog Jake Lawson de ruimte in. Samen met zijn broer Max moet hij de apocalyps zien te voorkomen.

Ga je voor popcorn naar de bioscoop? Voor een colaatje? Nee, je gaat voor mooi acteerwerk, of voor een piekfijn plot. Slecht nieuws: tijdens Geostorm geniet u waarschijnlijk meer van uw versnaperingen dan van de film. Want zowel plot als acteerwerk zijn om te janken. Het zegt veel dat Talitha Bateman (nota bene het jongste castlid) als enige een voldoende scoort; de rest speelt zonder bezieling. Gerard Butler (Jake) is het meest bedroevend van allemaal. Hij opereert niet of nauwelijks als het slimme brein dat de mensheid moet redden, eerder als brommende bouwvakker. Over het spel van Jim Sturgess (Max), Abbie Cornish (Sarah), Andy Garcia (president van Amerika) en Ed Harris (Dekkom) kunnen we ook kort zijn: vlees noch vis.

Dan het verhaal. Amerika fixt het wel even, ook nu weer natuurlijk. Het rafelige plot (matig uitgewerkte verhaallijnen) is doortrokken van een broedertwist. Max snijdt in de tweede scène de oudere Jake namelijk de pas af, waarmee we zijn vertrokken voor een portie melodramatisch gereutel. Niet één dialoog blijft je bij. Weinig inspirerend is ook de stiekeme relatie tussen Max en zijn vriendin Sarah. Mevrouwtje ‘ik-wil-wel-maar-ik-mag-niet’ hangt voortdurend de coole chick uit. En die arme Max maar bedelen om haar gunst. Absoluut dieptepunt is de slotscène, waarin een schattig meisjesstemmetje het wij-gevoel bezingt. Jeuk.

Geostorm, het regiedebuut van Dean Devlin, is tenenkrommend. De ramp(en)film hangt van oppervlakkigheden aan elkaar; de aardige visuals zijn slechts een doekje voor het bloeden. Blijf dus thuis en ga lekker rummikuppen. Of popcorn maken, altijd leuk!

 Regie: James Cameron | Duur: 137 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

“I’ll be back”, sprak Arnold Schwarzenegger resoluut in The Terminator (1984). En de dodelijke kleerkast hield woord. In 1991 keerde hij terug in het succesvolle vervolg Terminator 2: Judgment Day, waarvan het budget trouwens ruim 100 miljoen dollar bedroeg (tegen amper 6.5 miljoen voor The Terminator). De film sleepte vier Oscars in de wacht en bracht wereldwijd een half miljard dollar in het laatje. Het leukste weetje is echter dat hij opnieuw is te zien, in 3D.

Hoe zat het ook alweer? In de eerste film is de jonge Sarah Connor (Linda Hamilton), moeder van toekomstig verzetsleider John (Edward Furlong), doelwit van een cyborg (Schwarzenegger) die naar het verleden is gestuurd om haar te elimineren. Dat mislukt, waarna Schwarzenegger het in deel 2 opneemt tegen een nog dodelijker Terminator-model: de T-1000 (Robert Patrick) die het dit keer op John Connor zelf heeft voorzien.

Jeugdsentiment voor de een, een noviteit voor de ander. Het maakt niet uit: Terminator 2: Judgment Day is en blijft een vette prent. Een paar momenten daargelaten voegt de 3D-bewerking weinig toe, maar dat mag de pret niet drukken. Waar een gemiddelde blockbuster niet zelden migraine-materiaal is, neemt regisseur James Cameron juist de tijd om het verhaal te laten ontstaan. Het simpele plot draait om het kat-en-muisspel tussen de twee mensachtige robots, met actie die je naar adem doet happen. Grootste verdienste ten opzichte van The Terminator is dat hij minder luguber is, minder bloedig. Er is meer ruimte voor dialogen en humor. Vooral de interactie tussen Schwarzenegger en Furlong is prachtig. De knul slaagt erin de machine menselijkheid bij te brengen. “No problemo” en “hasta la vista, baby”, in plaats van “negative” of  “affirmative”.

Sequels zijn vaak minder indrukwekkend dan hun voorganger, maar Terminator 2: Judgment Day is een uitzondering op die regel. Het geweldige camerawerk, de montage en de effecten zijn nog een paar redenen om de klassieker te gaan zien. Bedenk daarbij dat de toegetakelde Schwarzenegger (laatste scène) het uitzonderlijk knappe resultaat is van vijf uur werk van een peloton aan grimeurs. Eindoordeel: tof dat je terug bent, Arnie!

 Regie: Christopher Nolan | Duur: 106 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Het begon met een telefoontje van producer Jake Meyers (The Revenant, 2015) naar zijn Nederlandse collega Erwin Godschalk. Hij belde namens regisseur Christopher Nolan die op zoek was naar een geschikte locatie voor zijn oorlogsdrama Dunkirk. Het aan het IJsselmeer gelegen Urk viel bij Nolan in de smaak, waarna een Hollywood-tsunami het vissersdorp overspoelde. Dat er in de kerkgemeente niet in het weekend, laat staan op zondag gedraaid mocht worden, was geen probleem. Goddank.

Dunkirk vertelt de gebeurtenissen die zich eind mei 1940 afspelen in de Noord-Franse havenstad Dunkerque. Honderdduizenden Britse en Franse soldaten worden op dat moment door de van alle kanten oprukkende Duitsers richting zee gedreven. Er zit niets anders op dan de troepen te evacueren; een mega-operatie die de geschiedenis zou ingaan als het ‘Wonder van Duinkerke’.

Spektakel, daar lust Christopher Nolan wel pap van. Denk aan Inception (2010) en Interstellar (2014). En Dunkirk dan? Welnu, fasten your seatbelts! De film is gedraaid op IMAX, met camera’s zo massief als een blokkendoos. De uitdaging om daarmee ook handheld te kunnen filmen bleek een kolfje naar de hand van cinematograaf Hoyte van Hoytema, die sensationeel beeldmateriaal heeft geschoten. Talrijke close-ups katapulteren de kijker tot op de huid van de personages. De beleving wordt nog heftiger door de geraffineerd bewerkte soundtrack en geluidseffecten van gigant Hans Zimmer, die zijn voorkeur voor ‘crescendo’ (geleidelijke toonversterking) nog maar eens onderstreept. Een slordigheidje is dat zijn muziek soms verzuipt in het overvloedige achtergrondgeluid.

Drie verhaallijnen (de strijd op de grond, in de lucht en op het water), omlijst door audiovisueel machtsvertoon. Adembenemend, maar een echt plot is er niet en bovendien mist de film een protagonist. Had de focus niet wat meer op de personages moeten liggen? Van het trio topacteurs Tom Hardy, Cillian Murphy en Mark Rylance krijgt alleen de laatste de kans zich te onderscheiden. Geflankeerd door zijn zoons Peter en George dirigeert de kapitein zonder veel woorden te bezigen. Een rol die de charismatische Rylance fantastisch invult.

Intens, intenser, Dunkirk: aan zweethanden of hartkloppingen valt nauwelijks te ontkomen tijdens Nolans docu-achtige blockbuster die alom met veel enthousiasme is onthaald. En die het vredige Urk op de filmkaart heeft gezet. Is het volgende Urker sprookje de bouw van een heuse bioscoop in het dorp?

 Regie: David Mackenzie | Duur: 102 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Hell or High Water eindigt met de ontmoeting tussen sheriff Marcus Hamilton (Jeff Bridges) en Toby Howard (Chris Pine). Wetende dat hij en zijn broer Tanner een serie bankovervallen op hun naam hebben staan, vraagt Hamilton hem naar hun motieven. Toby’s antwoord zegt alles over de teneur in deze voor vier Oscars genomineerde neo-western, die zich afspeelt in het droefgeestige West-Texas.

De twee onafscheidelijke broers hebben het specifiek gemunt op kleine vestigingen van de Texas Midlands Bank. Wel gaan ze daarbij zo ethisch mogelijk te werk. De zaken verlopen voorspoedig, totdat bijna-pensionado Hamilton zich in de zaak vastbijt.

Toby is het brein achter hun strooptocht, ex-bajesklant Tanner (een geweldige Ben Foster) deelt de lakens uit. De emotioneel beschadigde bloedverwanten hebben een haat-liefdeverhouding waarbij Tanner, een onruststoker die kickt op adrenaline, de veel introvertere Toby tot wanhoop drijft. Zelden zijn de tegenpolen het met elkaar eens, met fantastische woordenwisselingen tot gevolg.

Over tegenpolen gesproken. Ook Marcus en de halfindiaanse Alberto (Gil Birmingham) verdienen dit predicaat. De roestig bewegende Bridges – zijn binnenmondse accent is schitterend – speelt de doorgewinterde autoriteit, Birmingham zijn tegensputterende kompaan. De twee nemen elkaar regelmatig op de hak, wat een paar heerlijke oneliners oplevert. “Soms vindt ook een blind varken een truffel” is wel de beste.

Het plot van de film zit ‘m in de titel. ‘Come to hell or high water’ wil zeggen dat je alles uit de kast haalt om iets gedaan te krijgen, hoe zwaar je dat ook valt. Daarnaast verwijst hij naar de ‘hell or high water’-clausule in een (lease)contract. Deze bepaling stelt dat de betalende partij aan zijn financiële verplichtingen moet voldoen, ongeacht de situatie.

Het prima script van Taylor Sheridan, messcherp acteerwerk en de onvoorstelbaar mooie soundtrack (van gevoelig tot rauw) zijn de sterkste componenten van Hell or High Water, een daverende misdaadthriller van de Schotse regisseur David Mackenzie waarin het menselijk drama voortdurend voelbaar is. Drama dat mede te wijten is aan aasgieren als de Texas Midlands Bank. Hamilton beseft dat maar al te goed, waardoor hij en Toby in de slotscène bijna als vrienden afscheid nemen.

 Regie: Jaume Collet-Serra | Duur: 86 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Een survivaldrama in een waterrijke setting, hebben we dat niet eerder gezien? Ja, in Cast Away (2000), Open Water (2003) en All Is Lost (2013). The Shallows heeft een beetje van alle drie, maar doet het meest denken aan het ongeëvenaarde Jaws uit 1975. Dit vanwege de gehaaide ‘tegenspeler’ van hoofdpersoon Nancy (Blake Lively).

Het begin van The Shallows is net een Bounty-reclame. Om uw geheugen op te frissen: in deze tv-commercial uit de jaren 80 en 90 doet een appetijtelijke dame zich op een tropische plek tegoed aan kokos in melkchocolade. Laat die lekkernij weg en je hebt twee ingrediënten van The Shallows te pakken. Nancy hoopt namelijk ongestoord te kunnen surfen in een afgelegen baai. Dat surfen gaat haar aardig af, maar helaas blijft ze één golf te lang.

Films met slechts één locatie (in dit geval het wonderschone Lord Howe-eiland), één personage en een kaarsrecht plot vragen om iets extra’s. Dat extra’s brengt Blake Lively (1987). Ze komt voor als dromerige zeemeermin wier vredige mindset bruusk omslaat in ontreddering wanneer een witte haai haar van haar surfplank beukt. Weg stukje paradijs op aarde. Via een dode walvis belandt ze op een rots op zo’n 200 meter van het strand. Vervolgens is een aanzienlijk deel van de film gewijd aan een kat-en-muisspel: terwijl de roofvis haar geen moment uit het oog verliest, gaat de potige Nancy het gevecht aan. Met haar verwondingen, het water en haar plaaggeest. Complimenten aan Lively die fysiek een topprestatie levert en een statische situatie spannend weet te houden.

Filmen op zee is ontzettend moeilijk. De kracht van het permanent bewegende water, het grillige weer en technische mankementen dreven de crew van The Shallows tot een uiterste krachtsinspanning. Maar van deze belemmeringen is absoluut niets te zien in deze realistische thriller, waarin de kijker zich bovendien kan vergapen aan de zeer geslaagde CGI (Computer-Generated Imagery).

The Shallows