Regie: David Lynch | Duur: 112 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Het doel heiligt de middelen in The Straight Story van meestercineast David Lynch, de meest hartverwarmende roadmovie die ik ooit heb gezien. Slechts een bescheiden film binnen het oeuvre van de man die aan de basis stond van de razendpopulaire, surrealistische televisieserie Twin Peaks, en daarnaast successen vierde met films als The Elephant Man (1980), Blue Velvet (1986), Wild at Heart (1990) en Mulholland Drive (2001). The Straight Story is gebaseerd op waargebeurde feiten. Het intieme drama betekende het laatste kunststukje van de Amerikaanse acteur en voormalig stuntman Richard Farnsworth.

Alvin Straight (Farnsworth) is de 73-jarige protagonist in The Straight Story. Hij is al jaren gebrouilleerd met zijn broer Lyle, maar wanneer Alvin op een dag verneemt dat die een beroerte heeft gehad, besluit hij hem op te zoeken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, daar ook Alvin niet meer de fitste is. Daarnaast woont hij honderden kilometers van Lyle af, beschikt hij niet over een rijbewijs en wijst meneer bovendien alle hulp af.

Hij loopt met stokken vanwege kapotte heupen, is slechtziend en heeft longemfyseem door het roken: het aardse bestaan van Alvin hangt aan een zijden draadje. Wat zijn toestand betreft is de analogie met Richard Farnsworth opmerkelijk te noemen, omdat ten tijde van de opnames ook de acteur de dood in de ogen keek. Farnsworth kampte met hevige pijnen als gevolg van terminale botkanker; via een pistoolschot maakte hij een einde aan zijn lijden. Hij werd 80 jaar.

Iets meer dan 250 mijl (ruim 400 km) scheiden de broers Alvin en Lyle van elkaar. Een aanzienlijke afstand door een heuvelachtig stukje Amerika. Dan is het meest voor de hand liggende transportmiddel een grasmaaier, nietwaar? Iedereen verklaart Alvin voor gek, zelfs zijn aan hem toegewijde dochter Rose (Sissy Spacek). Wat denkt-ie wel? Maar Alvin is bloedserieus en zet door, zelfs na een valse start. En zo vertrekt hij op een tweedehands John Deere-grasmaaier vanuit Laurens (Iowa) naar Mount Zion in Wisconsin.

Op míjn manier, in míjn tempo. In The Straight Story zien we deels ook de cineast zelf in het zadel zitten, schrijft Adam Nayman in een mooi artikel over Lynch’ film. Nayman: “The Straight Story can be understood as the work of a maturing artist determined to follow his own path after a series of setbacks.” Dat pad voert de kijker door een decor waar Lynch een patent op heeft: Amerikaanse plattelandsstadjes. In The Straight Story liggen die slaperig verzonken in oneindige velden graan en maïs. En terwijl de oogstmachines overuren draaien, tuft tussen het kaf en het koren een oude man richting de verzoening met zijn broer.

Het warme, goudgele herfstlicht is emblematisch voor zijn tocht der loutering. De camera gaat mee in het sukkeldrafje van Alvin, wiens racemobiel ook nog een kar moet trekken en daarom amper tien kilometer per uur haalt: doorgaans langzaam maar gedecideerd strijkt de lens over en langs het natuurschoon van Iowa en Wisconsin. Het sfeertje is dromerig, fabelachtig mooi. Enkel onderbroken wanneer de weergoden uitpakken met knetterend licht- en klankspel en we Alvin veilig onder een afdak zien genieten. Als een kind zo blij.

De loutering komt ook (en met name) tot uiting via de dialogen. Alvin komt onderweg namelijk mensen tegen met wie hij zich verbindt. Het zijn vonkjes waarvan de gloed evenwel ver draagt. Een van zijn ontmoetingen is die met een liftend tienermeisje dat op de vlucht is voor haar familie en vriendje. Subliemer kan cinema niet zijn. Bij een kampvuurtje (het element vuur is een terugkerend motief in The Straight Story, zowel destructief als zuiverend van aard) wisselen de twee vreemden hun zorgen en verdriet uit. Schitterend is Alvins metafoor voor de kracht van (een) familie: “That bundle, that’s family.”

Die scène is om nog een andere reden het hoogtepunt in een film met eigenlijk alleen maar hoogtepunten. Sissy Spacek is die reden. ‘Rosie’ noemt Alvin haar liefkozend. Spacek is weergaloos als zijn licht verstandelijk gehandicapte steun en toeverlaat in het huishouden. Ze is moeder van vier kinderen, maar die zijn haar ontnomen na een tragisch voorval. Eerder in de film maakt Lynch een toespeling op het gemis dat Rose hierdoor ervaart: via de vogelhuisjes die ze maakt en door het shot (in het donker) van een jongetje met een blauwe bal. Opnieuw voert hij in deze scène dat jongetje op, met dezelfde muziek als de eerste keer. Puur poëzie.

“This trip is a hard swallow of my pride”, zo luidt in The Straight Story de biecht van een kreupele grijsaard met fonkelende ogen. Fonkelend als de sterrenhemels waar hij en zijn broer Lyle (glimprol van Harry Dean Stanton) ooit, “so long ago”, eindeloos onder lagen te kletsen met elkaar. Hun weerzien beperkt zich tot een paar woorden, een paar blikken van ontroering; Lynch laat veel over aan de fantasie van de kijker. Alsof hij wil zeggen dat het vooral om de reis zelf gaat. Ga met Alvin mee op die reis en beleef de onvergetelijke zwanenzang van Richard Farnsworth (1920-2000), in a movie straight to the heart.

Regie: Adam McKay | Duur: 130 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

“Truth is like poetry. And most people fucking hate poetry.” De quote had de tagline van The Big Short kunnen zijn. Omdat de film een fraude uit de doeken doet die je je moeilijk kunt voorstellen. Vooral de grootschaligheid ervan. Zoiets kan toch niet waar zijn? Daar komt bij dat materie behoorlijk complex is. De term ‘vastgoedzeepbel’ an sich begrijp ik, maar bij ‘kredietverzuimswaps’ haak ik af. De film mijdt dit soort jargon zeker niet. Gesneden koek wellicht voor een beetje cijfernerd, maar voor mij (een taaldier) is het in eerste instantie abracadabra.

Dus bekijk ik The Big Short een tweede keer. Een derde, vierde en vijfde keer. En uiteindelijk valt het kwartje. Misschien had ik beter het boek van Michael Lewis kunnen lezen, het gelijknamige boek waarop de film is gebaseerd. Anderzijds is het scenario van Charles Randolph en regisseur Adam McKay een formidabele bewerking van dat boek. Durf ik te zeggen zonder het gelezen te hebben. Subliem is bovendien het werk van Hank Corwin, de editor. Hij heeft een aanzienlijk aandeel in het gegeven dat je soepeltjes door het bank- en investeringswereldje beweegt. Niet meteen de meest warmbloedige bedrijfstak. Uniform. Kantoorflats waar elke vorm van romantiek ontbreekt. Bevolkt door mannen in pakken. Mannen die pakken wat ze pakken kunnen. Haantjesgedrag op dertien hoog.

The Big Short begint in 2005. De Amerikaanse huizenmarkt is op dat moment een kaartenhuis dat op instorten staat. Tientallen jaren lang zijn er namelijk hypotheken verstrekt waarvan de financiering rammelt. Voor de oorsprong van deze malversaties (de film begint ermee) moeten we terug naar eind jaren 70. Lewis Ranieri, de ‘Grote Smurf’ van de New Yorkse investeringsbank de Salomon Brothers, kreeg destijds het lumineuze idee om hypotheekleningen te verpakken tot obligaties die doorverkocht kunnen worden. Het markeerde het begin van een nieuw tijdperk in het Amerikaanse geldwezen. Financials harkten aan de lopende band en met speels gemak honderden miljoenen dollars binnen; the sky was the limit.

Maar Wall Street zou in de jaren erna uitgroeien tot een luchtkasteel. Een verraderlijk bouwwerk met, blijkt in 2007, een plafond van graniet. En daartegen je hoofd stoten doet zeer. Vier vreemde vogels anticiperen in 2005 op een dergelijk scenario, op een financiële meltdown. Ze ontdekken dat vele Amerikaanse huizenbezitters (beter: huizenbewoners) hun betalingsverplichtingen aan de bank niet nakomen. Een crash van de vastgoedmarkt, en daarmee de ontwrichting van de wereldeconomie, hing in de lucht. Wat de film echter voornamelijk laat zien, is hoe de vier de crash uitbuitten en er schatrijk door werden. Dat deden ze middels een techniek die short gaan heet: winst behalen door in te spelen op een daling van de aandelen- of obligatiekoers.

Hoe short gaan precies werkt? Kijk voor de details naar The Big Short. Wat een prent. Steengoed. Een suf onderwerp zo wervelend verpakken is grote klasse. Ik noemde al Corwins Oscarwaardige ‘knip- en plakwerk’, en ook het spel en het camerawerk zijn geweldig. Het op waargebeurde feiten berustende verhaal is geconstrueerd rondom een drietal personages: Michael Burry (Christian Bale), Mark Baum (Steve Carell) en Jared Vennett (Ryan Gosling). De drie acteurs vlammen in dit biografische drama, dat de nodige elementen van een zwarte komedie herbergt.

De mensenschuwe cijferfreak Michael Burry is de meest excentrieke van de drie. Een autist met een glazen oog. Zonder pardon lapt hij de mannen-in-pakken-cultuur aan zijn laars: meneer draagt consequent een zomeroutfit. Ja, ook op kantoor. Daar zeker. T-shirtje, korte broek, sandalen. Hij zit met blote voeten achter zijn bureau. Hij is dol op heavy metal en ook buitengewoon kundig met een paar drumsticks. Als hoofd van het hedge fund Scion Capital koopt Burry voor 1,3 miljard dollar aan ‘credit default swaps’, wat hem op een storm aan kritiek komt te staan.

Dan manager Mark Baum (in werkelijkheid Steve Eisman). Een arrogante bulldozer met een moreel kompas van staal. Gaat recht op zijn doel af en windt nergens doekjes om (dat is nog licht uitgedrukt). Hij beheert een relatief bescheiden investeringsfonds en stuurt een klein team van handelaren aan. Baum gaat door het lint als hij doorziet welke frauduleuze hypotheekconstructies de banken schaamteloos aan de man brengen, hoezeer kredietbeoordelaars de ogen daarvoor sluiten en welke atoombom dat potentieel legt onder de economie. Carell dreunt echt van het doek; dat zijn hart het niet begeeft!

Ryan Gosling tot slot. Zijn aandeel in de film is drieledig. Hij is uitstekend als de zeer gelikte verkoper Jared Vennett (Deutsche Bank). Bovendien neemt hij de kijker bij de hand door de schimmige wereld van het grote geld. Dat doet hij via de voice-over en door de vierde wand te doorbreken, dus door zich rechtstreeks tot de kijker te wenden. Andere acteurs doen dat trouwens ook, maar Gosling het vaakst. Het is een slimme zet van McKay; de mini-intermezzo’s verschaffen de kijker wat meer structuur én ademruimte. Dat laatste is broodnodig, want The Big Short is net een circustent. Wel eentje die staat als een huis.

Ongelimiteerd graaien enerzijds, een grenzeloze kortzichtigheid anderzijds: hebzucht en stupiditeit vormden tientallen jaren lang de opmaat naar een explosieve cocktail. Een cocktail die de boeken inging als de ‘kredietcrisis’. Hebben de wantoestanden van toen tot bezinning geleid? Is het bankwezen een radicaal andere weg ingeslagen? The Big Short eindigt met een schokkende conclusie: nee, het grote wegkijken is gewoon met een paar jaar verlengd. Het is business as usual. Geen wezen zo hardleers als de mens. Betekent de volgende crisis dan wél de definitieve ondergang van onze schuldeneconomie?

 

Regie: Marc di Domenico & Charles Aznavour | Duur: 83 minuten | Taal: Frans | Kijkwijzer: AL

Camera

Place du Tertre, in het 18e arrondissement van Parijs. In een knus brasserietje zit ik te genieten van een pain au chocolat (nergens zo lekker als in het beloofde land zelf) en un grand café noir. De radio staat aan, het geluid uit de plafondspeakers kraakt een beetje. Alsof je vers stokbrood breekt. Plots brengen ze een mannenstem ten gehore. Zuiver timbre, bekoorlijke melodie. Mes emmerdes heet het chanson. En zo maak ik in juni 1997 kennis met chansonnier Chahnour Varinag Aznavourian, beter bekend als Charles Aznavour (1924-2018).

Het fameuze kunstenaarsplein is ook de plek waar Aznavour met zijn eerste vrouw woonde: zangeres Micheline Rugel. Piepjong waren ze, maar het was ‘le coup de foudre’ (liefde op het eerste gezicht). In 1946 zouden ze elkaar het jawoord geven. In La Bohème bezingt Aznavour die tijd. Het is nostalgie van de bovenste plank: de melodie, de tekst, de korrelige beelden van het naoorlogse Montmartre. Alles ademt onschuld in Aznavour, le regard de Charles. Een tedere blik over de schouder.

Uniek aan de documentaire is dat het een zelfportret betreft; Aznavour is aan het woord. Dat wil zeggen: we horen zijn observaties en overpeinzingen. De voice-over is van acteur Romain Duris en hij doet dat op voortreffelijke wijze. Zijn warme, heldere stem lijkt namelijk erg op die van Aznavour. Toch klinkt Aznavours signatuur het meest door in de beelden, om de simpele reden dat hij die zelf heeft geschoten. Want van wie kreeg hij in 1948 een filmcamera? Van niemand minder dan Édith Piaf. De dame die hem ontdekte.

“Je suis un homme de la rue, de l’extérieur.” Aznavour het straatjochie. Nooit ging hij zonder Piafs camera op pad. Hij filmde om dichter bij de mensen te komen, om het leven te ‘vangen’. We zien beelden uit Centraal Afrika, van de sloppenwijken in La Paz (Bolivia). Hij vertelt de kijker dat hij zich verloren voelt wanneer hij Macao bezoekt, een mierenhoop in Azië. Maar in Tokio, op tournee met zijn derde vrouw (de ruim twintig jaar jongere Zweedse Ulla Thorsell), is hij juist als een vis in het water.

“Je pense donc je suis” zei René Descartes. Aznavour knipoogt naar Descartes door te stellen: “Je me filme donc j’existe.” Het vlot gemonteerde Aznavour, le regard de Charles belicht niet zozeer zijn grote successen, hoewel hij die uiteraard wel kende. Zo ging hij met Piaf op tournee door Frankrijk en Amerika, met een bomvol Carnegie Hall (New York) in 1966 als hoogtepunt. In Québec was het vervolgens een waar gekkenhuis: in veertig weken tijd verzorgde hij in diverse clubs honderden optredens. Erna zong de naam van ‘Monsieur le Prince’ alom rond.

Veertig uur aan historisch filmmateriaal, gecomprimeerd tot 80 minuten: Aznavour, le regard de Charles is een ontroerend filmdocument over een kind van Armeense immigranten. Talentvol en in de wieg gelegd voor het avontuur. En die al 40 jaar is wanneer hij voor het eerst voet zet op vaderlandse bodem. Hij ontmoet er zijn oma en deelt handtekeningen uit aan fans. Beelden die nog maar eens aantonen dat Aznavour altijd dat jochie met een open blik zou blijven. Hij wilde niet zozeer gezien worden, hij wilde vooral zelf zien: “ U zag mij, maar u weet wellicht niet dat ik u ook zag.”

Regie: Farhad Savinia | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Taal is onderwerp van onderzoek in The Professor and the Madman, een biografisch drama naar het boek The Surgeon of Crowthorne uit 1998 van Simon Winchester. Op IMDb scoort de film onder critici gemiddeld 2.5. Er valt zeker het nodige aan te merken op wat Farhad Savinia ons voorschotelt, maar het lage rapportcijfer (op basis van slechts vier reviews) is mij te streng.

Engeland, 1872. De Schot James Murray (Mel Gibson) solliciteert naar de job om de eerste editie van de Oxford English Dictionary samen te stellen. Een op voorhand ondoenlijk karwei, want hoe verzamel en documenteer je álle woorden die de rijke Engelse taal herbergt? Gelukkig steekt een gepensioneerd legerarts, de Amerikaan William Chester Minor (Sean Penn), de helpende hand toe.

Waar komt de bagger die kenners over The Professor and the Madman uitstorten vandaan? Ik bekijk de film drie keer en stel vast dat Mel Gibson en Sean Penn, toch geen kleintjes binnen het acteergilde (beiden tweevoudig Oscarwinnaar), inderdaad niet de sterren van de hemel spelen.

Gibson speelt een uit het arbeidersmilieu opgeklommen autodidact die in het oer-Engelse, decadente universiteitswereldje van Oxford vriend en vijand verbaast met – overdrijven is ook een vak – zijn wel héél uitgebreide talenkennis. Probleem bij Gibson is dat hij vaak struikelt over de complexere emoties; veel kleuren telt zijn expressie-spectrum niet. Wanneer hij bijvoorbeeld door een tierende William dringend verzocht wordt om op te krassen, op het eind van de film, schiet hij in de tranen. Maar o jee wat doet hij daarbij met zijn mond? In de emotie hapt hij als een vis op het droge naar lucht. Een koddig gezicht.

Gibsons spel kan ermee door, dat van Penn niet. Laatstgenoemde wil veel te graag; een andere verklaring kan ik niet vinden voor zijn theatrale optreden. Hij speelt een 48-jarige ex-militair die claimt achtervolgd te worden door de deserteur die hij tijdens de oorlog heeft laten brandmerken. Zijn paranoia leidt tot de vergismoord waarmee de film begint, en zijn gedwongen opsluiting in het psychiatrisch ziekenhuis van Broadmoor. William wisselt momenten van innerlijke rust en luciditeit af met angstaanvallen en razernij, maar de schizofrene aard plakt Penn als een soort sticker op zijn personage.

Toch is er reden voor jolijt: Jennifer Ehle (als Ada, de vrouw van James), Natalie Dormer als de weduwe Eliza Merrett en Eddie Marsan als Mr. Muncie (bewaker in Broadmoor, een prachtig rolletje) geven de film kleur. Het zegt anderzijds veel over Gibson en Penn dat het vuurwerk moet komen van een drietal acteurs die alleen maar kunnen dromen van een Oscar(nominatie).

De echte pijn betreft het plot. Na vijftig minuten is er nog weinig aan de hand. Maar als William zich als een geschenk uit de hemel presenteert en het monnikenwerk van een wanhopige James vlot trekt, schakelen we plots twee versnellingen hoger. Een halve scheet later zijn James en William dikke vrinden, is het woordenboek af en raakt Eliza meer en meer gecharmeerd van de man die haar tot een armlastige weduwe bombardeerde. Pardon?

The Professor and the Madman is best amusant, maar heeft last van ruis: het plot is een propvol kladblok. Jammer dat Savinia niet inzoomt op de totstandkoming van het encyclopedische werk, op de “evolutie der betekenis” zoals professor Murray treffend stelt. Goede bijrollen en een paar fraaie tournures werken verzachtend, maar graag had ik een film gezien die de taal daadwerkelijk in de spotlights zet in plaats van deze te verbannen naar de kantlijn.

 Regie: Todd Haynes | Duur: 126 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

The Lawyer Who Became DuPonts Worst Nightmare‘. Onder die titel verscheen begin januari 2016 een artikel van Nathaniel Rich in The New York Times. Het is het uitgangspunt voor Dark Waters, een historisch drama dat de schellen van je ogen doet vallen. De film is een degelijk staaltje vakmanschap van regisseur Todd Haynes (Carol, 2015) waarin de hoofdrolspeler, drievoudig Oscargenomineerde Mark Ruffalo, echter meer had moeten brengen.

In Dark Waters speelt Ruffalo Robert Bilott, een door de wol geverfde bedrijfsjurist die net (het is 1998) partner is geworden bij het prestigieuze advocatenkantoor Taft, Stettinius & Hollister. Op een dag staat er een boer uit Parkersburg (West Virginia) voor zijn neus die beweert dat zijn vee massaal sterft omdat er in de buurt van zijn boerderij giftig afval wordt geloosd. Aarzelend gaat Bilott op onderzoek uit, wat uiteindelijk resulteert in een aanklacht tegen de voor de vervuiling verantwoordelijke chemiereus DuPont.

Geschrokken druip ik af na Dark Waters. Dus het is aannemelijk dat die troep ook in míjn lichaam rondzwerft? Want ik heb ook zo’n ding in mijn keukenla staan. Heb er nooit bij stilgestaan dat de letter T op de bodem ervan verband houdt met het goedje dat zoveel dood en verderf zaait in Dark Waters. Ik heb het over de chemische verbinding PFOA (ook wel C8 genoemd): perfluoroctaanzuur. DuPont gebruikte het decennialang bij de productie van teflon. Het zuur heeft de nare eigenschap dat het vrijwel niet wordt afgebroken door het lichaam.

Ook brave familieman Bilott beseft dat op zeker moment. Waarop hij midden in de nacht driftig alle keukenkastjes binnenstebuiten keert. Hoeveel ‘blije pannen’ telt ons huishouden eigenlijk? Ruffalo voelt zich kiplekker in de rol van bezeten speurneus. In Spotlight (2015) speelde hij een geobsedeerde onderzoeksjournalist, en ook in Dark Waters gaat hij tot het gaatje om de smerige praktijken van DuPont te openbaren. Ruffalo speelt oké, maar over het geheel genomen is zijn optreden toch enigszins teleurstellend. Ik mis net iets te vaak het heilige acteervuur; het is alsof dat bij hem schuilgaat onder een (soort van) antiaanbaklaag.

Meer pit zie ik bij Tim Robbins, die als Bilotts baas Tom Terp vurig pleit om Dupont keihard aan te pakken (prima scène). En bij Anne Hathaway die Roberts vrouw Sarah speelt. Het is vooral Hathaway die het pakkende maar tegelijkertijd ook wat stugge drama – ik proef aldoor Spotlight in Dark Waters – van iets meer lenigheid voorziet. Sarah steunt haar man door dik en dun, maar dat hun gezinsleven hevig lijdt onder Roberts missie om DuPont te knakken, knaagt aan haar. Wanneer ze hem daar op een dag mee confronteert, volgt een zouteloze repliek. Een gemiste kans.

Meest interessante invalshoek van Dark Waters is dat DuPont de grootste werkgever van Parkersburg is, een stadje met zo’n 30 duizend inwoners. Vrijwel onmogelijk om zo’n gigant, schatrijk en dus invloedrijk, de nek om te draaien. Hoe overweldigend het bewijs ook is. Het drinkwater is vergiftigd en de stad zelf is verstrengeld met de op het pluche zittende bron van vergiftiging. In dubbel opzicht een zeer ongezonde situatie.

 Regie: Michael Mann | Duur: 157 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL

Camera

“In deze schimmige zakenwereld was nicotine niet verslavend en waren sigaretten niet ongezond. Zwart was wit, en mijn leven was een leugen.” Zegt Jeffrey Wigand. In de jaren 90 was de biochemicus als hoofd onderzoek en ontwikkeling werkzaam voor de tabaksfabrikant Brown & Williamson (B&W). Wigand is de centrale pion in het meeslepende The Insider, een op ware feiten gebaseerd drama van regisseur Michael Mann dat goed was voor zeven Oscarnominaties.

In The Insider is Lowell Bergman (Al Pacino) producer van het programma 60 Minutes van CBS. Hij ruikt een verhaal wanneer hij de hulp inroept van Wigand (Russell Crowe), die echter niet met hem wil praten. Wigands voormalig werkgever B&W vreest het ergste en zet hem hierop onder druk om een aanvullende geheimhoudingsovereenkomst te ondertekenen.

Het manipulatieve instrument dat B&W inzet is precies het zetje dat Wigand nodig heeft om alsnog uit de school te klappen. Maar daar kleven risico’s aan, waarschuwt Bergman Wigand. Spreken of zwijgen? Ik moet tijdens de film denken aan Phèdre van de Franse toneelschrijver Jean Racine (1639-1699), een meesterlijke tragedie over de onvermijdelijkheid van de mondelinge bekentenis. Het geschreven woord is krachtig, het gesproken woord overstemt dat echter.

Bergman (een daverende Pacino) bijt zich als een pitbull vast in de zaak. De journalist, man van z’n woord, doet er via Wigand alles aan om de smerige waarheid omtrent de tabaksindustrie te openbaren. Maar zoals elke nicotinejunk niets wil horen over de lichamelijke en geestelijke aftakeling waartoe hij zichzelf veroordeelt (verslaving muilkorft de waarheid, weet deze ex-roker), zo krampachtig tracht B&W hun bedrijfsgeheim te beschermen. Met middelen waarbij de ethiek ver te zoeken is: eerst door te intimideren, dan via een in alle haast uitgevaardigd spreekverbod, en als dat ook niet helpt door ordinair met modder te gooien.

Wigand, evenwichtig ogend maar van binnen een vulkaan, is het minst te benijden in het fascinerende steekspel The Insider. De liefhebbende vader en echtgenoot raakt verstrikt in een web met maar één escape: via de waarheid. Maar die waarheid betaalt hij wel met zijn privéleven. Crowe heeft de moeilijkste rol in The Insider. Hij kwijt zich prima van zijn taak en wordt indringend geportretteerd door Dante Spinotti (ook de cameraman in Heat, 1995). Regelmatig is Crowe op de voorgrond te zien; frontaal of juist zijdelings in beeld, alsof Spinotti hem met zijn lens op de hielen zit. Jeffrey Wigand is opgejaagd wild.

Albert Heijn roept zijn maaltijdsalade met tonijn terug, omdat deze sporen van de listeria-bacterie bevat. Wat denkt u, roept B&W als de sodemieter al hun sigaretten terug? Het antwoord op die vraag is eigenlijk te gek voor woorden. The Insider gaat over een duo dat zijn stekels opzet tegen de kapitaalkrachtige tabaksmaffia. Tegen haar vertragingstactieken, de rookgordijnen die ze opwerpt en de tentakels waarmee ze zelfs een bolwerk als CBS dreigde te ontwortelen. Dat laatste gebeurde net niet, dankzij W&B: Wigand & Bergman.

 Regie: David Lowery | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Het maakt niet zoveel uit of hij de goeierik of slechterik speelt. Dat zal ongetwijfeld door zijn charme komen; die prikt immers door elke laag heen. Ik heb het over Robert Redford, met wie ik kennismaakte in Out of Africa (1985), de film die mijn destijds nog grasgroene innerlijk in lichterlaaie zette. Met The Old Man & the Gun sluit de 82-jarige acteur zijn indrukwekkende acteerloopbaan af. Een gedenkwaardig afscheid is het echter niet.

In The Old Man & the Gun vertolkt Redford Forrest Tucker, een bankovervaller die de pensioengerechtigde leeftijd al lang en breed is gepasseerd, maar de kneepjes van het vak nog niet is verleerd. Als hij in Jewel (Sissy Spacek) de vrouw van zijn dromen ontmoet, lijkt zijn leven compleet. Maar dat is buiten de jonge detective John Hunt (Casey Affleck) gerekend, die een klopjacht begint op Forrest en zijn handlangers.

Het snorrentijdperk, begin jaren 80 van de vorige eeuw. Forrest leidt een driekoppige roversbende. Alhoewel: van roversbende kun je amper spreken. Het kopstuk krijgt assistentie van leeftijdsgenoten Waller (Tom Waits) en Teddy (Danny Glover), maar om nu te zeggen dat de bejaardenbrigade echt tot de verbeelding spreekt, nou nee. Het verhaal is daarbij erg gericht op Forrest. Hij berooft solo (Waller en Teddy zijn feitelijk twee overbodige personages) en doet dat steevast met een vriendelijke glimlach op het gezicht. Het pistool dat hij steeds vluchtig tevoorschijn tovert, heeft vooral een symbolische betekenis.

Heel even dreigt de film leuk te worden, wanneer Redford en Affleck voor het eerst oog in oog staan met elkaar. Er volgt een aardige dialoog tussen de mannen (een van de weinige in de film), maar daar blijft het vervolgens bij. Want Hunt, op wie het leven zwaar drukt, gaat al snel door de knieën voor Forrest – hoe voorspelbaar. En ook Spacek geeft Redford nauwelijks tegengas. Beiden verdrinken van meet af aan in elkaars ogen. Twee oudjes die er lekker op los flirten; dat is nog het leukste aan The Old Man & the Gun.

Dat de kijker het nimmer moge vergeten: Robert Redford is een gentleman in optima forma. Maar The Old Man & the Gun, een misdaadkomedie die overigens op ware feiten is gebaseerd, kun je met de beste wil van de wereld geen eerbetoon aan de acteerlegende noemen. Suf plot, loom acteerwerk, loungemuziekje als soundtrack: de film heeft de amusementswaarde van een potje zomeravondvoetbal.

 

 Regie: Damien Chazelle | Duur: 141 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

De reis duurde slechts vier dagen, de voorbereiding kostte jaren. First Man vertelt wat voorafging aan wat velen zien als de meest historische gebeurtenis van de vorige eeuw. Op zondag 20 juli 1969, even na 20.17 uur UTC, ziet de wereld hoe astronaut Neil Armstrong als eerste mens op de maan landt. Zes uur en veertig minuten later zet hij voet op het maanoppervlak: “That’s one small step for (a) man, one giant leap for mankind.”

First Man, gebaseerd op het boek van James R. Hansen, gaat over dat chapiter in het Amerikaanse ruimtevaartprogramma, en is toegespitst op Armstrong in de periode van 1961 tot 1969. Een welkome trendbreuk is dat de film geen lofzang is. Niet op Amerika, noch op NASA en haar dappere mannen die, Hollywoodiaanse producties piepen en kraken dikwijls onder dat euvel, ter meerdere glorie van de Stars en Stripes daar gaan “where no one has gone before”. Wat verder opvalt is dat de gespannen internationale verhoudingen op dat moment (de Koude Oorlog) een minimale rol spelen. Wel stipt de film de binnenlandse verontwaardiging aan: wat kost het eigenlijk om “witman” naar de maan te schieten? Kunnen die miljarden niet beter aan het collectief besteed worden?

Regisseur Damien Chazelle kiest dus voor relatief weinig ‘achtergrondruis’ in First Man. En hij werkte, in navolging van zijn met liefst zes Oscars bekroonde La La Land (2016), opnieuw samen met tweevoudig Oscargenomineerde Ryan Gosling. Het resultaat is een intiem portret. Ja, de verrichtingen van Armstrong en zijn kompanen zijn groots, maar het is alsof Chazelle die in een etalage plaatst. Van achter glas mogen we die verrichtingen zien, waarbij de focus op de mens en zijn emoties ligt, niet zozeer op zijn daden.

Van achter glas, maar wel door een vergrootglas. Hebt u Dunkirk (2017) gezien? Dan zal First Man u in zekere zin als een déjà-vu voorkomen. Het camerawerk is namelijk vergelijkbaar: onwaarschijnlijk goed. Meermaals bekruipt je de sensatie zélf in een ruimtecapsule te zitten, waar het trouwens niet prettig toeven was. Als sardientjes in een blik. En dan die technologie! Het blik werd nog net niet met plakband bij elkaar gehouden, maar veel scheelt het niet. Wat er in 50 jaar allemaal niet veranderd is. Onvoorstelbaar.

Behalve het camerawerk moet ook de cast genoemd worden. Een topcast met Ryan Gosling als de stoïcijnse Neil Armstrong aan het hoofd. “Hij is in de loop der tijd gekarakteriseerd als een teruggetrokken persoon. Maar dat was hij niet”, zegt Armstrongs oudste zoon Rick over zijn vader. Verre van stoïcijns is Neils vrouw Janet, uitstekend vertolkt door Claire Foy, bekend van haar rol als Queen Elizabeth II in de dramaserie The Crown. Terwijl Neil ‘gewoon’ met z’n werk bezig is, moet Janet haar zenuwen in bedwang zien te houden. Mark Armstrong: “Mijn moeder had alle zorgen, maar geen enkele controle.”

Aangedaan en met sterretjes in de ogen verlaat ik de bioscoopzaal: First Man is een fantastische biopic. Intens, oprecht. De film toont de zware, van de dood doortrokken aanloop naar het succes van de Apollo 11-missie. Nul sentiment, geen geromantiseer. Oké, op dat ene moment na dan. Het moment waardoor je kunt stellen dat Neil die slordige 385 duizend kilometer wellicht ook heeft moeten afleggen om het verlies van zijn dochtertje Karen een plek te kunnen geven.

 Regie: Craig Gillespie | Duur: 120 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Voormalig kunstschaatsster Tonya Harding schreef geschiedenis toen ze in 1991 als eerste Amerikaanse vrouw een drievoudige axel uitvoerde. En ze straalde, geliefd als ze zich plotseling voelde. Maar drie jaar later hing de vlag er heel anders bij: na de Olympische Winterspelen in Lillehammer werd ze voor het leven geschorst. Het hoe en waarom van haar tragische val tekent regisseur Craig Gillespie op in het wervelende I, Tonya.

Tonya (Margot Robbie) is een natuurtalent en niets lijkt haar een glanscarrière in de weg te staan. Maar het meisje uit Oregon is bepaald niet van goede komaf; haar vulgaire outfits en gedrag zijn de keurige schaatswereld een doorn in het oog. Omringd door idioten, met goede en slechte bedoelingen, wordt ze meegezogen in een complot om haar grote rivale (de engelachtige Nancy Kerrigan) de voet dwars te zetten.

“Suck my dick!” bijt Tonya de jury toe in de film. “Had ik dat maar echt gezegd”, was volgens Robbie de reactie van Harding, die zeer onder de indruk was van I, Tonya. Als de voortekenen niet bedriegen, gaat de film met minstens één Oscar naar huis. Grote kans dat Robbie die wint, want de Australische actrice speelt grandioos. De kansarme Tonya dwingt een enorme compassie af. Ze is deels dader, maar vooral het slachtoffer van een verziekte jeugd. En later van haar entourage, een stel zeldzame klunzen bij elkaar. Continu moet ze zich hiertegen wapenen. Gescheld en fysiek geweld knallen dan ook van het doek.

Gaat de Oscar niet naar Robbie, dan toch zeker wel naar Allison Janney. Als Tonya’s moeder LaVona blaast de actrice je keihard omver. Mijn god, wat speelt zij monsterlijk goed! Alsof er puur vergif door haar aderen stroomt. Eens te meer besef je dat de appel niet ver van de boom valt. “You cursed me” is Tonya’s verwijt aan haar adres. Een helse erfenis, klevend als pek.

De klasse van I, Tonya beperkt zich niet tot het acteerwerk alleen. Het spitse script wisselt hartverscheurend drama af met dolkomische momenten. Meermaals richten de personages zich ook rechtstreeks tot de kijker (het doorbreken van de vierde wand), of beschouwen ze de gebeurtenissen in gereconstrueerde interviewfragmenten. Alle credits voor Tatiana S. Riegel, wier fantastische montage de lijm is tussen de diverse invalshoeken en vertelvormen.

Harding: “There’s no such thing as truth. That’s bullshit.” Daarom nagelt Gillespie ook niemand aan het kruis in de foutloze kür die zijn biopic is. De film is geworden zoals hij bedoeld is: niet een waarheidsgetrouw, maar een werkelijkheidsgetrouw portret van een rafelige fee op twee ijzers.

 Regie: Steven Spielberg | Duur: 116 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Drievoudig Oscarwinnares Meryl Streep was duidelijk in haar Golden Globes-speech vorig jaar: “We need the principled press to hold power to account, to call him on the carpet for every outrage.” Voegt ze in de biopic The Post daad bij woord? Ze speelt Katharine Graham, die in 1971 als eerste vrouwelijke uitgever van The Washington Post voor een enorm dilemma wordt gesteld.

The Post begint met gevechten in het Zuid-Vietnamese Hau Giang. Defensieanalist Daniel Ellsberg stelt vast dat er weinig vooruitgang in de strijd zit en brengt minister van Defensie Robert McNamara hiervan op de hoogte. Maar terug in Amerika liegt McNamara de pers voor, waarop Ellsberg geheime documenten uit het Pentagon steelt en deze doorspeelt aan The New York Times.

Zondag 13 juni 1971. Op de voorpagina pakt The Times uit met Amerika’s langdurige, moeizame en grotendeels voor het volk verzwegen anticommunistische campagne in Indochina. Het Witte Huis, waar president Richard Nixon op dat moment de scepter zwaait, verbiedt hierop om nog langer geheime overheidsdocumenten over de oorlog te openbaren. Hoofdredacteur Ben Bradlee (Tom Hanks) legt zich hier echter niet bij neer.

Persvrijheid of nationale veiligheid? De kwestie is heikel, de timing zeer beroerd. De krant heeft namelijk net de beursgang gemaakt; zullen investeerders afhaken als Nixon daadwerkelijk aan de schandpaal wordt genageld? Daarnaast riskeren Graham en Bradlee een forse celstraf, en zou publicatie tevens het einde kunnen betekenen van het imperium dat The Washington Post is.

De vertolkingen in The Post zijn prachtig. Streep, voor de 21ste (!) keer genomineerd voor een Oscar, is formidabel als de innemende Kay die zich in het door mannen gedomineerde nieuwswereldje fier staande houdt. Ze krijgt ferm tegenspel van Hanks, die Ben Bradlee overigens persoonlijk kende. De dialogen tussen de twee Hollywoodiconen vormen dan ook het merg van de film.

Anderzijds is een scherpe kanttekening op z’n plaats: de kijker leert helemaal niets over de Pentagon Papers zelf. Spielberg brengt de onderzoeksjournalistiek van toen op nostalgische wijze in beeld, maar zijn film haalt het niet bij All the President’s Men (1976), waarin journalisten Woodward en Bernstein met bloed, zweet en tranen de ins en outs van de Watergate-affaire boven tafel weten te krijgen. Waarheidsvinding is immers geen romantische aangelegenheid; het spannende maar inhoudelijk vlakke The Post doet je dat iets te veel geloven.