Regie: Farhad Savinia | Duur: 124 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar

Camera

Taal is onderwerp van onderzoek in The Professor and the Madman, een biografisch drama naar het boek The Surgeon of Crowthorne uit 1998 van Simon Winchester. Op IMDb scoort de film onder critici gemiddeld 2.5. Er valt zeker het nodige aan te merken op wat Farhad Savinia ons voorschotelt, maar het lage rapportcijfer (op basis van slechts vier reviews) is mij te streng.

Engeland, 1872. De Schot James Murray (Mel Gibson) solliciteert naar de job om de eerste editie van de Oxford English Dictionary samen te stellen. Een op voorhand ondoenlijk karwei, want hoe verzamel en documenteer je álle woorden die de rijke Engelse taal herbergt? Gelukkig steekt een gepensioneerd legerarts, de Amerikaan William Chester Minor (Sean Penn), de helpende hand toe.

Waar komt de bagger die kenners over The Professor and the Madman uitstorten vandaan? Ik bekijk de film drie keer en stel vast dat Mel Gibson en Sean Penn, toch geen kleintjes binnen het acteergilde (beiden tweevoudig Oscarwinnaar), inderdaad niet de sterren van de hemel spelen.

Gibson speelt een uit het arbeidersmilieu opgeklommen autodidact die in het oer-Engelse, decadente universiteitswereldje van Oxford vriend en vijand verbaast met – overdrijven is ook een vak – zijn wel héél uitgebreide talenkennis. Probleem bij Gibson is dat hij vaak struikelt over de complexere emoties; veel kleuren telt zijn expressie-spectrum niet. Wanneer hij bijvoorbeeld door een tierende William dringend verzocht wordt om op te krassen, op het eind van de film, schiet hij in de tranen. Maar o jee wat doet hij daarbij met zijn mond? In de emotie hapt hij als een vis op het droge naar lucht. Een koddig gezicht.

Gibsons spel kan ermee door, dat van Penn niet. Laatstgenoemde wil veel te graag; een andere verklaring kan ik niet vinden voor zijn theatrale optreden. Hij speelt een 48-jarige ex-militair die claimt achtervolgd te worden door de deserteur die hij tijdens de oorlog heeft laten brandmerken. Zijn paranoia leidt tot de vergismoord waarmee de film begint, en zijn gedwongen opsluiting in het psychiatrisch ziekenhuis van Broadmoor. William wisselt momenten van innerlijke rust en luciditeit af met angstaanvallen en razernij, maar de schizofrene aard plakt Penn als een soort sticker op zijn personage.

Toch is er reden voor jolijt: Jennifer Ehle (als Ada, de vrouw van James), Natalie Dormer als de weduwe Eliza Merrett en Eddie Marsan als Mr. Muncie (bewaker in Broadmoor, een prachtig rolletje) geven de film kleur. Het zegt anderzijds veel over Gibson en Penn dat het vuurwerk moet komen van een drietal acteurs die alleen maar kunnen dromen van een Oscar(nominatie).

De echte pijn betreft het plot. Na vijftig minuten is er nog weinig aan de hand. Maar als William zich als een geschenk uit de hemel presenteert en het monnikenwerk van een wanhopige James vlot trekt, schakelen we plots twee versnellingen hoger. Een halve scheet later zijn James en William dikke vrinden, is het woordenboek af en raakt Eliza meer en meer gecharmeerd van de man die haar tot een armlastige weduwe bombardeerde. Pardon?

The Professor and the Madman is best amusant, maar heeft last van ruis: het plot is een propvol kladblok. Jammer dat Savinia niet inzoomt op de totstandkoming van het encyclopedische werk, op de “evolutie der betekenis” zoals professor Murray treffend stelt. Goede bijrollen en een paar fraaie tournures werken verzachtend, maar graag had ik een film gezien die de taal daadwerkelijk in de spotlights zet in plaats van deze te verbannen naar de kantlijn.

 Regie: Todd Haynes | Duur: 126 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

The Lawyer Who Became DuPonts Worst Nightmare‘. Onder die titel verscheen begin januari 2016 een artikel van Nathaniel Rich in The New York Times. Het is het uitgangspunt voor Dark Waters, een historisch drama dat de schellen van je ogen doet vallen. De film is een degelijk staaltje vakmanschap van regisseur Todd Haynes (Carol, 2015) waarin de hoofdrolspeler, drievoudig Oscargenomineerde Mark Ruffalo, echter meer had moeten brengen.

In Dark Waters speelt Ruffalo Robert Bilott, een door de wol geverfde bedrijfsjurist die net (het is 1998) partner is geworden bij het prestigieuze advocatenkantoor Taft, Stettinius & Hollister. Op een dag staat er een boer uit Parkersburg (West Virginia) voor zijn neus die beweert dat zijn vee massaal sterft omdat er in de buurt van zijn boerderij giftig afval wordt geloosd. Aarzelend gaat Bilott op onderzoek uit, wat uiteindelijk resulteert in een aanklacht tegen de voor de vervuiling verantwoordelijke chemiereus DuPont.

Geschrokken druip ik af na Dark Waters. Dus het is aannemelijk dat die troep ook in míjn lichaam rondzwerft? Want ik heb ook zo’n ding in mijn keukenla staan. Heb er nooit bij stilgestaan dat de letter T op de bodem ervan verband houdt met het goedje dat zoveel dood en verderf zaait in Dark Waters. Ik heb het over de chemische verbinding PFOA (ook wel C8 genoemd): perfluoroctaanzuur. DuPont gebruikte het decennialang bij de productie van teflon. Het zuur heeft de nare eigenschap dat het vrijwel niet wordt afgebroken door het lichaam.

Ook brave familieman Bilott beseft dat op zeker moment. Waarop hij midden in de nacht driftig alle keukenkastjes binnenstebuiten keert. Hoeveel ‘blije pannen’ telt ons huishouden eigenlijk? Ruffalo voelt zich kiplekker in de rol van bezeten speurneus. In Spotlight (2015) speelde hij een geobsedeerde onderzoeksjournalist, en ook in Dark Waters gaat hij tot het gaatje om de smerige praktijken van DuPont te openbaren. Ruffalo speelt oké, maar over het geheel genomen is zijn optreden toch enigszins teleurstellend. Ik mis net iets te vaak het heilige acteervuur; het is alsof dat bij hem schuilgaat onder een (soort van) antiaanbaklaag.

Meer pit zie ik bij Tim Robbins, die als Bilotts baas Tom Terp vurig pleit om Dupont keihard aan te pakken (prima scène). En bij Anne Hathaway die Roberts vrouw Sarah speelt. Het is vooral Hathaway die het pakkende maar tegelijkertijd ook wat stugge drama – ik proef aldoor Spotlight in Dark Waters – van iets meer lenigheid voorziet. Sarah steunt haar man door dik en dun, maar dat hun gezinsleven hevig lijdt onder Roberts missie om DuPont te knakken, knaagt aan haar. Wanneer ze hem daar op een dag mee confronteert, volgt een zouteloze repliek. Een gemiste kans.

Meest interessante invalshoek van Dark Waters is dat DuPont de grootste werkgever van Parkersburg is, een stadje met zo’n 30 duizend inwoners. Vrijwel onmogelijk om zo’n gigant, schatrijk en dus invloedrijk, de nek om te draaien. Hoe overweldigend het bewijs ook is. Het drinkwater is vergiftigd en de stad zelf is verstrengeld met de op het pluche zittende bron van vergiftiging. In dubbel opzicht een zeer ongezonde situatie.

 Regie: Michael Mann | Duur: 157 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: AL

Camera

“In deze schimmige zakenwereld was nicotine niet verslavend en waren sigaretten niet ongezond. Zwart was wit, en mijn leven was een leugen.” Zegt Jeffrey Wigand. In de jaren 90 was de biochemicus als hoofd onderzoek en ontwikkeling werkzaam voor de tabaksfabrikant Brown & Williamson (B&W). Wigand is de centrale pion in het meeslepende The Insider, een op ware feiten gebaseerd drama van regisseur Michael Mann dat goed was voor zeven Oscarnominaties.

In The Insider is Lowell Bergman (Al Pacino) producer van het programma 60 Minutes van CBS. Hij ruikt een verhaal wanneer hij de hulp inroept van Wigand (Russell Crowe), die echter niet met hem wil praten. Wigands voormalig werkgever B&W vreest het ergste en zet hem hierop onder druk om een aanvullende geheimhoudingsovereenkomst te ondertekenen.

Het manipulatieve instrument dat B&W inzet is precies het zetje dat Wigand nodig heeft om alsnog uit de school te klappen. Maar daar kleven risico’s aan, waarschuwt Bergman Wigand. Spreken of zwijgen? Ik moet tijdens de film denken aan Phèdre van de Franse toneelschrijver Jean Racine (1639-1699), een meesterlijke tragedie over de onvermijdelijkheid van de mondelinge bekentenis. Het geschreven woord is krachtig, het gesproken woord overstemt dat echter.

Bergman (een daverende Pacino) bijt zich als een pitbull vast in de zaak. De journalist, man van z’n woord, doet er via Wigand alles aan om de smerige waarheid omtrent de tabaksindustrie te openbaren. Maar zoals elke nicotinejunk niets wil horen over de lichamelijke en geestelijke aftakeling waartoe hij zichzelf veroordeelt (verslaving muilkorft de waarheid, weet deze ex-roker), zo krampachtig tracht B&W hun bedrijfsgeheim te beschermen. Met middelen waarbij de ethiek ver te zoeken is: eerst door te intimideren, dan via een in alle haast uitgevaardigd spreekverbod, en als dat ook niet helpt door ordinair met modder te gooien.

Wigand, evenwichtig ogend maar van binnen een vulkaan, is het minst te benijden in het fascinerende steekspel The Insider. De liefhebbende vader en echtgenoot raakt verstrikt in een web met maar één escape: via de waarheid. Maar die waarheid betaalt hij wel met zijn privéleven. Crowe heeft de moeilijkste rol in The Insider. Hij kwijt zich prima van zijn taak en wordt indringend geportretteerd door Dante Spinotti (ook de cameraman in Heat, 1995). Regelmatig is Crowe op de voorgrond te zien; frontaal of juist zijdelings in beeld, alsof Spinotti hem met zijn lens op de hielen zit. Jeffrey Wigand is opgejaagd wild.

Albert Heijn roept zijn maaltijdsalade met tonijn terug, omdat deze sporen van de listeria-bacterie bevat. Wat denkt u, roept B&W als de sodemieter al hun sigaretten terug? Het antwoord op die vraag is eigenlijk te gek voor woorden. The Insider gaat over een duo dat zijn stekels opzet tegen de kapitaalkrachtige tabaksmaffia. Tegen haar vertragingstactieken, de rookgordijnen die ze opwerpt en de tentakels waarmee ze zelfs een bolwerk als CBS dreigde te ontwortelen. Dat laatste gebeurde net niet, dankzij W&B: Wigand & Bergman.

 Regie: David Lowery | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Het maakt niet zoveel uit of hij de goeierik of slechterik speelt. Dat zal ongetwijfeld door zijn charme komen; die prikt immers door elke laag heen. Ik heb het over Robert Redford, met wie ik kennismaakte in Out of Africa (1985), de film die mijn destijds nog grasgroene innerlijk in lichterlaaie zette. Met The Old Man & the Gun sluit de 82-jarige acteur zijn indrukwekkende acteercarrière af. Een gedenkwaardig afscheid is het echter niet.

In The Old Man & the Gun vertolkt Redford Forrest Tucker, een bankovervaller die de pensioengerechtigde leeftijd al lang en breed is gepasseerd, maar de kneepjes van het vak nog niet is verleerd. Als hij in Jewel (Sissy Spacek) de vrouw van zijn dromen ontmoet, lijkt zijn leven compleet. Maar dat is buiten de jonge detective John Hunt (Casey Affleck) gerekend, die een klopjacht begint op Forrest en zijn handlangers.

Het snorrentijdperk, begin jaren 80 van de vorige eeuw. Forrest leidt een driekoppige roversbende. Alhoewel: van roversbende kun je amper spreken. Het kopstuk krijgt assistentie van leeftijdsgenoten Waller (Tom Waits) en Teddy (Danny Glover), maar om nu te zeggen dat de bejaardenbrigade echt tot de verbeelding spreekt, nou nee. Het verhaal is daarbij erg gericht op Forrest. Hij berooft solo (Waller en Teddy zijn feitelijk twee overbodige personages) en doet dat steevast met een vriendelijke glimlach op het gezicht. Het pistool dat hij steeds vluchtig tevoorschijn tovert, heeft vooral een symbolische betekenis.

Heel even dreigt de film leuk te worden, wanneer Redford en Affleck voor het eerst oog in oog staan met elkaar. Er volgt een aardige dialoog tussen de mannen (een van de weinige in de film), maar daar blijft het vervolgens bij. Want Hunt, op wie het leven zwaar drukt, gaat al snel door de knieën voor Forrest – hoe voorspelbaar. En ook Spacek geeft Redford nauwelijks tegengas. Beiden verdrinken van meet af aan in elkaars ogen. Twee oudjes die er lekker op los flirten; dat is nog het leukste aan The Old Man & the Gun.

Dat de kijker het nimmer moge vergeten: Robert Redford is een gentleman in optima forma. Maar The Old Man & the Gun, een misdaadkomedie die overigens op ware feiten is gebaseerd, kun je met de beste wil van de wereld geen eerbetoon aan de acteerlegende noemen. Suf plot, loom acteerwerk, loungemuziekje als soundtrack: de film heeft de amusementswaarde van een potje zomeravondvoetbal.

 

 Regie: Damien Chazelle | Duur: 141 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

De reis duurde slechts vier dagen, de voorbereiding kostte jaren. First Man vertelt wat voorafging aan wat velen zien als de meest historische gebeurtenis van de vorige eeuw. Op zondag 20 juli 1969, even na 20.17 uur UTC, ziet de wereld hoe astronaut Neil Armstrong als eerste mens op de maan landt. Zes uur en veertig minuten later zet hij voet op het maanoppervlak: “That’s one small step for (a) man, one giant leap for mankind.”

First Man, gebaseerd op het boek van James R. Hansen, gaat over dat chapiter in het Amerikaanse ruimtevaartprogramma, en is toegespitst op Armstrong in de periode van 1961 tot 1969. Een welkome trendbreuk is dat de film geen lofzang is. Niet op Amerika, noch op NASA en haar dappere mannen die, Hollywoodiaanse producties piepen en kraken dikwijls onder dat euvel, ter meerdere glorie van de Stars en Stripes daar gaan “where no one has gone before”. Wat verder opvalt is dat de gespannen internationale verhoudingen op dat moment (de Koude Oorlog) een minimale rol spelen. Wel stipt de film de binnenlandse verontwaardiging aan: wat kost het eigenlijk om “witman” naar de maan te schieten? Kunnen die miljarden niet beter aan het collectief besteed worden?

Regisseur Damien Chazelle kiest dus voor relatief weinig ‘achtergrondruis’ in First Man. En hij werkte, in navolging van zijn met liefst zes Oscars bekroonde La La Land (2016), opnieuw samen met tweevoudig Oscargenomineerde Ryan Gosling. Het resultaat is een intiem portret. Ja, de verrichtingen van Armstrong en zijn kompanen zijn groots, maar het is alsof Chazelle die in een etalage plaatst. Van achter glas mogen we die verrichtingen zien, waarbij de focus op de mens en zijn emoties ligt, niet zozeer op zijn daden.

Van achter glas, maar wel door een vergrootglas. Hebt u Dunkirk (2017) gezien? Dan zal First Man u in zekere zin als een déjà-vu voorkomen. Het camerawerk is namelijk vergelijkbaar: onwaarschijnlijk goed. Meermaals bekruipt je de sensatie zélf in een ruimtecapsule te zitten, waar het trouwens niet prettig toeven was. Als sardientjes in een blik. En dan die technologie! Het blik werd nog net niet met plakband bij elkaar gehouden, maar veel scheelt het niet. Wat er in 50 jaar allemaal niet veranderd is. Onvoorstelbaar.

Behalve het camerawerk moet ook de cast genoemd worden. Een topcast met Ryan Gosling als de stoïcijnse Neil Armstrong aan het hoofd. “Hij is in de loop der tijd gekarakteriseerd als een teruggetrokken persoon. Maar dat was hij niet”, zegt Armstrongs oudste zoon Rick over zijn vader. Verre van stoïcijns is Neils vrouw Janet, uitstekend vertolkt door Claire Foy, bekend van haar rol als Queen Elizabeth II in de dramaserie The Crown. Terwijl Neil ‘gewoon’ met z’n werk bezig is, moet Janet haar zenuwen in bedwang zien te houden. Mark Armstrong: “Mijn moeder had alle zorgen, maar geen enkele controle.”

Aangedaan en met sterretjes in de ogen verlaat ik de bioscoopzaal: First Man is een fantastische biopic. Intens, oprecht. De film toont de zware, van de dood doortrokken aanloop naar het succes van de Apollo 11-missie. Nul sentiment, geen geromantiseer. Oké, op dat ene moment na dan. Het moment waardoor je kunt stellen dat Neil die slordige 385 duizend kilometer wellicht ook heeft moeten afleggen om het verlies van zijn dochtertje Karen een plek te kunnen geven.

 Regie: Craig Gillespie | Duur: 120 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Voormalig kunstschaatsster Tonya Harding schreef geschiedenis toen ze in 1991 als eerste Amerikaanse vrouw een drievoudige axel uitvoerde. En ze straalde, geliefd als ze zich plotseling voelde. Maar drie jaar later hing de vlag er heel anders bij: na de Olympische Winterspelen in Lillehammer werd ze voor het leven geschorst. Het hoe en waarom van haar tragische val tekent regisseur Craig Gillespie op in het wervelende I, Tonya.

Tonya (Margot Robbie) is een natuurtalent en niets lijkt haar een glanscarrière in de weg te staan. Maar het meisje uit Oregon is bepaald niet van goede komaf; haar vulgaire outfits en gedrag zijn de keurige schaatswereld een doorn in het oog. Omringd door idioten, met goede en slechte bedoelingen, wordt ze meegezogen in een complot om haar grote rivale (de engelachtige Nancy Kerrigan) de voet dwars te zetten.

“Suck my dick!” bijt Tonya de jury toe in de film. “Had ik dat maar echt gezegd”, was volgens Robbie de reactie van Harding, die zeer onder de indruk was van I, Tonya. Als de voortekenen niet bedriegen, gaat de film met minstens één Oscar naar huis. Grote kans dat Robbie die wint, want de Australische actrice speelt grandioos. De kansarme Tonya dwingt een enorme compassie af. Ze is deels dader, maar vooral het slachtoffer van een verziekte jeugd. En later van haar entourage, een stel zeldzame klunzen bij elkaar. Continu moet ze zich hiertegen wapenen. Gescheld en fysiek geweld knallen dan ook van het doek.

Gaat de Oscar niet naar Robbie, dan toch zeker wel naar Allison Janney. Als Tonya’s moeder LaVona blaast de actrice je keihard omver. Mijn god, wat speelt zij monsterlijk goed! Alsof er puur vergif door haar aderen stroomt. Eens te meer besef je dat de appel niet ver van de boom valt. “You cursed me” is Tonya’s verwijt aan haar adres. Een helse erfenis, klevend als pek.

De klasse van I, Tonya beperkt zich niet tot het acteerwerk alleen. Het spitse script wisselt hartverscheurend drama af met dolkomische momenten. Meermaals richten de personages zich ook rechtstreeks tot de kijker (het doorbreken van de vierde wand), of beschouwen ze de gebeurtenissen in gereconstrueerde interviewfragmenten. Alle credits voor Tatiana S. Riegel, wier fantastische montage de lijm is tussen de diverse invalshoeken en vertelvormen.

Harding: “There’s no such thing as truth. That’s bullshit.” Daarom nagelt Gillespie ook niemand aan het kruis in de foutloze kür die zijn biopic is. De film is geworden zoals hij bedoeld is: niet een waarheidsgetrouw, maar een werkelijkheidsgetrouw portret van een rafelige fee op twee ijzers.

 Regie: Steven Spielberg | Duur: 116 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Drievoudig Oscarwinnares Meryl Streep was duidelijk in haar Golden Globes-speech vorig jaar: “We need the principled press to hold power to account, to call him on the carpet for every outrage.” Voegt ze in de biopic The Post daad bij woord? Ze speelt Katharine Graham, die in 1971 als eerste vrouwelijke uitgever van The Washington Post voor een enorm dilemma wordt gesteld.

The Post begint met gevechten in het Zuid-Vietnamese Hau Giang. Defensieanalist Daniel Ellsberg stelt vast dat er weinig vooruitgang in de strijd zit en brengt minister van Defensie Robert McNamara hiervan op de hoogte. Maar terug in Amerika liegt McNamara de pers voor, waarop Ellsberg geheime documenten uit het Pentagon steelt en deze doorspeelt aan The New York Times.

Zondag 13 juni 1971. Op de voorpagina pakt The Times uit met Amerika’s langdurige, moeizame en grotendeels voor het volk verzwegen anticommunistische campagne in Indochina. Het Witte Huis, waar president Richard Nixon op dat moment de scepter zwaait, verbiedt hierop om nog langer geheime overheidsdocumenten over de oorlog te openbaren. Hoofdredacteur Ben Bradlee (Tom Hanks) legt zich hier echter niet bij neer.

Persvrijheid of nationale veiligheid? De kwestie is heikel, de timing zeer beroerd. De krant heeft namelijk net de beursgang gemaakt; zullen investeerders afhaken als Nixon daadwerkelijk aan de schandpaal wordt genageld? Daarnaast riskeren Graham en Bradlee een forse celstraf, en zou publicatie tevens het einde kunnen betekenen van het imperium dat The Washington Post is.

De vertolkingen in The Post zijn prachtig. Streep, voor de 21ste (!) keer genomineerd voor een Oscar, is formidabel als de innemende Kay die zich in het door mannen gedomineerde nieuwswereldje fier staande houdt. Ze krijgt ferm tegenspel van Hanks, die Ben Bradlee overigens persoonlijk kende. De dialogen tussen de twee Hollywoodiconen vormen dan ook het merg van de film.

Anderzijds is een scherpe kanttekening op z’n plaats: de kijker leert helemaal niets over de Pentagon Papers zelf. Spielberg brengt de onderzoeksjournalistiek van toen op nostalgische wijze in beeld, maar zijn film haalt het niet bij All the President’s Men (1976), waarin journalisten Woodward en Bernstein met bloed, zweet en tranen de ins en outs van de Watergate-affaire boven tafel weten te krijgen. Waarheidsvinding is immers geen romantische aangelegenheid; het spannende maar inhoudelijk vlakke The Post doet je dat iets te veel geloven.

 

 Regie: Ridley Scott | Duur: 132 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

De inmiddels 88-jarige Christopher Plummer vervangt enfant terrible Kevin Spacey in All the Money in the World. De reshoots (22 scènes in totaal) duurden acht dagen en kostten 10 miljoen dollar. Nog meer productieleed: toen Angelina Jolie en Nathalie Portman bedankten voor de eer om de moeder van John Paul Getty III te spelen, werd Michelle Williams gecast. Of het nu aan de rommelige aanloop ligt of niet, Ridley Scotts film is er een om snel te vergeten.

Oliemagnaat Jean Paul Getty (Plummer) is de rijkste man ter wereld. Wanneer in de zomer van 1973 zijn kleinzoon in Rome wordt gekidnapt door de Italiaanse maffia, eist men 17 miljoen dollar losgeld. Maar de miljardair weigert ook maar één cent te betalen, waarna de familie het afgesneden oor van de jongen ontvangt. Wanhopig om zoonlief te redden, besluit zijn moeder Gail om zelf te onderhandelen met de ontvoerders. Bijgestaan door ex-spion Fletcher Chase (Mark Wahlberg) moet Gail alle zeilen bijzetten om hem te bevrijden.

“Don’t move or we kill you.” Zucht. Het is de zoveelste frase in een misdaaddrama dat geen moment de hooggespannen verwachtingen waarmaakt. Het acteerwerk scoort een zesje. Michelle Williams legt weliswaar gif in haar spel, maar Plummer acteert op de automatische rollator. Pardon, piloot. Hij zet een stierlijk vervelende man neer die geilt op materie en macht, de hele film door. Daarbij onderhouden hij en Gail een moeizame verstandhouding. Waarom?, zo vraag je je af. Als opa’s halsstarrigheid voortkomt uit een vete tussen de twee, dan had ik graag geweten hoe de vork precies in de steel zit. Ten slotte is ook Wahlbergs optreden flauwtjes. Chase is dienaar van Getty en steunpilaar voor de radeloze Gail, maar de intermediair heeft de bravoure van een brave aktetasman.

Plichtmatig spel, futloos script. Zeventien miljoen wordt zeven miljoen, wordt vier miljoen. Echt geloofwaardig zijn de ‘rapitori’ dus niet. En wanneer het lichaam van Getty junior wordt gevonden, blijkt hij het niet te zijn – je meent het! Had scenarist David Scarpa maar een intelligente draai gegeven aan John Pearsons boek, of voor een boeiende ontknoping gekozen. Niets van dat alles: All the Money in the World is verspilde moeite. En weggegooid geld.

 

 

 Regie: Dorota Kobiela & Hugh Welchman | Duur: 94 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar 

Camera

Zijn leven was kort en turbulent, zijn dood een mysterie. De in Zundert geboren kunstschilder Vincent van Gogh (1853) blies op 29 juli 1890 zijn laatste adem uit. Pleegde hij zelfmoord omdat hij ruzie had met zijn jongere broer Theo? Of was het een schreeuw om aandacht van een man die snakte naar erkenning? Was het eigenlijk wel zelfmoord? Kijk naar Loving Vincent.

De film speelt zich een jaar na zijn dood af. De met Van Gogh bevriende postbode Joseph Roulin stuurt zijn zoon Armand (Douglas Booth) eropuit om Vincents laatste brief aan Theo te overhandigen. Eindpunt van zijn reis is Van Goghs sterfplaats Auvers-sur-Oise (nabij Parijs), waar Armand tal van dorpelingen treft met elk hun eigen verhaal over de schilder.

Loving Vincent won de publieksprijs op het Internationale Animatie Filmfestival in Annecy. Niet voor niets: de eerste compleet geschilderde film ooit oogt uitzonderlijk fraai. Liefst 125 schilders zijn verantwoordelijk voor de bijna 67.000 frames waaruit de film is opgebouwd. Waarbij men originele elementen heeft toegevoegd uit 77 van Van Goghs schilderijen. Daarnaast werden de acteurs in de film nageschilderd en vervolgens geanimeerd. De stijl van de meester komt zo tot leven.

Een zuivere biografie is Loving Vincent niet. Meer een detective over Van Goghs tragische einde, aangevuld met brokjes informatie over de jeugdjaren van de laatbloeier, zijn talent en carrièrepad. Bovendien was Vincent (Robert Gulaczyk) lang niet zo aimabel als sommige flashbacks doen geloven. Sterker nog: hij was een enorme lastpak voor zijn omgeving. Dat is althans de conclusie van Steven Naifeh en Gregory White Smith. In hun boek uit 2011 rekent het vermaarde Amerikaanse biografenduo keihard af met, zoals kunstcriticus Rutger Pontzen zegt, “het troetelkind van de Nederlandse schilderkunst”.

Van Gogh was een mens waarin een groot vuur woedde, laat daar geen twijfel over bestaan. Maar “niemand komt zich er ooit aan warmen”, jammerde hij in een van zijn vele brieven aan Theo. Hoe het precies kwam dat hij als een geplaagd genie door het leven ging, komt te weinig uit de verf in Loving Vincent, dat tevens een charmant loopje met de werkelijkheid neemt. Het zijn krassen op een kleurrijk eerbetoon aan de postimpressionist die, postuum, tot de vader van de moderne kunst werd uitgeroepen.

Loving Vincent

 Regie: Stephen Frears | Duur: 111 minuten | Taal: Engels, Urdu & Hindi | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Judith Olivia Dench (1934) speelde in meerdere films de rol van koningin. Voor haar vertolking van Queen Elizabeth in Shakespeare in Love (1998) won ze zelfs een Oscar. Een jaar eerder was ze te bewonderen als Queen Victoria in Mrs Brown, een film die raakvlakken vertoont met Victoria & Abdul.

Het is 1887. De jonge Indiase klerk Abdul Karim reist af naar Engeland om mee te werken aan de viering van het jubileum van koningin Victoria (Judi Dench). De klik tussen haar en Abdul resulteert in een bijzondere vriendschap. Maar Victoria’s hofhouding ziet hun innige relatie met lede ogen aan en stelt alles in het werk om die te verbreken.

In Victoria & Abdul speelt Dench de op een na langst regerende monarch in de Britse geschiedenis. Het is vooral dankzij haar dat de film vlot wegkijkt. Niemand die zo schitterend nijdig kan prikken met de ogen als zij. De principiële lady neerzetten, dat gaat de actrice prima af. Ze speelt een grillige Victoria die zucht onder het juk van haar ambt. En die fel gekant is tegen discriminatie. Klopt dat laatste wel? Niet volgens de Britse pers die regisseur Stephen Frears (The Queen, 2006) betichtte haar als een soort Gandhi af te schilderen.

Ali Fazal speelt Karim, een moslim uit Agra. Brutaal zoekt hij oogcontact met de vorstin wanneer hij haar een ceremoniële munt moet overhandigen. Van nederige bediende groeit de exotische gast in no time uit tot haar munshi (spiritueel leraar). De aantrekkelijke Fazal speelt aardig, maar opereert voortdurend in de schaduw van zijn kreupele soulmate.

Terwijl Victoria helemaal opleeft, zaagt de snobistische aristocratie, onder aanvoering van Victoria’s zoon Bertie (Eddie Izzard), aan haar stoelpoten. Eerst subtiel, later op ronduit schaamteloze wijze. Victoria plooit echter niet. Machtig is de scène waarin ze Bertie en haar voltallige huishouding in niet mis te verstane bewoordingen de oren wast.

Historici zullen zich wellicht ergeren aan het geromantiseerde Victoria & Abdul, dat gebaseerd is op Abduls in 2010 ontdekte dagboeken. Niettemin oogt de film technisch verzorgd, zijn de kostuums prachtig en is Victoria’s gang richting het “eeuwige banket” een ontroerend besluit van een stijlvol Brits drama waarin Judi Dench heerst. Letterlijk en figuurlijk.